Nummer 110


Ethiek | oktober 2005


Zweert niet ijdel (Theo Van Heijst)<< Nummer 110

Eind juli 2005, volle komkommertijd. De viering van 175 België beheerst de gewillige Vlaamse media. Maar ook een andersoortig berichtje bereikte ons. Op aanstichten van Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, zal de eedformule voor Vlaamse ambtenaren binnenkort veranderen.

Nu moeten Vlaamse ambtenaren bij het aanvaarden van hun betrekking dezelfde formule uitspreken als hun federale collega's: "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk". Het is dan ook geen toeval dat het een Vlaams-nationalist is die als regionaal minister de ambtseed voor 'zijn' personeel gewijzigd wil zien. De officiële argumentatie is dat de oude formule niet meer aansluit bij de federale realiteit. Daarom zal het voortaan volstaan dat het Vlaams overheidspersoneel zweert de verplichtingen van hun ambt na te komen. Maar Bourgeois verlost op die manier ook vele Vlaamse mensen van gezworen trouw aan België. Vanuit zijn zienswijze als burgerlijk flamingant is dit ongetwijfeld een cruciale bijdrage aan de Vlaamse ontvoogding.

Het afleggen van een eed is iets zeer ernstigs, heeft iets sacraals: het bovenmenselijke kijkt toe. Men verklaart plechtig een belofte na te komen, in het besef dat er bij eedbreuk of meineed onheil te verwachten valt. Het verbreken van een officieel voorgeschreven eed, zoals de ambtseed, beroepseed of die in het burgerlijk en strafproces, kan tot gerechtelijke vervolging leiden. Wie een eed, afgelegd buiten het wettelijk kader, niet nakomt, verliest minstens aanzien en goede naam. Zo'n persoon wordt eerloos en, in de ogen van zijn vroegere eedgenoten, vogelvrij.

Zeker in nationalistische milieus is het doen van een eed geen lichte aangelegenheid. Een nationale beweging is in haar beginperiode - hoelang die ook mag duren - meestal romantisch, bevlogen en quasi-religieus. Nationalisten zijn immers idealisten, verbonden door een gemeenschappelijk hoger streven, al is niet altijd duidelijk wat ze juist verwezenlijkt willen zien. Sinds de zesde IJzerbedevaart in 1925 werd te Diksmuide gezamenlijk de 'Eed van trouw aan Vlaanderen' afgelegd: "O Land van roem en rouwe, / Van Liefde en lijdensnood, / Gij wordt weer vrij en groot. / Wij zweren houwe trouwe, / U, Vlaanderen tot der dood." Vlaamse politici die deze, toegegeven, weinig zeggende eed ooit deden, maar zich later vlotjes in het establishment lieten opnemen, kregen dan ook gegarandeerd, en terecht, het verwijt te horen hun ziel verkocht te hebben en eerloze verraders te zijn. Bezweken voor de Belgische vleespotten, zo klinkt het steevast.

Voor de bedevaarders naar Diksmuide werd deze eed twee jaar geleden vervangen door een 'engagementsverklaring', waarin men belooft de idealen van de Frontsoldaten na te streven: Nooit meer oorlog, Zelfbestuur en Godsvrede. En natuurlijk ook hun postmoderne hertaling, de vage alliteratie Vrede, Vrijheid en Verdraagzaamheid. Het afschaffen van België komt er niet in voor, zodat ook de confederalisten van CD&V en de regionalisten van SPIRIT de tekst publiekelijk zonder kans op wroeging kunnen uitspreken.

Te Steenstrate, op de IJzerwake, waar de flaminganten van Vlaams-Belang-strekking reeds vier keer jaarlijks samenkomen, blijft de oude eed uiteraard behouden. Of hoe ultra-rechts zijn conservatisme als daadkracht verkoopt...

Alleszins is voor een Vlaams-nationalist een eedaflegging een zaak waarbij zijn geweten betrokken is. Niet alleen in geval van een eed van trouw of engagementsverklaring tegenover Vlaanderen, maar ook bij het aanvaarden van een betrekking bij de federale overheid. Want duizenden Vlamingen werken voor de Belgische staat en het zou me verbazen dat daar geen flaminganten onder zijn. Voor hen kan Bourgeois niets doen. Pleegt een Vlaams-nationalist (of een andere republikein) meineed als hij trouw moet zweren aan de Belgische koning? En welke loyaliteit zou hij dan verraden? Philip Bekaert van de Republikeinse kring (CRK) formuleert het als volgt: "In Nazi-Duitsland zwoeren ambtenaren en soldaten trouw, niet aan de Führer, maar aan Adolf Hitler persoonlijk. In een democratie is dit om begrijpelijke redenen ondenkbaar: een eed van trouw moet steeds betrekking hebben op een instelling of een functie en mag je nooit binden aan één persoon, los van die functie. Belgische ambtenaren en mandatarissen zweren dan ook trouw aan de koning en niet aan Leopold, Boudewijn of Albert, en hun eed blijft geldig, ook wanneer de koning verandert. Geheel volgens democratische gebruiken impliceert de Belgische eed van trouw dus trouw aan een instelling of functie, en de persoon die deze functie bekleedt, is zelf door zijn grondwettelijke eed gebonden aan de Grondwet en de wetten van het Belgische volk, en fungeert als het ware als garant van de instellingen (of zou dat toch moeten zijn) en - volgens deskundigen - als symbolisch hoofd van de regering.
Anderzijds staat het in een democratie iedereen vrij om ervoor te ijveren dat bepaalde instellingen een nieuwe vorm krijgen. Een bewijs: de Grondwet en de wetten, die mandatarissen zweren na te leven, worden voortdurend gewijzigd (er worden zelfs wetten afgeschaft)... door diezelfde mandatarissen! Wie van ambtswege trouw moet zweren aan een instelling of functie, kan er via een openbaar politiek engagement niettemin voor zorgen dat die instelling of functie gewijzigd of afgeschaft wordt. Het gaat dus geenszins om meineed als men in het kader van zijn beroep trouw zweert aan de koning en tegelijk in het kader van zijn politieke engagement de functie van staatshoofd wil omvormen.Wat in een democratisch bestel wél ondenkbaar is, is dat een bepaalde vorm van (democratisch en wettig!) politiek engagement voor bepaalde beroepen verboden zou blijven. Wie beweert dat een actief republikeinse ambtenaar of mandataris meineed pleegt, vertelt dus onzin.
" (http://www.crk.be/N/republicainfidele_N.php)

Ook ondergetekende heeft zes jaar geleden de federale ambtseed afgelegd. Die tekst van Philip Bekaert was toen nog niet voorhanden, dus ging ik daags tevoren mijn gewetensnood klagen aan een Vlaamsgezind oud-advocaat en interim-vrederechter. 'Och jongen', sprak hij lachend, 'leg die eed af en doe verder zoals ge bezig zijt.'

Bijna letterlijk dezelfde bewoording kwam ik tegen in Robert Kee's uitstekende boek "Ireland: a history" (new edition, Abacus, 2003), meer bepaald in het hoofdstuk over de Ierse burgeroorlog. In de jaren 1920-21 had het IRA onder leiding van Michael Collins een guerrilla tegen de Britten gevoerd. Uiteindelijk kwam het in de laatste maanden van 1921 tot onderhandelingen die resulteerden in het Engels-Iers Verdrag. Dit bepaalde dat Ierland een vrijstaat zou worden en lid van het Britse Gemenebest. De overeenkomst deed de nationalisten in voor- en tegenstanders uiteenvallen. Niet het feit dat de zes noordelijke graafschappen buiten de Vrijstaat bleven, was het wat de republikeinen van de harde lijn het meest stoorde. Wel de eed van trouw aan de Britse koning die de leden van het nieuwe Vrijstaatse Parlement (de Dail) moesten afleggen. Het was voor hen de negatie van alles waar ze voor gevochten hadden.

Collins verdedigde de nieuwe status van Ierland omdat die volgens hem de vrijheid bracht om de vrijheid te verkrijgen. 'You'd take the oath to get rid of it', stelde één van zijn medestanders. Maar de Ierse Vrijstaat kwam in een burgeroorlog terecht die twee jaar zou duren (1922-23) en waarin vroegere strijdmakkers elkaar naar het leven stonden. Tien jaar later, toen de radicalen met Eamon de Valera aan de macht kwamen, werd de eed al gauw afgeschaft.

Dit voorbeeld uit de Ierse geschiedenis bewijst nog maar eens hoe zwaar een eed kan wegen in nationalistische kringen. Trouw zweren staat centraal in de idealistische moraal. Ik kan daar niets tegen hebben, als tenminste in de eedformule of de engagementsverklaring het hoe en waarom, én het einddoel duidelijk verwoord worden. Liefst in moderne en concrete termen.

Het belgicistische kamp, en dan vooral het segment dat voor progressief doorgaat, maakt zich graag vrolijk over het sérieux van de Vlaamsgezinden. Een gezamenlijk eedaflegging hoort thuis in de oubollige sfeer van vlaggengezwaai en korte broeken. Meer nog, iemand als Sophie de Schaepdrijver, een hogepriesteres van de politiek-correcte scholastiek, laat geen kans voorbijgaan om het idealisme van bepaalde Vlaams-nationalisten verdacht te maken. Ze zouden vooral uit prestigezucht en eigenbelang gehandeld hebben. Trouwens, volgens de historica is elk idealisme in sé gevaarlijk.

Die Nieuwe Klasse die vandaag in Vlaams-België de dienst uitmaakt, en waarvan De Schaepdrijver een exponent is, vindt zijn geprivilegieerde expressie in de sociaal-democratie, in de Groenen, en in delen van christen-democratie en liberalisme. De politieke klasse die hieruit voortgekomen is, bestaat als intern samenhangende kracht enerzijds uit de meer en meer erfelijke kaste van beroepspolitici, belast met het dagelijks bestuur van beleid en administratie, en anderzijds uit de tenoren van academisch en artistiek Links, die voor de ideologische legitimatie zorgen.

Het hoofdaspect van de mentaliteit en van de praktische ingesteldheid van dit kader is hun capaciteit te kunnen dienen onder verschillende meesters. Hun werking gaat niet samen met het aanhangen van een bepaalde wereldbeschouwing. Zij kunnen slechts functioneren wanneer ideeën gebruikt worden als waren het instrumenten. In de naoorlogse periode was officieel Links al goed getraind om zich in staatszaken flexibel op te stellen. En zeker in de laatste vijftien postmoderne jaren geldt dat er geen waarheid meer is, en er geen grote verhalen en geen idealen meer zijn. Het onderwijs en de overdracht van kennis in het algemeen dienen niet meer om een elite op te leiden die de natie naar de ontvoogding moet leiden, maar wel om het systeem te voorzien van spelers die met graagte hun rol opnemen in de pragmatische posities die de instellingen vereisen. Engagement en eed worden aldus routines zonder substantie.

Om die pragmatische postjes in te nemen is de moraal van officieel Links volledig kneedbaar geworden. Het post-modernisme is hier het algemeen raam dat een 'toegepaste ethiek' verzekert voor eender welke situatie. Dus tot nader order dient men de liturgie-staat België en het atlantisch europeanisme. Zij die als vertegenwoordigers van de arbeidersklasse de politiek zijn ingegaan, hebben de klassenstrijd, die hun recht gaf op een plaats in het staatsbestuur, verlaten. Socialisme wordt gereduceerd tot 'wat goed is voor de mensen'. Uitdeinend kapitalisme wordt verbloemd als 'globalisatie', imperiale agressie als 'humanitaire interventie', en het terugschroeven van de democratie als 'strijd tegen onverdraagzaamheid en terrorisme'. Dit linkserig maar neoliberaal kader heeft, in een beweging die men democratisering noemt, alle grote politieke formaties en instellingen overgenomen en hun spindoctors kunnen voorlopig nog de massa's recupereren of ze dumpen achter het cordon sanitair. De georganiseerde depolitisering.

Voorlopig, want de dag nadert waarop de Vlaamse jeugd de haar opgedrongen cultuur van passiviteit en onge‹nteresseerdheid van zich af zal schudden en zich niet meer zal laten sussen door hyperindividualiteit, 'het recht op roes', modieuze grillen, oppervlakkige seksualiteit en andere kunstmatige kicks. Op die dag zullen de anti-mondialisten beseft hebben dat de strijd tegen het kapitalisme weliswaar wereldwijd moet gevoerd worden, maar zijn locus in de natie vindt.