Nummer 11


Euskadi/Baskenland | februari 1995


De grenzen van de democratie voorbij: Spaans staatsterrorisme tegen ETA (Geert Orbie)<< Nummer 11

Voor de tweede maal in haar jong bestaan, bevindt de Spaanse democratie zich in een diepe crisis. In tegenstelling tot de eerste maal, de poging tot staatsgreep onder leiding van luitenant-kolonel Tejero op 23 februari 1981, komt de bedreiging ditmaal van binnenuit. In verklaringen aan Baltasar Garzón, onderzoeksrechter bij de Audiencia Nacional (het hoogste Spaanse gerechtshof) betrekken twee veroordeelde politiefunctionarissen de hoogste politieke kringen bij de terreurcampagne die van 1083 tot 1987 onder de naam GAL (Grupos Antiterroristas de Liberación of 'antiterroristische bevrijdingsgroepen') in Noord-Baskenland werd gevoerd en aan 24 mensen het leven kostte.

Wanneer premier Navarro op 20 november 1975 op radio en televisie de dood van de Caudillo Francisco Franco aankondigt, betekent dit het einde van de laatste dictator en tegelijk de ineenstorting van de laatste dictatuur van West-Europa. Ondanks zijn tot op het laatste moment volgehouden machtsimago(1) is het Franco-regime totaal vermolmd en heeft het elke legitimiteit bij de bevolking verloren. Er is geen sterke figuur die de rol van Franco kan overnemen(2) en de roep om democratie is niet meer te stuiten.

De machthebbers kiezen dan voor een geleidelijke overgang, waarbij de verantwoordelijkheid voor de mistoestanden en misdaden van de dictatuur in de persoon van Franco worden gecondenseerd en iedereen voor de rest ongemoeid wordt gelaten. Velen (burgemeesters, rechters, militairen, ordetroepen, enz.) blijven onder het nieuwe regime hun functie uitoefenen. De meeste politieke partijen leggen zich neer bij deze gang van zaken en schakelen zich in het democratiseringsproces in. De communistische partij PCE, die bij de bevolking veel prestige geniet omwille van haar onafgebroken strijd tegen het Franco-regime, is ook bereid mee te werken, alhoewel ze steeds een radicale breuk met het regime heeft voorgestaan, waarbij de nodige vervolgingen zouden gebeuren.

In 1977 wordt bij referendum het ontwerp van een nieuwe grondwet aangenomen. De daaropvolgende verkiezingen worden gewonnen door de centrumpartij UCD van oud-Franco-minster Adolfo Suárez. Stilaan krijgen democratisch verkozen organen meer greep op de maatschappij en worden de resten van de dictatuur verwijderd. In het leger en in de politiekorpsen, in het bijzonder de Guardia Civil, blijft de oude, door het fascisme gevormde garde echter de dienst uitmaken. Eén van de grootste problemen waar de prille Spaanse democratie van in den beginne mee te maken krijgt is de vraag naar meer autonomie van de historische regio's Catalonië en Baskenland. Vooral dit laatste , waar een meerderheid van de bevolking de nieuwe grondwet heeft verworpen, blijkt een probleemgebied. De Franco-dictatuur had elke vorm van Baskische identiteit pogen te vernietigen: de taal (de oudste van Europa) werd verboden, alsook elke uiting van Baskische cultuur. Dit heeft niet kunnen beletten dat het nationaal besef van de Basken heel levendig bleef. Bij de eerste verkiezingen na de dood van Franco stemt Euskadi in meerderheid voor nationalistische partijen. Ook ETA kan op de stem van een aanzienlijk deel van de bevolking rekenen (15 - 20 %).

Op korte tijd ontwikkelt Spanje zich tot een modern Europees land, waarbij de oude, reactionaire waarden, die onder Franco opgeld maakten, snel worden afgevoerd. Dit en de inschikkelijkheid, die zij bij de regering tegenover de separatistische Basken en Catalanen meent te bespeuren, leidt tot bezorgdheid en onrust bij de nostalgische fascistische garde, die zoals gezegd echter hoge functies binnen het leger en de politie is blijven bekleden. 'Todo el mundo al suelo' (iedereen op de grond), klinkt het op 23 februari 1981 in de Spaanse Cortes. Luitenant-kolonel Tejero heeft met zijn manschappen van de Guardia Civil het parlementsgebouw ingenomen. De generaals Armada en Milans del Bosch, de leiders van deze staatsgreep, sturen hun troepen de straat op. In Valencia verschijnen er tanks in de straten. Heel Spanje houdt de adem in: hoe zullen de andere militairen reageren? In het begin heerst er grote onduidelijkheid, de meeste generaals kijken de kat uit de boom en er wordt druk onderhandeld. Na enkele uren heeft koning Juan Carlos zich van de steun van de overgrote meerderheid van de militaire bevelhebbers weten te verzekeren en veroordeelt hij op de radio en televisie met krachtige woorden deze poging tot staatsgreep. Dit betekent het einde van Tejero en zijn companen; het land haalt opgelucht adem. Voor de steun die de democratie van de militairen ontvangen heeft, dient echter een prijs te worden betaald. De verregaande regionalisering die de meeste partijen in hun vaandel hadden geschreven, wordt met stille trom afgevoerd. De strijd tegen de 'terroristen en separatisten' van ETA komt bovenaan de politieke agenda.

Bij de parlementsverkiezingen van 1982 behaalt de socialistische PSOE van Felipe González een absolute meerderheid in de Cortes (het Spaanse parlement). Om nog steeds onbegrijpelijke redenen wordt het UCD van Suárez van de politieke kaart geveegd. De socialisten zijn volledig van hun links en radicaal programma dat tijdens de dictatuur werd opgesteld afgestapt. Geen nationalisaties, maar wél lidmaatschap van de NAVO(3) en van de EG. Ook de verregaande autonomie voor de 'historische' regio's (Baskenland, Galicië en Catalonië)(4) wordt al snel als programmapunt geschrapt. González trekt daarentegen resoluut de kaart van de repressie tegen het Baskisch nationalisme en vooral tegen ETA.

Reeds van tijdens het Franco-regime kennen de Spaanse inlichtingendiensten een traditie van parapolitionele activiteiten in de strijd tegen ETA. Vooral in Noord-Baskenland (de door Frankrijk bezette provincies van Euskadi) levende vluchtelingen vormen een gemakkelijk doelwit voor huurmoordenaars. In het begin van de jaren zeventig had de latere eerste minister Carrero Blanco een formeel contract gesloten met Italiaanse neo-fascistische terreurgroepen, vooral Ordino Nuovo, waarbij zij in ruil voor het uitvoeren van vuile karweitjes voor de geheime dienst, Servicio de documentación de Presidencia del Gobierno, bescherming en faciliteiten in Spanje kregen(5). Ook leden van de ex-OAS, van de Argentijnse 'Triple A' en figuren uit de onderwereld van Marseille en Bordeaux maken samen met Spaanse politieagenten deel uit van deze doodseskaders. Ook na de dood van Franco, tijdens de eerste jaren van de democratie, worden verscheidene Baskische militanten gewond of gedood in aanslagen, die door verschillende organisaties worden opgeëist (ATE, antiterrorismo ETA; BVE, Batallón Vasco-Español; AAA, Alianza Apostólica Anticomunista; Guerrilleros del Cristo Rey, Delta Sur; ...). Telkens leidt het spoor naar de Spaanse geheime diensten en naar de Spaanse politie. Een van de bekendste slachtoffers van dergelijke acties is José Miguel Beñaran Ordeñana, 'Argala', leider en ideoloog van ETA-militar, die op 21 december 1978 in Anglet (Noord-Baskenland) door een bompakket onder zijn wagen om het leven komt. Argala wordt beschouwd als het brein achter de moord op Carrero Blanco vijf jaar eerder.

Na de verkiezingsoverwinning van de PSOE komt José Barrionuevo, een falangistisch(6) politieman, die zich tot het socialisme bekeerd heeft, aan het hoofd van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Deze predikt een politiek van harde aanpak tegen ETA. Al snel worden door Barrionuevo de in het plan ZEN(7) voorgestelde maatregelen als officiële politiek in de strijd tegen ETA aangenomen. Dit 'plan ZEN' komt voort uit de 'Damborenea-doctrine'(8) en brengt een ongekende repressie in Baskenland.

Vanaf oktober 1983 grijpen er een aantal gebeurtenissen plaats, die achteraf het begin blijken te zijn van een hele reeks ontvoeringen, bomaanslagen en schietpartijen die tot 1987 in Noord-Baskenland aan 26 mensen, waaronder 8 met de Franse nationaliteit, het leven zullen kosten. Voor het eerst verschijnt er een afkorting die gedurende jaren angst en terreur zal zaaien bij de Baskische vluchtelingen in Noord-Baskenland. Een afkorting die het symbool wordt voor de doodseskaders in een vuile oorlog ten dienste van de Spaanse pseudo-democratie. Een afkorting die uiteindelijk, vele jaren later, heel het socialistisch establishment, premier González incluis, in de dieperik dreigt te storten, samen met de peseta. Drie letters: GAL. Op 5 oktober ontvoert ETA político-militar(9) in Bilbao kapitein Alberto Martín Barrios en eist in ruil voor zijn vrijlating de bevrijding van haar militanten die in 1980 bij een aanslag op de kazerne van Berga werden gevangengenomen. Op 16 oktober verdwijnen José Ignacio Zabala, 'Joxi' en José Antonio Lasa, 'Joxan', twee jonge Baskische vluchtelingen, spoorloos in een culturele manifestatie in Bayonne. Tot vandaag is er van hen geen spoor, niemand heeft hun ontvoering opgeëist(10). Op 18 oktober worden 4 Spaanse politieagenten (1 inspecteur en 3 leden van de GEO, wat bij ons overeenkomt met de groep Diane) in Frankrijk aangehouden bij een poging tot ontvoering van José Mari Larretxea Goñi, een leider van ETA p-m. De vier blijven enkele dagen in een Franse cel, maar worden na intense diplomatieke druk op Parijs door minister Barrionuevo, op vrije voeten gesteld.

Een tijdje later, op 4 december 1983, laat GAL voor de eerste maal officieel van zich horen. Deze organisatie eist in een communiqué de ontvoering op van Segundo Marey. Later blijkt dat de twee GAL-huurlingen Mohamed Talbi en Raymond Echalier zich hebben vergist en in plaats van Mikel Lujua Gorostiola, die doorging als het finacieel brein van ETA, een onschuldige burger hebben gekidnapt. Enkele dagen later wordt deze vrijgelaten.

Na deze mislukte start is het op 19 december echt raak. In Bayonne wordt Ramon Oñaedera Bergara, 'Kattu' in bar Kaietenia door GAL neergeschoten. En dan volgen een hele resem moorden: Mikel Goikoetxea Elloriaga, 'Txapela', Angel Gurmindo Lizarraga, 'Stein', Bixente Perurena Telletxea, 'Peru' en 20 anderen. Op 24 juli sterft Juan Carlos Goena in een aanslag in Hendaia. Hij zal het laatste slachtoffer zijn van GAL. Op 3 oktober van hetzelfde jaar voert de Franse politie, op bevel van de kersverse minster van Binnenlandse Zaken, Charles Pasqua, een grote razzia uit in de milieus van de Baskische vluchtelingen. Honderdtwintig woningen worden doorzocht, meer dan honderd mensen aangehouden, een zestigtal vluchtelingen uitgeleverd aan Spanje, twaalf uitgewezen naar Algerije en drie naar Venezuela. Van GAL wordt er nadien niets meer gehoord. De bloedige kerfstok van deze organisatie bedraagt 26 moorden en meer dan honderd aanslagen tegen Baskische vluchtelingen. Het is ondertussen zonder meer duidelijk geworden dat de Spaanse overheid op een of andere wijze betrokken is bij deze terreurorganisatie. De Franse overheid is deze vuile oorlog op haar grondgebied, waarbij acht onschuldige 'Fransen' om het leven komen, grondig beu en laat dat ook aan Madrid weten. De prijs die hiervoor dient betaald zal dus snel duidelijk worden: de uitlevering door Frankrijk aan Spanje van tientallen vluchtelingen (een praktijk die vandaag nog steeds voortduurt) en een intensieve politionele samenwerking en verhoogde repressie tegen in Noord-Baskenland ondergedoken ETA-militanten.

Ook in Spanje wordt het duidelijk dat de leden van GAL, die in handen zijn gevallen van de Franse politie (een zootje ongeregeld gaande van ex-legionairs van het Vreemdelingenlegieon, over leden van de ex-OAS tot figuren uit de onderwereld van Bordeaux en de Costa del Sol), onmogelijk op eigen houtje gehandeld kunnen hebben, maar gesteund en geleid worden door machtiger instanties. Ook Franse politiediensten blijken bij GAL betrokken (Bij een huiszoeking bij GAL-huurling Pedro Sánchez vindt de Franse politie een fotolijst met doelwitten voor volgende aanslagen. De foto's blijken deze te zijn die de vluchtelingen aan de Franse politie overhandigden om hun verblijfsvergunning te verlengen). De roep in de publieke opinie (vooral in Baskenland) om klare wijn te schenken in deze zaak en de verantwoordelijken te straffen wordt steeds luider.

In 1989 worden twee politiefunctionarissen, José Amedo (ondercommissaris van de inlichtingendienst te Bilbo) en Michel Domínguez (vriend en ondergeschikte van Amedo) door de Spaanse politie aangehouden en formeel ervan beschuldigd het brein achter GAL te zijn. Twee jaar later, in september '92, worden beiden veroordeeld tot 108 jaar gevangenis. Ze nemen alle verantwoordelijkheid op zich. Het is voor iedereen duidelijk dat deze kleine visjes opgeofferd worden om grotere te sparen. Wat ze hiervoor in ruil krijgen is niet gekend. Alhoewel. Hun echtgenotes krijgen, 'om de veroorzaakte ongemakken te verlichten' elk vijftig miljoen peseta's uit geheime fondsen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Er wordt hun, op 27 april 1993 zelfs officieel, door Procureur-Generaal Eligio Hernández, een vroegtijdige gratie beloofd. Vorige zomer, op 26 juni, na vijf jaar van hun 108-jarige straf te hebben uitgezeten, wordt hen toegestaan overdag de gevangenis te verlaten (een zogenaamd 'open regime'). En dan, plots, gaan beiden spreken. In een verklaring aan rechter Garzón en later in een interview voor de krant El Mundo van 26 december LL. noemen ze met naam en toenaam de werkelijke verantwoordelijken achter GAL. "Wij hebben besloten te spreken, omdat we voor de komende generaties niet willen overkomen als de toedekkers van de corruptie", verklaren ze in bovenvermeld interview.

Garzón is in het kader van zijn onderzoek naar de illegale bestemming van geheime fondsen van Binnenlandse Zaken, waarbij de vroegere directeur van de Guardia Civil, Roldan, in opspraak is gekomen, op GAL-fondsen gestoten. Amedo en Galvarez zien hun hoop op gratie en vervroegde invrijheidstelling in rook opgaan. Hun beschermengel op Binnenlandse Zaken, staatssecretaris Vera, is sinds januari gemuteerd. Zij vrezen tot het einde van hun dagen in de gevangenis te moeten blijven, terwijl de echte verantwoordelijken buiten schot blijven. Rechter Garzón vindt de beweringen van de twee geloofwaardig genoeg om een aantal mensen achter slot en grendel te zetten: Julian Sancristobal, Francisco Alvarez, Miguel Planchuelo, Julio Hierro en enkele weken later Juan de Gusto. Julian Sancristobal was van februari 1984 tot november 1986, periode die overeenkomt met de grootste activiteit van GAL, directeur van de Staatsveiligheid, zeg maar de nummer twee op het Ministerie van Binnenlandse Zaken (Barrionuevo). Voordien was hij gedurende jaren gouverneur van de provincie Biskaje. Francisco Alvarez werd in 1982 hoofd van de informatiebrigade van de politie te Bilbo. Toen de socialisten aan de macht kwamen werd hij bevorderd tot bevelhebber van de politie aldaar en later volgde hij Sancristobal naar Madrid waar hij kabinetschef werd met de verantwoordelijkheid over de MULC ('Verenigd commando in de strijd tegen het terrorisme'). Ook Miguel Planchuelo is bepaald geen kleine jongen in de politie-hiërarchie. Tot 1981 chef van de informatiebrigade te Bilbo, nadien van 1981 tot 1984 hoofd van de politie in de Baskische provincies, belast met de strijd tegen ETA. Julio Hierro was de opvolger van Alvarez en Planchuelo in hun functie bij de informatiebrigade te Bilbo. Deze vier worden er allen van beschuldigd de concrete organisatoren van GAL te zijn. Zo zijn er concrete bewijzen van hun betrokkenheid bij de eerste officiële actie van GAL: de ontvoering van Segundo Maray. Garzón is in het bezit van een opeisingscommuniqué eigenhandig door Sancristobal geschreven. Juan de Justo was de persoonlijke secretaris en vertrouwensman van Rafael Vera, tot voor kort de Staatssecretaris voor Veiligheid, en als dusdanig verantwoordelijk voor de geheime staatsfondsen. Hij betaalde de echtgenotes van de twee GAL-veroordeelden in Zwitserland 50 miljoen peseta's uit.

Amedo en Dominguez kondigen aan nog meer onthullingen te zullen doen. Er blijken ook een aantal Franse politiefunctionarissen bij deze moordeskaders betrokken. In ruil voor informatie over Baskische vluchtelingen en voor het contracteren van huurmoordenaars lieten zij zich royaal betalen uit geheime Spaanse fondsen. Meer en meer worden de namen van de opeenvolgende ministers van Binnenlandse Zaken (vooral Barrionuevo), maar ook van premier González, genoemd. Het lijkt inderdaad onwaarschijnlijk dat een regeringsleider onwetend kan blijven van een complot op het hoogste politieke niveau. González weet echter alle parlementaire vragen en moties van wantrouwen te overleven dank zij een hardnekkig ontkennen van elke betrokkenheid en dank zij de steun van de Catalaanse en Baskische 'gematigden' van CiU en PNV. Een meerderheid van de Spanjaarden (volgens een peiling 52%) en zeker de beursspeculanten (de peseta zakte spectaculair) lijken minder overtuigd van zijn onschuld.

Na de dood van Franco lijkt de democratie in Spanje teruggekeerd. Formeel is dit ook het geval. In de strijd tegen het Baskisch nationalisme en meer in het bijzonder tegen ETA, worden echter methodes gebruikt die een totalitaire staat waardig zijn.

De onthullingen over GAL zijn het meest recente en het duidelijkste, maar zeker niet het enige bewijs. Het folteren van arrestanten, de shoot-to-kill-politiek tegenover ETA-militanten, de onmenselijke omstandigheden in de gevangenissen, enz..., zijn zoveel aspecten van eenzelfde fenomeen.

Spanje staat hierin niet alleen: Groot-Britannië met de Ieren, Israel met de Palestijnen, Turkije met de Koerden, Frankrijk met de Algerijnen en de Rainbow Warrior, België met de IJzertoren of Julien Lahaut. Zoveel gevallen van staatsterrorisme onder een democratisch jasje.Laten we niet vergeten dat in Brussel een jong Baskisch echtpaar nog steeds dreigt uitgeleverd te worden aan deze Spaanse 'democratie'...

Noten

(1) Begin oktober 1976 worden in Barcelona, ondanks hevig internationaal protest, o.a. van het Vatikaan, vijf ETA- en GRAPO-militanten terechtgesteld.

(2) ETA had enkele jaren voordien, op 20 december 1973, de gedoodverfde opvolger van Franco, Carrero Blanco, in een aanslag om het leven gebracht. Juan Carlos was voorstander van een parlementaire monarchie.

(3) De PSOE-regering organiseerde in 1986 een referendum over de toetreding van Spanje tot de NAVO. De partij had een bocht van 180 graden genomen en spaarde moeite noch geld om haar kiezers te overtuigen. Met de hulp van de CIA en met staatsfondsen werd een gigantische mediacampagne gefinancierd. Toch was de uiteindelijke meerderheid vóór het lidmaatschap klein. Baskenland (én Catalonië) stemde overwegend tegen. Dit was, na het referendum over de Spaanse grondwet, de tweede keer dat de Basken in meerderheid een voorstel verwierpen, dat door de rest van Spanje wel werd goedgekeurd.

(4) In het officiële PSOE-programma stond bijvoorbeeld dat Navarra een onlosmakelijk deel van Baskenland was en diende herenigd te worden met de drie andere provincies van het zuiden.

(5) Eén van de Italiaanse huurlingen, Pier Luigi Concutelli, had voor het uitvoeren van de aanslagen tegen Baskische vluchtelingen van de Spaanse inlichtingendienst een Ingram-Marietta-machinepistool gekregen. Later, op 10 juli 1976, zou hij hetzelfde wapen gebruiken om in Italië rechter Occorsio, belast met de vervolging van het zwart terrorisme, te vermoorden. Bij zijn aanhouding stelde de Italiaanse politie tot haar grote verrassing vast dat het moordwapen eigendom was van de Spaanse politie.

(6) De Falange is een politieke beweging die in 1932 door José Antonio Primo de Rivera werd gesticht en in Spanje de vertegenwoordiger was van het fascisme naar Italiaans model, evenwel met een sterk katholieke inslag. Aan het begin van de Spaanse burgeroorlog wordt José Antonio terechtgesteld. Later neemt Franco de naam 'Falange' over voor de eenheidspartij die hij opricht.

(7) ZEN = Zona Especial del Norte, een 350 blz. tellend document dat speciale repressiemaatregelen tegen ETA afkondigt.

(8) Ricardo Garcia Damborenea was toen de voorzitter van de PSOE in Biskaje en leider van haar meest Spaansgezinde vleugel. Hij was de mening toegedaan dat de enige oplossing voor het geweld in Baskenland erin bestond de ETA en haar steunpunten volledig uit te schakelen. Hij wees resoluut elke onderhandeling met de gewapende groepering van de hand. Later zou hij overstappen naar de conservatieve Partido Popular.

(9) Een in het begin van de jaren zeventig ontstane scheuring verdeelt ETA in twee afzonderlijke groeperingen: ETA-militar en ETA-politico-militar. Het meningsverschil gaat over de vraag of de beweging een louter militaire taak dient te vervullen en de strijd in de arbeidsorganisaties, gezien het gevaar hierbij opgepakt te worden, overgelaten moet worden aan een afzonderlijke organisatie, dan wel of de militanten zowel militair als politiek dienen te dienen. Naast een tactisch dispuut ligt hierbij ook een verschillende opvatting over de verhouding tussen de nationale en sociale strijd aan de basis. ETA politico-militar zal in 1984 de wapens neerleggen en ingaan op de amnestiemaatregel van de Spaanse regering. De bekeerde militanten werpen zich in de politieke strijd onder de naam Euskadiko Eskerra of Baskisch Links, die in 1994 opgaat in de PSOE.

(10) Daniel Fernandez Aceña, een later veroordeeld lid van GAL, verklaarde dat de twee werden ontvoerd, gefolterd en uiteindelijk vermoord door een overdosis amfetamines en pentotal, door een GAL-commando onder bevel van Pedro Sanchez (oud-legionair, sleutelfiguur in de eerste jaren van GAL, komt in verdachte omstandigheden om in een hospitaal van Bordeaux) en Mohamed Talbi (eveneens ex-legionair van Algerijnse afkomst die in Frankrijk een straf zal uitzitten wegens zijn verantwoordelijkheid in een moord en een ontvoering door GAL).