Nummer 117


Cyprus | mei 2006


Het fantoom van Famagusta (Lukas De Vos)<< Nummer 117

Ik raad u sterk af voorbij het dorpje Lakki in het Noord-Westen van Cyprus de afslag te nemen naar Neo Chorio. Zeker als u niet met een 4x4 rijdt. Dat het asfalt langzaam verkruimelt tot kiezels is niet ongewoon. Verderop, als alle wegwijzers en behuizing verdwenen zijn, en de weg verwordt tot een steil geitenpad naar de bergrug met indrukwekkend uitzicht op de baai van Chrysohou, is alles mogelijk. Ik kwam voor een militaire barrage te staan. De Nationale Wacht, het operettelegertje van Cyprus, houdt schietoefeningen om een mogelijke nieuwe inval af te slaan van het Turkse leger, dat vlak voor Kato Pyrgos is blijven staan bij zijn invasie van 1974. De schildwacht sprak helaas geen Engels en kon nog minder een kaart lezen. Hij stuurde me gewoon rechtdoor, fluks het karrenspoor vrijmakend, en driftig knikkend dat dit zeker de weg was naar Polis waar ik vandaan kwam. Hij stuurde me meteen tussen zijn krijgshaftige kompanen, die verwilderd opkeken toen de vermeende vijand hen op de rug en tussen de gelederen viel, en niet aan de voet van de kam tussen de Petratis- en Androlikoukloof zat te wachten. Ik heb me snel uit de voeten gemaakt, opgelucht ongedeerd (ondanks opstoppingen door grote kuddes geiten en schapen) Pittokopos te bereiken, en zo de weg terugvond naar het zuiden.

De geest van Grivas, die met de Eoka-B de strijd tegen kolonisator Groot-Brittannië voerde in de jaren vijftig, en aanhechting ("enosis") bij Griekenland nastreefde, is nog altijd niet verdwenen. De helft van de horeca in Grieks-Cyprus is in handen van Britse expats, de meerderheid van de Cyprioten voelt zich even ongemakkelijk tegenover de Britten als vlotjes in de taal van de laatste veroveraar. Die haat-liefde-verhouding heeft alles van doen met een onverwerkt verleden, dat in feite al achterhaald is door de vlucht vooruit: lidmaatschap van de Europese Unie. Zo kun je in het bedevaartsoord en wijnstadje Omodos, in het Troödosgebergte, behalve enkele splinters van het Christuskruis in hetzelfde Timios Stavrosklooster uit de vierde eeuw ook de boezeroens en jakken bekijken van een dozijn vrijheidsstrijders die in de strijd met het Britse leger doodgemarteld, overreden, opgehangen of doodgeschoten zijn. Maar tegelijk is het ongelijke verdrag van 1960 over de onafhankelijkheid ironisch genoeg de beste waarborg voor het voortbestaan van Cyprus gebleken.

De Britten bedongen dat ze twee bases (eigenlijk happen land net bij de mooiste kusten van het land) mochten behouden: Akrotiri bij de havenstad Limassol en Dhekelia aan de Zuid-Oostelijke punt van het eiland. Dat is één van de redenen waarom de Turkse invasie tijdig halt hield, na verovering van een derde van het grondgebied. Voor de Cyprioten is het uitmuntende pasmunt. Ze blijven maar klagen over het gebrek aan respect dat de Britten opbrengen voor de geldende Europese normen, en tegelijk dienen de bases als buffer voor de VN-vredesmacht én als onuitputtelijke bron voor toerisme. De Europese Unie dreigt ermee Cyprus voor het Europees Hof te dagen omdat het niet tijdig te lawaaierige, vooral Russische, toestellen verbiedt te landen. Cyprus slaat terug en beschuldigt het acrobatisch team van de RAF, de Red Arrows, ervan alle geluidsnormen aan zijn laars te lappen tijdens de jaarlijkse, zeswekelijkse oefeningen boven het eiland. De Turken wilden na Famagusta doorstoten naar Paralmini. Kwam niks van in huis, Britse enclave. En nu bemant de VN de hele weg naar de spookstad.

Je voelt het meteen. Passeer de grens (en betaal bij Af, 15 pond voor een driedaagse autoverzekering), en het asfalt houdt geen tweehonderd meter stand. Rij naar Palm Beach en de prikkeldraad (en mijnen) versperren de doortocht naar de dode stad Varosha. Verboden gebied, waar 80 hotels staan in te storten. Famagusta is pure opera, de stad van Othello. De streek is het zombiestadium voorbij. En krijgt daardoor historische betekenis. Ze is de tragedie voorbij. Ze is nu kitsj. Aangeduid door twee ijkpunten: het afgrijselijke, pompeuze standbeeld bij de ingang van de oude stad, en de afschuwelijke, veel te grote moskee voor je naar de universiteit rijdt. Tussen beide minaretten, twee witte raketten die zo uit Kuifje komen, zijn de vlaggen van Turkije en de onbestaande Turkse republiek van Cyprus opgespannen. Misschien nog symbolischer: Famagusta ligt geprangd tussen twee dodensteden: het klassieke Salamis (ingang vier euro) en het hedendaagse Varosha (ingang één kogel).

De Grieken willen daar niet voor onderdoen. Zij hebben de kitsj tot camp verheven. Wat de moskee van Famagusta voor de Turken is (een opgeblazen symbool van vermeende superioriteit, terwijl alle kruisvaardersruïnes, het Venetiaans bastion, en gewone gebedshuizen op mensenmaat zijn gemaakt) is Agia Napa voor de Grieken. Een protserige, onleefbare klonter van ingebeeld vermaak, met nachtclubs die gebouwd zijn als piratenschip, als Fred Flintstones Bedrock, als de jungle van de Antillen.

Nergens is het onbegrip beter gerealiseerd als in Pyla, het enige dorp waar onder streng VN-toezicht Grieken en Turken nog altijd in vrede met elkaar moeten samenleven. De bevolking van een kleine 2.000 zielen zit er op een kluitje bijeen. Maar geloof niets van wat de reiswijzers beloven. Er is Efesbier te verkrijgen bij de Turken, maar niet in hun koffiehuis aan het marktpleintje. Daar zitten bestofte, uitgeteerde, bebaarde grijsaards dof te kijken onder de schaduw van hun scheefgezakte minaret. Tegenover hen zit in VN-post 129 een verveelde blauwhelm op de eerste verdieping potloden te slijpen, in zijn hokje als het regent, onder een afdakje als het te heet wordt. Rechts van hem is het gemeenschapshuis van de Grieken. Zij drinken Keo, en hebben het interieur versierd met de gekste herinneringen, tekeningen over de vrijheidsstrijd tegen de Ottomanen in 1821, foto's van oud-president Klerides, maar evengoed van een plaatselijke boer die bij een verkeersongeval is omgekomen.

De Turken hebben in hun lokaal drie onbruikbare caféspelen staan. De Grieken spelen backgammon, en de meesten hebben een tik van de molen. De dorpsonderwijzer steekt plechtig zijn vinger op: "We hebben maar één vijand!" En hij kijkt naar de overkant. Als ik aan de overkant om de moskee heen loop ("Fotograferen Verboden"), roept de barbier uit het beduimelde hoekpandje me met overmatig enthousiasme toe. "How are you sir?" Hij heeft geen klanten, de scheerzetels stammen uit de jaren dertig, de scheerzeep verklontert. Ik kreeg het niet over mijn hart om binnen te stappen. Ik heb vrolijk teruggezwaaid. En een foto genomen van de minaret.