Nummer 119


In memoriam | september 2006


Bij het heengaan van Hugo Schiltz (Christian Dutoit)<< Nummer 119

Begin augustus overleed Hugo Schiltz, een man die ontegensprekelijk een grote stempel drukte op het naoorlogse Vlaams-nationalisme. Bij het ter ziele gaan van iemand past sereniteit. In de documentatie-afdelingen van persagentschappen, kranten en audio-visuele media liggen half-afgewerkte stukken klaar die pasklaar gebruikt kunnen worden bij het overlijden van een belangrijk persoon (in een ver verleden werd er zo eentje afgedrukt in De Standaard over Stijn Streuvels, maar achteraf bleek het om een vergissing te gaan, de man was helemaal niet gestorven...). In het geval van Schiltz lag die documentatie zeker niet bovenaan het hoopje, want niemand had er zich aan verwacht dat hij zó plots van het toneel zou verdwijnen. Toch vergaloppeerden de Vlaamse media zich een beetje: het leek erop dat hij net als koning Boudewijn heilig zou verklaard worden. Vooral de gehaaide tegenstanders van het Vlaamse zelfstandigheidsstreven sloofden zich uit in met in krokodillentranen gemarineerde commentaren.

"De Kennedy van het Vlaams-nationalisme" kopte Het Laatste Nieuws 's maandags boven een paginalang gedenkstuk. Of het gewoon de komkommertijd was of de nasleep van de hittegolf in juli is ons niet duidelijk, maar bij deze krant, niet meteen een moniteur van de Vlaamse beweging, kon het niet meer op. HLN-journalist Jan Segers had het over zijn "aangeboren charisma" en "aangekweekt staatsmanschap" onder de kop "De éminence grise die nooit vergrijsde". De dag erop deed Luk Van der Kelen (lid van B-Plus!) het nog beter, in zijn commentaarstuk "De moed van een overtuiging", hierbij de verwarring wekkende dat die overtuiging ook maar iets met de zijne zou kunnen te maken hebben. Enkele stichtende voorbeelden: "Een positivist met idealen", "een rebel with a cause", "een man die durfde doen wat hij dacht dat hij moest doen voor het goed van zijn volk". We zullen het daar maar bij laten. We gaan er van uit dat dit soort clichés eigen zijn aan de journalistieke cultuur in Vlaanderen. Over de doden niets dan goeds.

En toch, want het venijn zit natuurlijk in het staartje. Hoe hol al die woorden ook klinken, vaak werden er politieke commentaren aan toegevoegd die op zijn minst weerlegbaar zijn. In het necrologisch enthousiasme werden er vaak politieke statements gedaan die niet getuigen van enige voorkennis. Of laten we het anders uitdrukken: het geheugen is kort. De afwijzing bijvoorbeeld van het Egmontpact door zowat de volledige publieke opinie in Vlaanderen (dus zeker niet enkel door de traditionele Vlaamse beweging) is thans bijna volledig uit het politieke geheugen gewist. Men herinnert zich nog iets over het 'inschrijvingsrecht' en 'grenscorrecties', natuurlijk 'uitdovend' (we kennen dat van de faciliteiten: Marie-Antoinette Spaak zei daar ooit smalend over dat er niets zo definitief is in dit land dan voorlopige oplossingen), maar essentieel is dat dit onzalige Egmontpact mee aan de basis lag van de drieledigheid van België en zo van het 'federalisme' een instrument maakte om de meubels van de Belgische staat te redden. Alle eerbetuigingen van de Belgische gestelde lichamen aan het 'staatsmanschap' van Hugo Schiltz zijn dus volkomen terecht. De Morgen-hoofdredacteur Yves Desmet maakt er wel echt een soepje van. "Toen er een zoveelste pamflet van een der kaakslagnationalisten verscheen, onder de titel 'Gedaan met geven en toegeven', schreef Schiltz in een mum van tijd een weerwoord: 'Gedaan met zeuren en treuren'." (DM; 7 augustus). Je reinste onzin natuurlijk. Wij zouden graag de naam van de vermaledijde 'kaakslagnationalist' vernemen die ooit onder die titel een boekje schreef. De waarheid is dat 'Gedaan met geven en toegeven' de slogan was waarmee de Volksunie naar de verkiezingen ging, om daarna het tegenovergestelde te doen. Dat kan perfect nagetrokken worden.

Nu kan men natuurlijk fijntjes opmerken dat het Egmontpact er nooit kwam en gekelderd werd door de perfide christen-democraten aangevoerd door Leo Tindemans.

In Journaal (17 augustus) maakt Mark Grammens brandhout van die stelling. Volgens hem was het 'links' dat Egmont wurgde. Hij heeft ten dele gelijk: mensen als een Antoon Roosens, Roger Bourgeois en Michiel Vandenbussche hebben een betekenisvolle rol gespeeld in de organisatie van het verzet, net als natuurlijk het toenmalige weekblad De Nieuwe, dat in die periode hét linkse referentieblad van Vlaanderen was. In die periode bestond Meervoud nog niet in de vorm van vandaag, maar waren heel wat linkse nationalisten actief in Werkgroep Arbeid. Midden jaren zeventig werd die discreet gesponsord (ach, het gaat niet over grote bedragen, het waren de laatste jaren van de stencilmachine en de bureau-offset) door kringen uit de omgeving van Schiltz en André De Beul. Onmiddellijk nadat bleek dat wij ons aansloten bij het verzet tegen het Egmontpact (dit werd toen als vanzelfsprekend gevonden, van enige dissidentie was er toen geen of nauwelijks sprake) werden alle contacten verbroken. Een vergadering die moest beslissen over ons standpunt werd in allerijl bijeengeroepen in Volkshogeschool Elcker-Ik in Gent, maar zo ongeveer iedereen die student was zat al helemaal onder de kalk van de nacht ervoor Gent en Leuven met anti-Egmontslogans te gaan opfleuren.

Schiltz was een handig en bekwaam politicus maar geen staatsman, laat staan een 'Vlaams' staatsman. (Ludo Parmentier wist in De Standaard kond te doen dat via Google 168.000 staatsmannen verschijnen via een eenvoudige druk op de knop, tegenover slechts 214 staatsvrouwen, maar dat een andere kwestie). Waarmee we bedoelen dat iemand wel een goed bestuurder kan zijn, maar daarom niet noodzakelijk een 'staatsman'. In een interview met Meervoud verwoordde de éminence grise van het Galicisch nationalisme, Xosé Manuel Beiras, het treffend (september 2005): "Politiek is nog wel iets anders dan 'goed bestuur', en zeker nationalistische politiek.".

Maar goed, Schiltz was beslist wel een gentleman. En een workaholic. Dat kan ikzelf getuigen: ik heb een tijdje gewerkt op zijn eerste kabinet, toen de Vlaamse regering nog bescheiden Executieve heette. In die jaren heb ik er nog Hendrik Carette leren kennen, die toen als Bruggeling vooral de Antwerpse kunstenaarsmilieus frequenteerde waar Schiltz beslist geen onbekende was. Schiltz was ook enorm gedreven om contacten te onderhouden met allerlei intellectuelen. Zijn tijdschrift Vlaanderen Morgen was zijn troetelkind. Ik heb er heel wat interessante mensen ontmoet, en VM stond voor Schiltz beslist boven de partijpolitiek: ook mensen van andere obediënties dan de zijne waren er hartelijk welkom. Hij wou er vooral geen exclusief Volksunieclubje van maken, maar zag het blad ook helemaal niet als een instrument om rattenvanger van Hameln te spelen. VM heeft trouwens jarenlang vergaderd in onze lokalen in Brussel. Om ermee te stoppen is hij zeker niet over één nacht ijs gegaan.

Een opmerkelijke periode was ook toen hij het toen al een tijdje zieltogende weekblad De Nieuwe nieuw leven wou inblazen. (In feite was het meer een laatste stuiptrekking). Zelf heb ik daar een bescheiden rol in gespeeld, misschien wel omdat ik een trait d'union was tussen een deel van de oude garde en de neofieten. In die periode is Mark Grammens nog een klein jaartje terug hoofdredacteur geweest, een vaak vergeten voetnoot in de journalistieke geschiedenis. Maar toen had DN niet meer de uitstraling van vroeger. Wel heb ik nooit de ervaring gehad dat er zware journalistieke druk van de kant van Schiltz primeerde.

Politiek was Schiltz de laatste jaren uitgeteld. Postuum zal hij wel véél politieke vrienden hebben, de realiteit is gewoon anders. Dit heeft veel te maken met de implosie van de Volksunie en zijn rol daarin, met - om het proper uit te leggen - typisch Antwerpse toestanden, met zijn tanende voeling met de Vlaamse beweging. Dat de Franstalige politieke kaste en pers hem thans ophemelen heeft meer te maken met het feit dat zij intellectueel niet in staat zijn om iets van die Vlaamse beweging te begrijpen, om even leentjebuur te spelen bij een boekhouder (Schiltz bewoog zich even ongegeneerd in francofone salons als op bijeenkomsten van Oostfronters, zij het in tempore non suspecto). Zijn ongelukkige slogan 'Leve België' in het verre Groningen zal hem even lang achtervolgen als het 'Geef ons wapens' van zijn B-plus-vriend Wilfried Martens, en in bepaalde en misschien ook wel onze kringen zal het onbegrip over zijn aanvaarding van het Ministerschap van Staat blijven nazinderen, maar laat er ons dan ook eerlijkheidshalve aan toevoegen dat ook een Frans Vander Elst dit belachelijke ministerschap aanvaard heeft - inclusief staatsbegrafenis!

Politiek stond Schiltz als liberaal zeker niet op onze golflengte. Het zou dan ook van weinig tact getuigen om nu aan goedkope hagiografie te doen. Hoezeer hij ook op politiek vlak een aantal dingen grondig verknald heeft - dit is een persoonlijke mening die gedeeld wordt door een groot deel van onze vriendenkring - toch heeft hij ongetwijfeld een voorlopig en jammer genoeg niet voorbijgaande stempel gedrukt op het politieke leven van de afgelopen decennia in Vlaanderen.

Aan de nieuwe generatie om andere wegen in te slaan en eventueel voor zover mogelijk een aantal vergissingen ongedaan te maken.