Nummer 100


Nieuws uit het derde gewest en zijn riante omgeving | oktober 2004


Taalwetgeving in Brussel op het altaar van Paars II (Bernard Daelemans)<< Nummer 100

De federale regering, of althans premier Guy Verhofstadt, overweegt om in ruil voor de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde de taalwetgeving in Brussel aan te passen in de door de Franstaligen gewenste zin. De kwestie van het kiesarrondissement dreigt nu dus van een offensieve strategie van eendrachtige Vlaamse vooruitgang op een oude, ietwat symbolische kwestie, te verworden tot het glijmiddel voor een smadelijke en vernederende toegift op een fundamenteel terrein, met name het tweetalig statuut van Brussel-hoofdstad.

Zeker, anno 2004 is het niet aanvaardbaar dat Waalse en Brusselse Franstalige politici de Vlaamse rand nog tot hun politieke achtertuin kunnen rekenen. Objectief zal de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde vermoedelijk leiden tot het verlies van één Franstalige zetel in de Kamer. Het Franstalig activisme zal weliswaar aan kracht inboeten, maar toch niet helemaal stilvallen: Franstalige partijen hebben de meerderheid in verschillende Vlaamse (faciliteiten-)gemeenten, gekozenen in de provincieraad van Vlaams-Brabant en in het Vlaams parlement. De kans is reëel dat zij ook een zetel kunnen verwerven in het federaal parlement. De splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde is bijgevolg vooral een symbolische en psychologische kwestie, met relatief weinig concrete gevolgen.

Hebben we het daarentegen over de toepassing van de taalwetgeving in Brussel, dan zijn er fundamenteler zaken aan de orde: de tweetalige dienstverlening aan een kleine honderdduizend Brusselse Vlamingen, maar ook aan honderdduizenden pendelaars, en een paar duizend Vlaamse bedrijven en instellingen met zetel in Brussel (1/3 van alle belastingaangiften van bedrijven in Brussel gebeurt in het Nederlands); vervolgens duizenden jobs van Nederlandstaligen in allerlei dienstverlenende gemeentelijke overheidstakken (administratie, politie, gezondheidszorg, welzijnsvoorzieningen, sportcentra, enz.); ten slotte, met het tweetalig statuut van Brussel staat of valt ook de legitimiteit van Vlaams medebeheer van de hoofdstad.

Nu weten we ook dat de toepassing van de taalwetgeving in Brussel de facto problematisch is. Verontschuldigingen daarvoor liggen voor het grijpen, zoals het ontbreken van tweetalige kandidaten voor allerlei 'knelpuntberoepen', zoals verpleegkundigen. Niemand heeft echter ooit aangegeven waarom het voor Franstalige artsen zo moeilijk is om Nederlands te leren. De niet-naleving van de taalwetgeving heeft veel meer, zoniet alles te maken met een actieve boycot door Franstalige bestuursmeerderheden op gemeentelijk vlak, die hun cliëntelisme niet willen laten doorkruisen door taaleisen. Trouwens, in sommige gemeenten met een grotere Vlaamse aanwezigheid, zoals Anderlecht, slaagt men er wel degelijk in om een goede tweetalige bestaffing te voorzien. Anderzijds gebeurt het geregeld dat Vlaamse kandidaten voor bepaalde functies gepasseerd worden ten voordele van eentalige Franstaligen.

De Vlaamse bestuurders in de Brusselse regering staan inzake het taalbeleid permanent met de billen bloot: ze hebben geen noemenswaardige hefbomen om tegen de taalboycot van de gemeenten op te treden, want daarvoor is het akkoord van de Franstalige collega's vereist. Tenzij ze bereid zouden zijn om met de institutionele atoombom te dreigen (quod non) kunnen ze geen verandering doordrukken. Eénmaal gebeurde het nochtans (in 1997) dat de vereiste 'dubbele meerderheid' niet geleverd werd door de Vlaamse parlementsleden zodat de begroting van de 'Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie' niet werd goedgekeurd. Dit had voor gevolg moeten hebben dat zware investeringen in de infrastructuur van de Brusselse ziekenhuizen geblokkeerd geraakten, maar dankzij juridische spitstechnologie van Jos Chabert werd dit scenario verijdeld. Kort daarna werd via het Lambermont-akkoord deze 'dubbele meerderheid' afgeschaft.

Geconfronteerd met de druk vanuit o.a. de Vlaamse Volksbeweging, en een aantal artsenorganisaties die systematisch de kwestie van de taalwantoestanden in de Brusselse ziekenhuizen in de media brachten, moesten de Vlaamse meerderheidspartijen wel in beweging komen. Maar steevast kwam hun beleid neer op het verdoezelen of minimaliseren van de feiten, het voor zich uitschuiven van het dossier, of zelfs formeel toegeven aan de Franstalige eisen. Deze toegiften werden dan verpakt in bedrieglijke 'taalhoffelijkheidsakkoorden'. Concreet werden de taalexamens door tussenkomst van de federale regering al heel wat gemakkelijker gemaakt, door een ingreep in het puntensysteem. Voorts werd het via een aantal omzendbrieven mogelijk gemaakt om eentaligen 'voorlopig' aan te werven, eerst voor twee jaar, dan voor vier jaar..., maar nooit kwam puntje bij paaltje; nooit werd iemand ontslagen omdat hij of zij na deze termijn zijn tweetaligheid niet kon bewijzen. Uiteindelijk werd de episode van het 'taalhoffelijkheidsbeleid' afgesloten door een tussenkomst van het Vlaams Komitee voor Brussel, dat van de Raad van State de schorsing van de omzendbrieven gedaan kreeg. Voor de hoogste administratieve rechtbank is het duidelijk dat bij de huidige stand van de wetgeving in Brusselse gemeenten niemand kan worden aangeworven die niet aan de tweetaligheid voldoet. Toch onderneemt de huidige Brusselse regering een nieuwe poging, met een nieuwe omzendbrief die op subtiele manier het principe van de 'continuïteit van de dienst' uitspeelt tegen de taalwettelijke verplichtingen. De VVB en het VKB hebben alvast weer aangekondigd dat zij weerom bij de Raad van State zullen aankloppen.

Zowel de Franstalige ministers als Guy Vanhengel stelden, na de uitspraak van de Raad van State, dat het taalhoffelijkheidsakkoord de enige politiek haalbare oplossing was voor het Brusselse taalprobleem. Bijgevolg meende Vanhengel ook dat de taalwetgeving aangepast moet worden. Deze stelling huldigde de VLD ook in zijn verkiezingsprogramma, en het is deze piste die nu door Guy Verhofstadt naar voren geschoven wordt. De premier wil afstappen van de geldende tweetaligheidsplicht van gemeentelijke ambtenaren, om over te gaan naar het taalregime dat van kracht is bij de federale administratie: eentalige ambtenaren, in functie van het werkvolume per taalrol, die samen een tweetalige dienstverlening moeten waarborgen. Met andere woorden, de eis die het FDF al ruim veertig jaar stelt.

Uit de praktijk blijkt echter dat een dergelijke taalregeling - tweetalige diensten met eentalige personeelsleden - onwerkbaar is. Vlaamse parlementsleden (onder anderen Sven Gatz) ijveren al jaren voor het opheffen van dit systeem voor de Brusselse brandweer en dienst 100. (Een Brusselse ambulance moet dus steeds uitrukken met een Nederlandstalige en een Franstalige brancardier, en nog meer absurde regelingen). Bovendien is dit spoor in tegenspraak met de teneur van het Brussels regeerakkoord, waarover we in onze vorige editie bericht hebben: net nu de Brusselse regering zich voorneemt om werklozen aan te sporen om Nederlands te leren met het oog op het verbeteren van hun positie op de arbeidsmarkt, zou aan het Brussels gemeentepersoneel het signaal gegeven worden dat tweetaligheid niet meer zo nodig hoeft.

Niettemin werd het idee van Verhofstadt eerst voorgelegd aan een klein Brussels comité met Philippe Moureaux, Jacques Simonet, Guy Vanhengel en Bert Anciaux. De werkzaamheden van dit comité werden overschaduwd door de DHL-hetze. Inmiddels distantieerde Anciaux zich van het voorstel-Verhofstadt. Maar de premier zet door: in de fameuze beleidsverklaring van 12 oktober lezen we: "Het is wenselijk om de goede samenwerking tussen Frans- en Nederlandstaligen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te verbeteren, onder andere door een modernisering van de taalwetgeving, het toekennen van constitutieve autonomie aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en door de rechten van de Franstaligen (in de rand) en van de Vlaamse minderheid in Brussel te beveiligen".

Het gebruik van de term 'modernisering' is overduidelijk een eufemisme voor toegevingen, zeker als we nu lezen dat de Brusselse Vlamingen voor het eerst door een Vlaamse premier als een 'minderheid' beschouwd worden. Wat de Franstaligen met de 'constitutieve autonomie' voor Brussel willen bereiken is niet geweten, maar het zou kunnen gaan over een wijziging van de samenstelling van de Brusselse regering (nu 'quasi-paritair', met naast de minister-president, twee Nederlandstalige en twee Franstalige ministers).

We kunnen ons best verbeteringen aan de taalwetgeving voorstellen. Maar dan wel in de zin van een verstrenging. De aanhoudende boycot van de taalwetgeving is mogelijk doordat efficiënte sanctioneringsmechanismen ontbreken. Welke partijen dienen voorstellen in om dit te verhelpen?

Het weze duidelijk dat de koppeling van het dossier Brussel-Halle-Vilvoorde aan de taalwetgeving in Brussel een summum van politieke perversie inhoudt van een Verhofstadt die inderdaad tot àlles bereid is om het schamele vel van zijn tweede paarse regering te redden.