Nummer 103


Bedenkingen bij een anti-Roosens-publicatie | januari 2005


De ontreddering van de linkse Belgo-nationalisten (Jef Turf)<< Nummer 103

Het Vlaams Marxistisch Tijdschrift (VMT) heeft een nummer gewijd aan de nagedachtenis van Toon Roosens. Vier organisaties werkten er aan mee: Imavo, Masereelfonds, Het Pennoen en Vrede. "Meervoud" - het tijdschrift waarin Toon gedurende zijn laatste levensfase zijn bedenkingen neerschreef - ontbreekt hierbij. Ons aanbod om samen een uitgave te verzorgen werd niet beantwoord. Na lectuur van sommige bijdragen in het VMT begrijpen we goed waarom: voor een deel werd het een anti-Roosens nummer, met een aantal bijdragen die stellig geen plaats zouden gekregen hebben in het boek dat deze dagen van de pers komt, verzorgd door de ploeg van "Meervoud".

Zeggen we meteen dat we verschillende bijdragen in het VMT ten zeerste naar waarde schatten. Ze vormen een gelukkig tegengewicht met de teksten die zich vooral beijveren met verdachtmakingen en beledigende onwaarheden over Toon, en die hun licht liever op de eigen hersenkronkels laten schijnen dan op de originele inbreng van Toon bij de Vlaamse linkerzijde. Bijdragen van Roger Bourgeois, Freddy De Pauw , Gerlinda Swillen en Ludo Abicht laten, elk op hun manier, licht schijnen op de denk- en leefwereld van Toon Roosens. Hetzelfde kan bijvoorbeeld niet gezegd worden van de bijdrage van Louis Van Geyt. Een onvoorbereid lezer zou uit die bijdrage kunnen afleiden dat Toon Roosens sympathiseerde met extreem rechts ("... op de in mijn ogen niet voldoende kordate wijze, tijdens de laatste jaren, waarop hij (T.R.) zich distantieerde van Vlaams extreemrechts"; p.27).

Van Geyt heeft blijkbaar geen weet van Roosens artikel verschenen in het VMT in december 2000 over het Vlaams Blok en de Vlaamse beweging, waarin hij het Vlaams Blok beschreef als "een blok aan het been van de Vlaamse Beweging". Roosens concludeerde wel uit het de catastrofale gevolgen van de cordon sanitaire-strategie, net zoals zovele Vlamingen, dat men niet langer het Vlaams Blok moet helpen door het te demoniseren. Van Geyt kan het hiermee niet eens zijn, dat is zijn goeie recht, maar daaruit concluderen dat Roosens sympathie zou hebben voor extreem rechts is blijk geven van kwade trouw.

Die lezer zou ook kunnen besluiten dat Toon tegen de samenwerking tussen de Waalse en Vlaamse progressieven was ("Geconfronteerd als we zijn met het fenomeen van de neoliberale mondialisering is het geen goede zaak zich terug te plooien op de eigen gemeenschap... Ik denk dat dit ook het kernpunt uitmaakt van het verschil tussen de opvattingen van Antoon Roosens en mezelf"; p.27). Dit is wel straf wanneer men weet dat Roosens o.m. de auteur was van het "Marshall-plan voor Wallonië", en dat hij één van de weinige progressisten was die vanuit zijn Vlaamse opstelling de dialoog met de Waalse progressisten poogde aan te gaan.

Hier en daar in de tekst zegt Van Geyt wel enkele waarderende woorden over Toon Roosens, maar het gaat dan telkens om diens prestaties en opinies omtrent gebeurtenissen en toestanden die historisch of geografisch ver van ons bed liggen.

Als toemaatje van zijn negatief huldebetoon, heeft Louis Van Geyt het lef Toon als postume getuige op te roepen: "Zelf ben ik ervan overtuigd, dat hij (T.R.) een dergelijk "postuum" vervolg van onze soms scherpe, maar steeds hoffelijke dialogen van weleer zou op prijs gesteld hebben". Na de erg onhoffelijke, om niet te zeggen achterbaks venijnige bijdrage van Van Geyt zou Toon waarschijnlijk op zijn typische manier geglimlacht hebben en iets gezegd in de trant van: "Zo kennen we de Louis al lang!".

Inderdaad. Zo kennen we de Louis al van een eind terug in de vorige eeuw. Met grote standvastigheid, en onberoerd door de gang van de wereld, vestigt hij zijn overtuiging op enkele eenvoudige beweringen, die meestal in een verhullend kleedje worden gestoken.

  • Nationalisme is uit den boze, behalve Belgisch nationalisme en nationalisme van ver verwijderde volkeren.
  • Zonder de solidariteit van de Waalse linkerzijde is Vlaanderen veroordeeld tot een rechts tot extreem-rechts beleid.

Van Geyt kent de bezwaren die ingebracht worden tegen zijn opvatting over het nationalisme, die hij deelt met een groot deel van de linkse opiniemakers: nationalisme is goed voor buitenlandse, slecht voor binnenlandse consumptie. Hij roept dan ook Karl Marx op om te getuigen dat nationale tot nationalistische bewegingen progressief maar net zo goed conservatief en reactionair kunnen zijn of worden. Marx heeft zich namelijk uitgesproken voor Pools nationalisme, omdat het gericht was tegen de Tsaristische dictatuur, maar eerder tegen het Tsjechisch autonomisme, omdat het aldaar de arbeidersbeweging dreigde te verzwakken. Met zijn tijdmachine overbrugt Van Geyt zonder moeite de twee voorbije eeuwen alsof er in die tijd niets gebeurd is (bijvoorbeeld in Polen en Tsjechië, waaruit andere lessen te trekken zijn) en meent hij het pragmatisme van Marx in de 19-eeuwse situatie te kunnen toepassen op de huidige toestand in België. Het Belgisch nationalisme heeft positieve kanten, zegt Van Geyt, en het zou jammer zijn die op te offeren aan eisen van Vlaamse of Waalse onafhankelijkheid. Volgt dan een aanval in regel tegen elke socialist die het aandurft vanuit een Vlaamse positie te handelen. Meteen worden Frank Vandenbroucke en Mia De Vits naar de catacomben van het Vlaams nationalisme verwezen, beschuldigd van de meest verdorven bedoelingen, in tegenstelling tot de Franstaligen van de PS en het FGTB, en van alle Belgo-nationalisten door Louis blijkbaar bij definitie beschouwd als modelleerlingen van de sociale strijd.

Nationalisme kan in de kaart spelen van de rechterzijde, in Vlaanderen en elders, zegt Van Geyt terecht. Wat hij helaas daarbij vergeet te zeggen, is dat de rechterzijde het nationalisme kan misbruiken wanneer de linksen zich afkeren van de noden en de problemen van hun eigen volk en zodoende het terrein braak laten liggen voor populistische en extreem rechtse groeperingen. Het Vlaams Blok oogst wat traditioneel links heeft gezaaid en nog altijd aan 't zaaien is. Door de actieve aanwezigheid op het terrein te vervangen door een inhoudloze kretologie maken die linksen van hun beweringen een self fulfilling prophecy. ZIJ dragen de grootste verantwoordelijkheid voor het feit dat zoveel Vlamingen, veelal ex-SP en ex-KP-kiezers, eieren voor hun geld hebben gekozen en zich op sleeptouw hebben laten nemen door de racistische mooipraters van het Blok.

Voor Van Geyt herleidt de politiek zich trouwens tot de gebeurtenissen in de top-cenakels van partijen en vakbonden, en schijnt hij zelfs niet te beseffen dat de kloof tussen deze cenakels, het Belgisch establishment met heel zijn Belgo-nationalistische aanhang.enerzijds, en de verschillende geledingen van de Vlaamse openbare opinie anderzijds, stilaan onoverbrugbaar is geworden, zoals hij evenmin schijnt te beseffen dat een gemeenschap gekenmerkt wordt door nog andere dimensies dan de noodzakelijke dagdagelijkse eisenstrijd om de boterham. Gramsci heeft stellig geen school gemaakt binnen de K.P.!

Linkse Vlaamse nationalisten zoals Roosens vrezen niet dat hun strijd voor een progressief en sociaal Vlaanderen moeilijker zal worden in een autonoom Vlaanderen. In tegendeel. Bovendien begrijpen zij niet waarom autonomie een eind zou moet maken aan de solidariteit met de Waalse democraten.

Van Geyt verwijst met enige verbazing zelf naar de Tobintaks, voornamelijk vanuit Vlaanderen gepromoot, naar de strijd van de havenarbeiders en naar de sterkte van de Vlaamse Vredesbeweging. Deze laatste vormt zelfs een reden om als Vlaming fier te zijn, zegt hij. Waarom zouden die Vlamingen dan ook niet in staat zijn een beter sociaal beleid af te dwingen wanneer zij daartoe de kans kregen, niet in de vorm van het huidige federalisme dat een doordruk is van de Belgische politiek waarin Vlaanderen nog altijd gevangen zit, maar wel door democratische autonomie?

Heel het artikel van Van Geyt is een polemiek met een verminkte voorstelling van de ideeën van Toon Roosens. Over de kern van diens ideeën, zijn klasse-analyses, zijn originele economische benaderingen, zijn creatieve toepassing van de Gramsciaans-marxistische begrippen op de Belgische realiteit: amper een woord. Dat is natuurlijk geen toeval. Op al die gebieden heeft de klassieke linkerzijde van ons land schromelijk tekort geschoten. Roosens heeft tenminste gepoogd daar verandering in te brengen, wat niet betekent dat al wat hij gepresteerd heeft foutloos is gebeurd. Dat is bij niemand het geval. En zeker niet bij de man onder wiens beleid de K.P. ten onder is gegaan. Dat is uiteraard niet alleen zijn schuld, maar in die omstandigheden zou het passen iets minder hoog van de toren te blazen, en zich, al was het maar heel eventje, aan autokritiek te gewagen.

Erger nog dan Van Geyt zijn de teksten van twee Brusselse linkse coryfeeën, Eric Corijn en Roel Jacobs.

De Vlamingen die hun taal willen spreken in hun hoofdstad, doen denken "aan de joden die vrijwillig hun ster opvragen". Vlaanderen die de culturele eigenheid in Brussel subsidiëert, is hetzelfde "als een islam, die niet erkend wordt, en dus gesubsidieerd wordt vanuit het buitenland".

Volgens Corijn is de verfransing van Brussel een gevolg van de democratie. "Onderzoeken wijzen uit dat mensen niet gediend zijn met communautaire thema's" orakelt Corijn. Dit kan juist zijn, maar het vertelt meer over die onderzoeken dan over de realiteit.

Hoe langer hoe meer wordt het duidelijk dat op alle deelgebieden de taalgrens samenvalt met alle mogelijke sociale en culturele grenzen. Veel mensen ervaren dit, en worden de bemoeienissen en de arrogantie van Franstalige elites beu. Dat zit diep in vele geledingen van de Vlaamse samenleving, maar komt niet noodzakelijk tot uiting in het soort expliciete bevragingen naar communautaire ruzies. Dat socioloog Corijn dat niet schijnt te beseffen, bewijst alleen maar dat hij, zoals zovele "linkse" intellectuelen, elk contact met de Vlaamse realiteit heeft verloren.

Corijn meent ook ontdekt te hebben dat voor Roosens nationalisme een alternatief vormt op de mondialisering, terwijl Roosens Vlaamse autonomie en strijd tegen de ultraliberale mondialisering twee elkaar aanvullende aspecten waren ter verdediging van de democratie. Corijn weet ook te melden dat vele Vlamingen etnocentrisch zijn. Alsof er in heel de wereld één volk bestaat dat niet "etnocentrisch" is!

Hoezeer de aberratie van dergelijke "denkers" kan gaan, wordt duidelijk door hun pleidooi voor de Brusselse olievlek. Corijn suggereert de uitbreiding van het Brusselse Gewest van het huidige miljoen inwoners naar een "feitelijk stadsgewest van 1,7 miljoen., en Roel Jacobs vindt de splitsing Brussel-Halle-Vilvoorde een aberratie. Uit hun teksten blijkt hoezeer beide kameraden elk contact met de Vlaamse werkelijkheid hebben verloren. Zij beseffen zelfs niet dat zij met hun ideeën regelrecht op ernstige conflicten afsturen, waarbij het zo geroemde "overlegmodel" wel eens ernstige schade zou kunnen oplopen.

Deze bovenstaande opmerkingen mogen volstaan om iedereen die geïnteresseerd is in de ontreddering van een zekere gefossiliseerde (belgo-nationalistische) linkerzijde aan te zetten de stichtende lectuur van Van Geyt, Corijn en consoorten te lezen.

Wie echter iets wil vernemen van de betekenis van Antoon Roosens, van zijn opvattingen en vooruitzichten, zal met het VMT van een kale reis thuis komen. Wij verwijzen hen dan ook met plezier naar het boek "De Rode Tong van de Leeuw", een must voor al wie geïnteresseerd is in de boeiende en creatieve gedachten van Roosens, die een waardevol perspectief bieden voor de toekomst van Vlaanderen.