Nummer 107


Midden-Oosten | mei 2005


Oelama, de demon van Libanon (Lukas De Vos)<< Nummer 107

Het zal wel de ironie van de geschiedenis zijn, maar 'oelama' heeft twee betekenissen. Beide even nefast voor een veelgelaagde samenleving als die van Libanon. In de islam staat 'oelama' voor een schriftgeleerde, een farizeeër zeg maar, die teksten uitlegt en richting geeft aan het gedrag en de gedachten van de (plaatselijke) volksgemeenschap. De 'oelama' is wat de godgeleerde is voor het christendom: de aanzet tot gevaarlijk dogmatisme en verenging. Dat is precies waar Droezenleider Walid Joemblatt zich tegen verzet.

Godsdienst en staat dienen gescheiden te blijven, persoonlijke overtuigingen hebben ten hoogste een motiverende, geen beslissende rol in de politieke besluitvorming en de staatsorganisatie. Het is een gedachte waarop hij steeds opnieuw terugkomt. "Kijk", zegt hij me als ik met hem een apartje heb bij zijn bezoek aan de Belgische senaat op 28 april, één maand voor de verkiezingen in Libanon. "Ik wil niet functioneren in een religieus opgezette staat. Ni Le Mecque ni Téhéran. De staat moet daar los van staan. Alleen de lekenstaat kan Libanon doen aansluiten bij een moderne, verdraagzame wereld. Daar ijver ik voor. Daarvoor zijn mijn voorvaderen vermoord. Ik geef je één voorbeeld. Blijkbaar kunnen we nog altijd niet zonder het religieuze huwelijk. Nochtans was deconfessionalisering één van de hoekstenen van het akkoord van Taëf, dat in 1989 officieel een einde maakte aan de tweede burgeroorlog in Libanon. Het is nooit gerealiseerd. Ikzelf ben drie keer getrouwd. Drie keer buiten Libanon, in Turkije, in Cyprus. En dan wordt mijn huwelijksakte wel erkend. Maar ik moet wel naar het buitenland gaan om die akte te krijgen. Te gek om los te lopen, toch?"

'Oelama' staat voor nog iets veel cynischers. Joemblatt weet het wellicht niet, maar oelama is ook de benaming van het bloedige, religieuze balspel dat de Azteken speelden. Ze mochten geen armen en voeten gebruiken, en in de lijn van het obsessieve wereldbeeld van de Azteken werd de kapitein van de verliezende partij aan de goden geofferd, hoofd of hart, dat deed niet direct ter zake. Datzelfde spel, dat wrede valse geloof in martelaarschap en de onverzadigbare dorst van de goden, wordt gespeeld in het hele Midden-Oosten sinds het bankroet van de linkse bewegingen. 'Oelama' betekent dat je elk ogenblik kunt vermoord of gezelfmoord worden in de naam van de ongrijpbare begoocheling die god of allah of wie weet welke bovenmaanse idee heet. "Op 11 april 2001 kreeg mijn rechterhand Akram Chehajeb een bombrief toegestuurd. Zijn zus en nicht liepen zware verwondingen op. Terreur in naam van gelijk welke dictatuur, religieus of politiek, helpt niemand vooruit. Met dode mensen kun je geen dialoog aangaan". En om die dialoog, het democratisch spel van wisselende verbanden en coalities, is het Joemblatt te doen.

Hij was net terug uit Toulouse, waar hij de bijeenkomst bijwoonde van de internationale socialistische beweging. Want Joemblatt heeft zijn vader Kamal, na diens gewelddadige dood in 1977, opgevolgd aan het hoofd van de PSP, de Progressieve Socialistische Partij. Het doet wat vreemd aan de rijzige, non-conformistische zakenman op zo'n bijeenkomst te zien. "Jamaar", zegt hij verdedigend, "Ik ben in België op uitnodiging van senaatsvoorzitster Annemarie Lizin, toch ook een passionaria van de socialistische beweging?" Het doet niets af aan zijn familieverleden. De Joemblatts behoren tot de 26 Libanese families die tussen 1920 en 1975 onafgebroken één derde van alle parlementszetels bezet hebben gehouden. In pure kruisvaardersstijl sluiten die families geregeld monsterverbonden af. Wie gisteren de aartsvijand was kan vandaag een nuttige bondgenoot blijken te zijn. Wie gisteren je clangenoten uitmoordde (zoals de christelijke Libanese Strijdkrachten van Samir Geagea in 1982 deden in de zuidelijke Sjoefvallei, die van oudsher Droezengebied was) kan morgen je verkiezingspartner zijn (op 10 mei zocht Saad Hariri, de opvolger en zoon van de op 14 februari vermoorde oud-premier Rafik Hariri, de vrouw van de nu opgesloten militieleider Geagea op, met het oog op mogelijke stemafspraken in christelijke enclaves). Wie vandaag je aangewezen medestrijder is, zoals de christelijke generaal Michel Aoun die na 14 jaar ballingschap uit Frankrijk is teruggekeerd, kan morgen opnieuw een verbeten tegenstander zijn. Nog voor de verkiezingen in mei en juni, die de verzamelde oppositie wil aanwenden om de macht van de Syrischgezinden te breken in het parlement, tekent zich al een nieuwe machtsstrijd aan tussen twee blokken: de nationalisten van Hariri en de Droezen (aanhangers van een wat etherische leer over de verdwenen profeet, die met hun 10% van de bevolking een niet onbelangrijke machtsfactor zijn in Libanon), en anderzijds de onmogelijke samenwerking tussen de gefrustreerden: de christenen die het eind van de oorlog in 1990 als een nederlaag voor hun politieke ambities zagen, de sjiieten die zoals in de buurlanden de armere laag van de bevolking vormen en zich rond de partij van god, Hezbollah, groeperen, en de rivaliserende Droezenclan van Talal Arslan.

Maar Joemblatt laat zich niet op woorden pakken. Hij is te gesausd in het dodelijke machtsspel van de Libanese politiek - die overigens onlosmakelijk verbonden is met de feodale machstverhoudingen, de zakenimperia, en de verdoken handel (van goud tot drugs) - en te behendig om absolute uitspraken te doen. Wat hij over de Amerikaanse inval in Irak verklaarde aan David Ignatius van The Washington Post op 21 februari, klinkt bij mij al heel anders. Het kan natuurlijk wishful thinking van Ignatius geweest zijn, maar de tussenkomst van de Amerikanen klonk toen op zijn minst stimulerend: "I was cynical about Iraq. But when I saw the Iraqi people voting three weeks ago, 8 million of them, it was the start of a new Arab world". Als ik hem op de man af vraag of de Amerikaanse bezetting van Irak voor Syrië geen onhoudbaar dreigement was geworden, die de terugtrekking van haar troepen uit Libanon heeft bespoedigd, zegt hij kortaf: "Je kunt moeilijk volhouden dat de Amerikaanse operatie erg voordelig is gebleken. Ze is ronduit een ramp. We moeten hier in deze streken leren onze eigen boontjes te doppen. We moeten onze problemen zélf oplossen. Daarvoor dienen net verkiezingen".

En net als bij de 'Franken' en de kruisvaardersrijkjes die voortdurend met krijgsheren van ter plaatse tijdelijke verbonden smeedden en verrieden, gaat het ook in de Libanese politiek. Toen ik eind 1972 aankwam in het oosten van Congo, was er nog een grote Libanese kolonie, die de klein- en verdeelhandel in handen had. Ik herinner me goed het heimwee waarmee oud-coöperanten terug verlangden naar dat 'Saint-Tropez van Voor-Azië', zoals het was voor het uitbreken van de vijandelijkheden tussen christenen en moslims, tussen Libanezen die meegesleept werden door de grote Arabische buren en Israël. Het beloofde land is meestal het beroofde land, en dat geldt ook voor Libanon.

Joemblatt was toen nog - hij is even oud als ik - een playboy, de zoon van een rijke en machtige vader, die radicaliseerde en fel naar links opschoof omdat de Libanese grondwet toen het presidentschap uitsluitend voorbehield aan maronitische christenen, sinds het Nationaal Pact van 1943. Dat hij lange tijd met Syrië scheep ging heeft rechtstreeks te maken met de gebeurtenissen van 1982. Hij moest toen wel een bondgenoot én wapens vinden om zijn gezag binnen de Droezische clan te vestigen. De overweldiging van een zestigtal christelijke dorpen na de aftocht van de Israëli's in 1983, brak de weerstand tegen zijn leiderschap bij de klassieke imams en bij de Arslanfamilie. Toch heeft Joemblatt altijd een slag om de arm gehouden, hij kende zijn pappenheimers. Ondanks de goeie betrekkingen met Damascus bleef hij ook praten met Libië, met Iran, met de toenmalige Sovjet-Unie, en zelfs met de sjiieten, al raakte zijn militie geregeld slaags met de Amalstrijders van Nabih Berri die met lede ogen de doorstoot van de Droezen naar de zee zagen bij Iklim Al-Charoeb. Ironie van de geschiedenis is nu dat het net Michel Aoun was die de uitbreidingsplannen van de Droezen toen kon dwarsbomen.

Maar Joemblatt bewees intussen dat hij even glad als behendig is. De verwijdering met Syrië is gebonden aan twee belangrijke verschuivingen: de eerste in 2000, toen Basjar Assad de troon van zijn doodzieke vader overnam, en meteen Joemblatts steunpilaar in Damascus, Sjihabi, in ballingschap naar Amerika dreef; de tweede, nog belangrijkere breuklijn ontstond vorig jaar in 2004, toen de Syriërs in weerwil van alle beloften en afspraken de Libanese grondwet buitenspel zetten, en de hun gunstig gezinde Emile Lahoud opnieuw tot president van Libanon lieten verkiezen. Maar ook nu weer heeft Joemblatt voor een nooduitgang gezorgd, mocht het er ooit op aankomen. De laatste Syrische soldaat van de 15.000 man bezettingstroepen was nog maar net het land uit, of hij zei me letterlijk: "Een goeie verstandhouding met Syrië is onontbeerlijk voor Libanon. We kunnen, nee, we moeten nu de vriendschapsbanden aanhalen, en werk maken van economische samenwerking, een veiligheidsbeleid, en goed nabuurschap. Want laten we ons niet vergissen, het past niet om het vertrek van de Syriërs te bezingen als een overwinning van onze eigenheid. Chauvinisme, eng nationalisme is uit den boze. De Syriërs zijn en voelen zich vernederd, en dat is onterecht. Hadden ze de akkoorden van Taëf maar onvoorwaardelijk uitgevoerd, dan had het nooit zo ver moeten komen. Stabiliteit, dat is wat Voor-Azië voor alles nodig heeft". Ook in de verhouding met Israël? "Daarvoor is het nog te vroeg. In 1982 dachten we dat een vergelijk mogelijk was. Tot onze schade hebben we ondervonden welk geweld dat meebrengt, met duizenden doden tot gevolg. Het zijn buitenlandse machten die de oorlog in Libanon hebben uitgelokt, daarom moeten we voorzichtig blijven. De teruggave van de Golanhoogte is nog niet geregeld, de Palestijnse gebieden vormen nog geen volwaardige staat, de geesten zijn nog niet rijp voor een omvattend vredesverdrag. Maar we moeten wel naar elkaar blijven luisteren".

Het lijkt een vat vol tegenstrijdigheden, want de apostel van de lekenstaat die Joemblatt voorwendt te zijn, blijft intussen zoete broodjes bakken met Teheran (Lakoniek: "Ik heb daar altijd al goeie relaties gehad en onderhouden"). Maar het Libanese kruitvat is dan ook een levensgevaarlijk schaakspel. Als de nood hoog is trekt Joemblatt zich terug in zijn bergfort van Moechtara, of gaat hij een tijdje op buitenlandse reis. Soms met merkwaardige ontmoetingen. Zo keerde Joemblatt na een bezoek aan Londen in april 2001, op een ogenblik dat Syrische troepen zijn hoofdkwartier omsingeld hielden, terug in gezelschap van de christelijke oppositieleider Dory Chamoun, de zoon van oudpresident Camille Chamoun voor wie Joemblatt persoonlijk was tussengekomen om hem te laten begraven in zijn geboortedorp dat de Droezen inmiddels hadden ingenomen. Zo zag hij in april dit jaar nog Michel Aoun, vlak voor diens terugkeer uit Frankrijk. En zo maakt hij zich nu op om het Libanon van na de Syrische controle uit te bouwen, met soms de meest onwaarschijnlijke bondgenoten.

Aoun heeft hij inmiddels in de aanloop naar de verkiezingen bestempeld als de "terugkerende tsoenami", omdat de oudgeneraal zichzelf teveel opwerpt als de man die de Syriërs tot vertrek gedwongen heeft. Het komt er nu immers op aan de posities te verstevigen, en door de in de grondwet vastgelegde vertegenwoordiging van de verschillende bevolkingsgroepen en godsdienstige gezindten, is dat vooral een kwestie van persoonlijk succes. In Beiroet wil Joemblatt niet opkomen, al zijn daar 19 zetels te begeven. "We hebben daar onze vaste mensen, en een beperkt aantal aanhangers". Lees: in eigen streek is zijn populariteit ongeschonden. En zijn zetel verzekerd. Maar anderzijds houdt hij vast aan onwrikbare uitgangspunten. Hij onderstreept die met een tic nerveux, sluit even de uitpuilende ogen, en haalt berustend de schouders op. "Wat wil je? We hebben als oppositie alles afgedwongen wat we wilden, om terug te keren naar een eigen, verdraagzame, multiculturele democratie. Het is nu aan ons om de bakens opnieuw uit te zetten. Maar nogmaals: ik werk alleen mee als we in een lekenstaat aan politiek kunnen doen, ik verafschuw het sektarisme van de religieuze dictatuur". "Maar Libanon is een blijft een land van minderheden, hoe kunt u die samenbrengen en samenhouden?" "Misschien moeten we een Belgische oplossing bedenken. Verkiezingen zijn één ding, daarover heb ik met Solana overlegd, en met het Europees Parlement dat bereid is om waarnemers te sturen die de eerlijke gang van zaken moeten opvolgen. Maar daarna? Ik voel veel voor een tweekamerstelsel zoals bij jullie. De eerste volksvergadering moet dan het politieke beleid uitstippelen, de senaat kan de vertegenwoordiging van de regio's - de verschillende gezindten zeg maar - worden. En daarin is iedereen welkom. Neem Hezbollah. Onmiskenbaar een Libanese partij. Zij heeft al een minister en twaalf verkozenen. Maar hun religieuze aspiraties, die kunnen ze dan ventileren in de senaat". "Een evenredige zetelverdeling kan natuurlijk de machtsverhoudingen overhoop halen?" "De idee kwam van de loyalisten, en ik ben daar ronduit tegen. Maar het blijft een interessante denkpiste, daar kunnen we aan sleutelen als zo de politieke impasse doorbroken wordt". "En moeten alle milities dan ontwapenen?" "Dat ligt niet zo eenvoudig. On verra. Misschien zullen we de privélegertjes incorporeren in het Nationale Leger, zoals in Kroatië is gebeurd. Misschien geven we ze een specifieke opdracht, een brigade bij voorbeeld om de grenzen te verdedigen. Dat hebben ze altijd gezegd trouwens, Amal, Hezbollah - wij hebben geen aanvalsgroepen, wij verdedigen ons territorium. Ik wil ze letterlijk op hun woord nemen". Op provocaties gaat hij niet in. Dat Mohammed Hassan van Solidair zegt dat de gedwongen terugtrekking van de Syriërs uit Libanon is ingegeven door het eigenbelang van de falangisten en de grote families (de Chamaels, de Chamouns, de Lahouds, de Gemayels, de Frangiés, de Salams, de Karamés, de Joemblatts), laat hem koud. "Het is waar dat alleen de sjiieten niet gebonden zijn aan de vroegere grootgrondbezitters. Ze hadden ook niets. Maar onze rol is ingrijpend gewijzigd door de voortdurende burgeroorlogen".

Hij raakt zijn wijn nauwelijks aan - het is nochtans een voortreffelijke wijnkelder in de senaat, de Puligny Montrachet en de Roc de Gambes mogen er best zijn. Beide uit 1997.

Niet toevallig het jaar waarin het Libanese parlement alle aanspreektitels liet vallen. Symbolisch, maar ongevaarlijk. Als Joemblatt er nu ook in slaagt zonder handen- en voetenwerk de bal door de verkiezingsring te jagen, dan blijft hem misschien het lot bespaard van zijn vader in 1997 (doorzeefd). En van Foead Joemblatt in 1921 (doodgestoken). En van Said Joemblatt in 1861 (uitgehongerd). En van Basjier Joemblatt in 1825 (onthoofd). Politieke moord hoort niet meer bij het moderne Libanon, hoopt Joemblatt.