Nummer 115


Acteel - Interview | maart 2006


Proces Erdal legt gevaarlijke kanten van terrorismebestrijding bloot (Jan van Ormelingen)<< Nummer 115

Een aantal zwaargewichten van de Belgische politiek moeten met verlangen hebben uitgekeken naar 28 februari jl. Die dag oordeelde de Dendermondse rechter Freddy Troch in Brugge over 11 leden van de Turkse organisatie DHKC (Revolutionair Volksbevrijdingsfront). De aanwezigheid van het links-radicale DHKC op Belgisch grondgebied, vertroebelt al een tijdje de goede relaties tussen België en Turkije. Vooral de jonge Fehriye Erdal zorgde herhaaldelijk voor problemen. DHKC is één van de belangrijkste oppositiekrachten in Turkije die opkomt voor sociale rechtvaardigheid en zich verzet tegen de staatsrepressie. De beweging is trouwens ook gekant tegen de toetreding van Turkije tot de neoliberale Europese Unie. Afgezien van haar politieke activiteiten voert DHKC ook een beperkte gewapende strijd binnen de grenzen van de Turkse staat. Twee beklaagden werden in Brugge veroordeeld volgens de nieuwe antiterrorismewetgeving uit december 2003, de anderen bleven daarvan gespaard omdat ze enkel terechtstonden voor feiten uit 1999.

Wie dacht het DHKC met de veroordeling uit het nieuws zou verdwijnen had het mis, want daags na de uitspraak bleek Fehriye Erdal te zijn gaan lopen! Voor de Belgische politieke klasse is de vlucht van Fehriye Erdal een heuse nachtmerrie, maar Meervoud is er niet echt rouwig om. Volgens ons is de Belgische politiek zo ver gegaan in de terrorismebestrijding dat er een aantal democratische vrijheden in het gedrang zijn gekomen. Dit is hetgeen wat we in de samenleving besproken willen zien. Het is normaal dat de rechter oordeelt over strafbare feiten, maar wie het proces van dichtbij volgde, weet dat te veel democratische grondbeginselen zijn geschonden. Gelukkig zijn er in Vlaanderen nog opiniemakers die daar ook zo over denken.

Voor meer achtergrondinformatie legden wij ons oor te luisteren bij de advocaat van Fehriye Erdal, meester Paul Bekaert.

- De gruwelijke moord op de ouders van de directeur van het Koerdisch Instituut in Brussel en enkele andere feiten uit de recente actualiteit, tonen aan dat het nog steeds erbarmelijk gesteld is met de mensenrechten in Turkije. Kunt u kort schetsen waarom Fehriye Erdal naar België vluchtte en wat ze de laatste jaren zoal heeft meegemaakt?

Paul Bekaert: In 1996 was er een aanslag op de Turkse topindustrieel Özdemir Sabanci en twee van zijn medewerkers. Erdal werkte in het gebouw waar de aanslag plaatsvond en werd onmiddellijk verdacht van medeplichtigheid. Zij werd er niet van verdacht wapens te hebben gebruikt of de fatale schoten te hebben afgevuurd. Zij werd er van verdacht de twee moordenaars te hebben binnengelaten. Daar zij alles ontkent en daarenboven vreesde voor haar leven is ze gevlucht uit Turkije. Zij vreesde voor haar leven en in elk geval voor foltering. Een fair proces was uitgesloten. Haar vrees was zeker niet ongegrond. Eén van de verdachten van de moordaanslag, Mustafa Duyar, was spijtoptant. Hij gaf zichzelf aan in de Turkse ambassade in Syrië. Toen hij in een Turkse gevangenis zat, werd een groep misdadigers overgebracht uit een andere gevangenis. Zij hadden wapens mee en Duyar werd vermoord in de gevangenis. Zijn moordenaar is zelfs bij zijn overbrenging van de ene gevangenis naar de andere, na deze moordaanslag, een tijd lang voortvluchtig geweest.

Ik meen dat dit genoeg zegt. Wij zijn nog altijd niet op de hoogte van wat er met deze aanslag op een verdachte is gebeurd.

- Waarover handelde de rechtszaak in Brugge precies en wie stond er terecht?

Paul Bekaert: In september 1999 treft men een groep militanten van DHKP-C (P staat voor de partij, de C voor het front, n.v.d.r.) aan op een appartement in Duinbergen. Zij waren bezig met het archief van de beweging te digitaliseren. De papieren die gedigitaliseerd werden uit het archief, werden vervolgens verbrand. Er ontstond brand op het appartement. De politie viel binnen en vond er wapens en valse documenten. In Brugge stonden de personen terecht die werden aangetroffen in Duinbergen of waarvan er sporen van hun aanwezigheid werden gevonden, alsook een aantal personen die verbonden zijn met de beweging. De Turkse staat stelde zich burgerlijke partij. Het proces ging in de eerste plaats over de feiten die zich afspeelden in Duinbergen. Maar men heeft ook de algemene betichting van bendevorming met terroristische doeleinden en criminele organisatie met terroristische doeleinden. Deze laatste betichtingen overstijgen natuurlijk de feiten in Duinbergen.

- In Brugge is het woord terrorisme meermaals gevallen. Is de vondst van wapens en valse papieren al genoeg om het zwaarwichtige woord van stal te halen?

Paul Bekaert: De wet op het terrorisme bestond nog niet op het ogenblik van de feiten in Duinbergen. Bijgevolg heeft het Openbaar Ministerie gewoon beroep gedaan op de betichting bendevorming met terroristisch oogmerk en criminele organisatie met terroristisch oogmerk. De vondst van wapens en valse papieren kan inderdaad gebruikt worden voor criminele organisatie en bendevorming. Twee betichten werden ook vervolgd voor feiten die na de inval in Duinbergen plaatsvonden en hebben te maken met de specifieke betichting terrorisme. Het gaat om een nieuwe wet die intussen van toepassing is.

Het proces is verlopen in een zeer gespannen sfeer. Het Openbaar Ministerie in samenwerking met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Justitie hadden buitenmatige veiligheidsmaatregelen getroffen. Dit leek vrij onzinnig daar alle beklaagden reeds zes jaar op vrije voeten waren. Door aan dergelijke sfeerschepping te doen wordt vanzelfsprekend het beeld geschapen van zeer gevaarlijke terroristen. Wij hebben als raadslieden geprotesteerd tegen het feit dat wij grondig gefouilleerd werden. Wij vinden dit een aanslag op de waardigheid van de advocatuur, een groot wantrouwen ten aanzien van de advocatuur en een schending van het gelijkheidsprincipe tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging. Wij hebben trouwens geweigerd ons aan deze fouillering te onderwerpen. Bij de derde zitting, na tussenkomst van de stafhouder en na klachten bij de bevoegde ministers, heeft men uiteindelijk de openbare fouillering van advocaten achterwege gelaten. Verder hebben wij vastgesteld dat het paspoort of de identiteitskaart van alle aanwezigen gefotokopieerd werd.

Dit is in strijd met de openbaarheid van de zitting. Er werden aanhoudingen verricht, waarvan zelfs één in de zaal. Wij hebben ook ingeroepen dat de Turkse staat zich geen burgerlijke partij kan stellen. Het is aan het Belgisch Openbaar Ministerie om de staat te vertegenwoordigen en niet aan de Turkse staat om zich te komen bemoeien met het werk van het Belgisch Openbaar Ministerie. In onze verdediging hebben wij het dan ook consequent gehad over het requisitoir van de burgerlijke partij Turkije in plaats van over het pleidooi. Wij hebben ook ingeroepen dat het hier om een politiek proces gaat zodanig dat alleen het Assisenhof bevoegd is. De Rechtbank heeft dit van tafel geveegd. Wij hebben hiertegen beroep aangetekend.

- Was de overplaatsing van rechter Freddy Troch wel wettelijk?

Paul Bekaert: Het Gerechtelijk Wetboek voorziet dat de eerste voorzitter van het Hof van Beroep een rechter van een ander arrondissement kan detacheren. Voorwaarde is dat er een tekort is aan rechters. Dit artikel uit het Gerechtelijk Wetboek is echter niet gemaakt om een rechter eenmalig voor één zitting te gaan overplaatsen. Volgens ons is die overplaatsing zoniet letterlijk dan wel tegen de geest van de wet.

- Wat denkt u van de beschuldigingen die De Morgen (26 januari 2006) uitte over de partijpolitieke manoeuvres rond dit proces?

Paul Bekaert: De betrokken magistraten ontkennen ten zeerste deze beschuldigingen. Ik weet niet of ze juist zijn of niet. Feit is dat in het algemeen procureurs-generaal en federale procureurs meer en meer als wetgever gaan optreden. Dit wil zeggen dat zij wetsontwerpen gaan schrijven die zowel door de regering, de ministers als het parlement klakkeloos worden overgenomen. Het is trouwens geweten dat de verschillende procureurs-generaal, federale procureurs of substituten vroeger en nu kabinetsmedewerkers zijn geweest. Zij zetelen in werkgroepen die wetten schrijven. "Voorschrijven" lijkt mij juister.

- Was er politieke beïnvloeding?

Paul Bekaert: In elk geval zijn de rechters volstrekt onafhankelijk. In hoeverre er politieke beïnvloeding is van het Openbaar Ministerie kan ik niet beoordelen. Feit is dat het Openbaar Ministerie niet alleen in dit concrete geval optreedt maar ook een algemeen beleid gaat verdedigen en dit doet aan de hand van concrete zaken. Uit zijn requisitoir is duidelijk gebleken dat dit proces een voorbeeldfunctie heeft. Men wil mordicus bewijzen dat men scoort in de strijd tegen het terrorisme. Men wil aantonen hoe nodig een aangepaste wetgeving is, en wil de wetten die zij maken, toepassen.

- De aanslagen van 11 september 2001 hebben de strijd tegen het terrorisme een enorme impuls gegeven. Nu blijkt dat op dit proces nieuwe terrorismewetgeving wordt uitgetest. We horen er bitter weinig over in de media. Over welke wetgeving gaat het, wat is de voorgeschiedenis en waar is men nu precies mee bezig?

Paul Bekaert: Vooreerst dien ik op te merken dat slechts twee van de elf verdachten vervolgd worden voor terrorisme. De wet op het terrorisme is er gekomen na 11 september. Er is een Europees kaderbesluit gekomen dat volstrekt ondemocratisch tot stand is gekomen. Het zijn de Europese ministers die dit kaderbesluit gemaakt hebben. Het Belgische parlement is verplicht dergelijke beslissing - die niet eens uitgaat van een parlement - klakkeloos over te nemen. De wet gebruikt de term "terrorisme". Het is een heilig principe in het strafrecht dat een misdrijf in de wet zeer concreet moet omschreven zijn. Ik geef een voorbeeld. "Immoreel gedrag" in het algemeen kan geen misdrijf uitmaken. Het moet heel duidelijk omschreven worden: bijvoorbeeld diefstal, oplichting, misbruik van vertrouwen, een seksueel delict enz.

Terrorisme is een term die veel te algemeen is. Het is een paraplu waar werkelijk alles onder kan. Iedere politieke militant kan voortaan gestraft worden onder terrorismewetgeving. De gevolgen zijn zeer zwaar. Deze wetgeving kan gebruikt worden, niet enkel voor terroristen in de letterlijke zin van het woord die geweld gebruiken, maar volgens mij kan ze ook gebruikt worden tegen elke politieke opposant. De gevolgen van de toepassing van de terrorismewetgeving zijn heel verregaand. Er kunnen bijzondere opsporingsmethoden toegepast worden alsook voorlopige hechtenis. Wanneer een opposant bijvoorbeeld een raam zou vernielen van een buitenlandse luchtvaartmaatschappij ten teken van protest, dan kan hij onmiddellijk aangehouden worden. Hij kan onderworpen worden aan de bijzondere opsporingsmethoden als daar zijn afluisteren, observatie enz.

- Bahar Kimyongür kreeg vier jaar voor het voorlezen van een persmededeling van het DHKC, het organiseren van een persconferentie en het geven van een interview op tv. Is dit niet buiten proportie?

Paul Bekaert: Natuurlijk! Wanneer men daarmee begint, dan zullen de gevangenissen te klein zijn om alle veroordeelden op te vangen. Dit betekent dat wanneer iemand, zoals laatst een Canadese bejaarde filosoof het recht van de Palestijnen op terrorisme verdedigt, in België vier jaar riskeert (zie Ted Houderick in De Standaard 18-19 februari 2006)

- Is men niet bezig met een aantal fundamentele rechten aan het afbouwen?

Paul Bekaert: Dit is vanzelfsprekend zo. Ik ben er van overtuigd dat een aantal beleidsmensen bij het parket, ministers en parlementairen en vooral politiemensen van de gelegenheid gebruik maken om terrein in te palmen. Moesten ze kunnen dan schaffen de advocatuur af. Voor hen zijn de rechten van de verdediging overbodig. Zij zijn hinderlijk voor de strijd tegen misdadigheid en terrorisme. Een terrorist heeft in hun ogen gewoon geen rechten. De rechten die geschonden zijn, zijn talrijk: schending van de woonst, schending van het recht op privacy, schending van het briefgeheim, schending van het principe van vermoeden van onschuld, schending van recht op een behoorlijke behandeling in de gevangenis, schending van het zogenaamd legaliteitsprincipe waar ik het hiervoor reeds over had. Het is maar een triestige verjaardag van de Belgische Grondwet.

- Wat is er nog te verwachten? Gaat men ook in België politieke bewegingen criminaliseren?

Paul Bekaert: Er valt te verwachten dat onder invloed van de Verenigde Staten, de Europese Unie en andere Europese landen onze democratie die reeds 175 jaar bestaat, verder wordt afgekalfd. Politieke bewegingen worden reeds gecriminaliseerd in België en zullen meer en meer gecriminaliseerd worden. Midden februari keurde het Britse parlement een wet goed waarbij de zogenaamde "verheerlijking van het terrorisme" strafbaar wordt gesteld. Dit betekent dat iemand die aanzet tot terrorisme of terrorisme openlijk goedkeurt, strafbaar wordt. Dit betekent dat een persoon die gewapend verzet met woorden verdedigt, voortaan strafbaar zal zijn.

- Denkt u dat er bij ons organisaties voorkomen die potentieel bedreigd worden door deze evolutie?

Paul Bekaert: Wanneer ik de wetgeving bekijk, de verklaringen en de intentieverklaringen van de beleidsmensen, de processen, dan vrees ik inderdaad dat het einde nog niet in zicht is. Er zullen steeds meer mensen het label 'terrorist' opgeplakt krijgen. Ik denk hierbij aan vredesactivisten, anti-globalisten, krakers, nationalisten, autonomisten en hun sympathisanten. Men gaat steeds meer wetten maken en wetten gebruiken om politieke opposanten uit te schakelen.

Ik wil hierbij echter uitdrukkelijk benadrukken dat burgers in het algemeen en politici in het bijzonder die misdrijven plegen zoals daar zijn racisme, laster en eerroof e.d.m. voor mij wel mogen gestraft worden. Immers, de grens van de vrijheid van meningsuiting is racisme, laster en eerroof. Dit staat uitdrukkelijk in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het wordt trouwens ook door het Hof van Straatsburg consequent op die manier toegepast.