Nummer 114


Column | februari 2006


De heerlijke humor en horror van dichter Frank Koenegracht (Hendrik Carette)<< Nummer 114

De lectuur van de verzamelbundel Vroege sneeuw (Amsterdam: De Bezige Bij, 2003) was voor mij een eerder ongewone revelatie en een wat late ontdekking. Een literair lectuuravontuur met filmische beelden en een arsenaal van humor, horror en andere heerlijke scherpzinnigheden. Onvoorspelbaar. En bovendien bedrieglijk eenvoudig. Vroege sneeuw bevat alle (herziene) gedichten van deze dichter (°Rotterdam, 1945) van o.m. Camping De Vrijheid (1976), Epigrammen (1986), De verdwijning van Leiden (1989) en Alles valt (1999). Kortom alles wat u nog niet las, maar altijd al wilde lezen van de hand van een ontnuchterende en vaak ook ontroerende en originele dichter. Het boek werd voorzien van elf nieuwe gedichten (waaronder opnieuw drie epigrammen) en een mooi verhelderend nawoord van Rudy Kousbroek die op 'de inwendige kracht' en 'de coherentie' van deze gedichten wijst.

Eerst het rusteloze bladeren en daarna het rustig lezen en herlezen of zoeken naar het ultieme gedicht deed mij algauw naar een potlood grijpen. Een potlood met twee gescherpte punten, met aan het ene uiteinde de blauwe en aan het andere uiteinde de rode kleur. De rode kleur duidt dan de bijna geniale (mijn enthousiasme kan ik hier bijna niet temperen) gedichten aan, de blauwe de niet zogauw te vergeten beelden en metaforen in zijn meestal korte, maar altijd goed gecondenseerde, gedichten. Laat mij maar beginnen met het begin. Want het eerste gedicht 'Voor 31 december' begint zo: "Nacht was het, nacht./ Het stormde zacht./ Vol diademen hing de vacht / van het heelal. / Een man, een vrouw, / een stofzuiger, die drie / lieten zich gaan. De storm / op zee drukte graan- / schepen tegen zich aan " . En verder tot aan het einde waar de dichter mompelt: "een zalig uiteinde, liefje, een goed begin. "

Of laat ik even één der kortste gedichten nemen 'My generation, baby' (p. 12) dat ik hier maar al te graag in extenso citeer :

Soms voel ik mij
zo 'van deze tijd' dat ik
enorme trek krijg in
cigaren
en princessen.

En zeg nu zelf, wie schrijft nu nog sigaren en prinsessen met die 'oneigentijdse' en allicht bewust ouderwetse en catastrofale c. Het catastrofale sombere levensgevoel is trouwens nooit ver weg in deze soms lichtelijk absurdistische poëzie. Maar de toon wordt nooit te zwaar. Zijn stem stokt wel, maar wordt nooit schor en hees of al te theatraal. Grote gevoelens en grote woorden worden hier streng gemeden of gewoon ten val gebracht in de ontnuchterende eindregels. Want evenals de Poolse dichteres Szymborska aan wie hij twee gedichten wijdt heeft ook deze Koenegracht goede manieren en goede papieren.

Eén van de wervende perscommentaren op het blauwe stofwikkel van deze met een stevige kaft uitgegeven verzamelbundel is van Arie van den Berg in het NRC Handelsblad en deze poëziecriticus meldt zomaar gewoon : "Koenegracht heeft een fabuleus gevoel voor humor". En hoewel het bijvoeglijk naamwoord 'fabuleus' elk understatement bij voorbaat onmogelijk maakt, wil ik deze poëziecriticus allerminst tegenspreken. Ook het voorlaatste gedicht 'Circumcisie' (besnijding der voorhuid) wil ik hier in deze tijden van Deense spotprenten en massale betogingen tegen humor en persvrijheid (in het Midden-Oosten en de hele moslimwereld) graag citeren:

Mijn uroloog genas mij op het nippertje
van een tumor aan mijn wippertje.
Hij maakte mij een half gram lichter.
Aldus werd ik een joodse Dichter.

En wie denkt dat deze dichter alleen maar geestig, lichtvoetig en schamper kan zijn moet absoluut de wonderlijke gedichten 'De verdwijning van Leiden' (op p. 68), 'Ode aan de Bourgeoisie' (p. 150) en zeker ook het licht aristocratische en vervreemdende 'Geen uitgang' (p.21) lezen. Of het laatste hier geheel geciteerde gedicht over onze zogenaamde 'Vooruitgang':

Van alle auto's in de regen
die suizen langs mijn raam,
koplampen aan,
en die passeren door de bocht van de weg,
hoop ik maar dat ze ergens heengaan
en dat het telkens andere auto's zijn
en niet een reeks
die zonder reden telkens opnieuw
wordt rondgezonden
door steeds dezelfde onzichtbare gek.

Ook het zevendelige gedicht 'Praag' helpt hier om enig vermoeden te krijgen van de haast absurdistische kracht van deze Koenegracht die allicht als een gezonde Hollandse jongen is begonnen om te eindigen met het hier volgende wel zeer gekke en triviale fragment: "In het snelbuffet 'Het Paradijs' / roerde de kok blijkbaar / verscheidene soorten stront dooreen / zodat een gemene doodslucht / door de ruimte sliertte, dreef / en omhoog steeg boven de kachels. / Van de weeromstuit liet B. / twee winden en ik één. / Die drie waren meteen thuis / maar wij nog lang niet." ('Reisanekdote', p.81).

Dit laatste vers had ik van deze dichter, die van beroep overigens psychiater is, niet direct verwacht, maar ook een doctor in het sanskriet is nu eenmaal soms niet goed snik of kierewiet.