Nummer 12


| april 1995


De Europese Eenheidsmunt (Antoon Roosens)<< Nummer 12

Indien de multinationale magnaten hun slag thuis halen, krijgen we vóór het einde van de eeuwwisseling de Europese Eenheidsmunt. Zij hopen daarmee, in Europa, de laatste en belangrijkste stap te zetten naar het sinds lang beoogde doel: het onttrekken van elke beslissingsmacht op sociaal en economisch gebied aan de democratische vertegenwoordigers van de volkeren.

I.-

De munt is, in de eerste plaats, een betaalmiddel: een conventionele eenheid waarin de waarde van koopwaren en diensten wordt uitgedrukt, en waardoor het mogelijk wordt deze goederen uit te wisselen. Voor de meeste mensen is daarmee de kous af, en zij zeggen: een eenheidsmunt, waarom niet? Het zou toch veel eenvoudiger zijn, en veel leed besparen, indien er wereldwijd één enkele maatstaf zou zijn voor de waarde en de ruil van alle goederen, in plaats van de zowat 180 verschillende munten die nu gebruikt worden in even zoveel staten. En de mensen hebben gelijk, voor zover de munt slechts een betaalmiddel zou zijn. Maar er is, helaas, véél meer!

De munt is ook het belangrijkste instrument tot regeling van de verhouding tussen de grote componenten van het economisch - en sociaal - leven. Krediet, investeringen, produktie, prijzen, lonen en inkomsten van de verschillende bevolkingsgroepen, en ook het welvaartspeil van de samenleving als geheel, worden in zeer grote mate bepaald door de manier waarop de munt-creatie en de munt-circulatie worden geregeld. Wat het bloed is voor het menselijk organisme, dat is de munt voor de menselijke samenleving.

II.-

Er zijn, in de hedendaagse economie, drie soorten munten in omloop:

  • de metalen munt, of pasmunt, geslagen door de overheid;
  • het papieren (of chartaal-) geld, de bankbriefjes, die worden uitgegeven door de nationale bank onder controle van de overheid;
  • het scripturaal- of giraal geld: de bedragen die particulieren en ondernemingen aanhouden op hun bankrekeningen en die slechts bestaan in een geschrift in de boekhouding (vandaar de term 'scripturaal'). Deze munt wordt door de banken gecreëerd.

Het relatief belang van deze drie geld-soorten is zeer ongelijk. Einde 1993 bedroeg de totale geldvoorraad (in zijn ruime definitie) in België 4.661,2 miljard frank, verdeeld als volgt:

  • pasmunt: 18,7 miljard (0,3%)
  • bankbiljetten: 448,1 miljard (9,8%)
  • bankdeposito's beschikbaar op zicht of op 30 dagen maximum: 1.937,2 miljard en
  • bankdeposito's en spaargelden (op meer dan 30 dagen): 2.267,2 miljard, maakt samen voor bankdeposito's: 4.204,4 miljard frank (89,1%)

III.-

De pasmunt is voor de verdere bespreking van geen belang. De schommelingen in het volume ervan zijn onbeduidend, en hebben geen enkele invloed op de grote economische stromingen.

Belangrijker is de rol van de bankbiljetten. Deze worden uitgegeven door de Nationale Bank, en worden ingeschreven op het passief van haar balans. Op de actiefzijde wordt het totaal bedrag van de bankbiljetten in omloop gedekt door de reserves van de Nationale Bank: goud, trekkingsrechten op het Internationaal Muntfonds en deviezen. Einde 1993 bedroegen de reserves van onze Nationale Bank 519,5 miljard. Daartegenover stonden, onder meer, 448,1 miljard aan bankbiljetten op de passiefzijde.

In de Verenigde Staten is de Nationale Bank, de Federal Reserve, onafhankelijk van de Uitvoerende Macht (de President), maar onderworpen aan het Congres, de Wetgevende Macht, die o.m. de verhouding vastlegt tussen de reserves en het bedrag aan bankbiljetten (en andere munt-creërende instrumenten) die de 'Fed' in acht moet nemen. De regering is daardoor in de onmogelijkheid zich te bezondigen aan inflatoire muntcreatie, hetzij om een begrotingstekort te dekken, hetzij om uit electorale berekening aan kunstmatige conjunctuur-relance te doen. Alleen de volksvertegenwoordiging beheerst de munt, zoals dat hoort in een democratie.

In ons land, waar de democratische scheiding der Machten sinds tientallen jaren vervaagd is, ligt de controle bij de regering. En het gebeurde wel meer dat hier, en in andere Westeuropese landen met een gelijkaardig regime, de regeringen overgingen tot inflatoire muntcreaties - de fameuze planche à billets - om zichzelf te redden uit tijdelijke moeilijkheden. Sinds enkele jaren heeft de Europese Commissie aan de regeringen verbod opgelegd hun begrotingstekorten nog te financieren door het openen van een kredietlijn bij hun Nationale Bank.

IV.-

Het belangrijkste instrument van de muntcreatie is ongetwijfeld het scripturaal geld, dat door de banken wordt 'gemaakt'. Hoe gebeurt dat?

Wanneer een bank aan een klant een krediet verleent van bv. 10 miljoen frank, en dat geld wordt opgenomen om betalingen te doen, komt dat bedrag van 10 miljoen opnieuw te voorschijn als nieuwe deposito's op rekeningen van andere klanten, bij dezelfde bank of bij andere banken. De banken kunnen diezelfde 10 miljoen dus opnieuw gebruiken, om nieuwe kredieten toe te staan. Indien zij dat doen, bv. ten belope van 80% van dat bedrag, komt er na een korte circulatie opnieuw een bedrag van 8 miljoen bij, op de zichtrekeningen bij de verschillende banken samen. Het water vloeit steeds terug naar zee! Wordt deze operatie hernomen en voortgezet, telkens ten belope van 80%, dan levert dit ping-pongspel tussen banken, na een kort tijdsverloop, in totaal een globaal bedrag op van 5 keer 10 miljoen aan nieuwe betalingsmiddelen.

Er is dus voor 50 miljoen frank geld 'gemaakt'. Uit wat? Out of thin air, zoals de Amerikaanse economisten zeggen: uit het luchtledige.

Om een idee te geven van het ritme en de omvang van deze geldcreatie, enkele cijfers. In 1967 bedroeg het totaal aan zichtdeposito's bij alle Belgische banken (financiële instellingen en spaarkassen inbegrepen) 178,6 miljard frank; in 1993 was dat gestegen tot 1.937,2 miljard. In 1967 beliep het totaal aan termijndeposito's bij dezelfde instellingen 316,7 miljard; in 1993 was dat 2.267,2 miljard.

Is het dan zó simpel? Kunnen de banken dan geld 'toveren' naar willekeur? Helemaal niet, er zijn grenzen.

Er is het permanente gevaar van inflatie. Wanneer de geldhoeveelheid in omloop (rekening houdende met de omloopsnelheid) sterker groeit dan de totale prijs van alle goederen en diensten op de markt, deprecieert de munt: haar koopkracht daalt. De inflatie betekent niet - of niet meer - dat de regering te veel bankbiljetten laat drukken, maar wel dat zij een lakse kredietpolitiek voert.

In een democratische samenleving is het de taak van de overheid, door een aangepaste munt- en kredietpolitiek, de aangroei van de geldvoorraad in evenwicht te brengen, en te houden, met de expansie van de produktie... en met het behoud of de expansie van de arbeidsgelegenheid.

V.-

Het eerste middel daartoe is de invoering van een grens aan de mogelijkheid tot muntcreatie door de banken. Hoe gebeurt dat?

In principe kan elke houder van een zichtrekening op elk moment zijn tegoed opvragen bij zijn bank. Indien alle rekeninghouders dat inderdaad allen samen zouden doen, zou elke bank steeds alle geld dat haar werd toevertrouwd, in cash beschikbaar moeten houden, en zou zij geen frank 'nieuw geld' kunnen maken. Maar een lange ervaring heeft geleerd dat zoiets niet gebeurt. Er is elke dag slechts een gering verschil tussen de totale som, door de rekeninghouders opgenomen bij hun bank, en de totale som door hen gestort bij de bank. En die verschillen, positief of negatief, neutraliseren elkaar op korte termijn. Een bank is dus 'veilig' wanneer zij een klein percentage van alle, bij haar gedeponeerde gelden, 'beschikbaar' houdt. Dat zijn haar 'reserves', bestaande uit bankbiljetten, maar ook uit andere effecten die voldoende liquide zijn om snel in baar geld te worden omgezet, zoals bv. schatkistcertificaten. Het saldo, het verschil tussen de deposito's en de reserves, vormen de 'vreemde middelen' waarmee o.m. kredieten worden verleend en dus nieuw geld gemaakt.

Om het evenwicht van het banksysteem als geheel te waarborgen, en meteen de muntcreatie onder controle te houden, legt de overheid aan de banken een liquiditeits-ratio of dekkingscoëfficiënt op. Elke bank moet bv. 10% van het bij haar gedeponeerd bedrag 'in reserve' houden. Bij een dekkingscoëfficiënt van 10% kan het banksysteem in zijn geheel, ingevolg het ping-pongeffect hierboven beschreven, nieuw geld creëren ten belope van tien keer elke frank die van buitenuit in de bankgeldcirculatie binnendringt en er voor het eerst op een willkeurige depositorekening wordt gestort. Wordt de dekkingscoëfficiënt opgetrokken tot bv. 20%, dan vermindert de multiplicator tot vijf.

Door de liquiditeitsratio van de banken lichtjes te wijzigen kan de overheid dus de monetaire massa aanzienlijk uitbreiden of inkrimpen. Gezien de belangrijke economische gevolgen hieraan verbonden, gaat de overheid zeer voorzichtig en spaarzaam om met dit controle-instrument.

VI.-

Het tweede instrument ter controle van de muntcreatie, is de disconto-voet, vastgesteld door de Nationale Bank.

De banken beschikken over een kredietlijn bij de Nationale Bank, waarmee zij hun wettelijke reserves kunnen verhogen of verlagen. Op dat krediet betalen zij aan de banken uiteraard een intrest, 'disconto-voet' genoemd. Deze disconto-voet ligt normaal lager dan de intrest die de banken zelf aan hun klanten aanrekenen.

Bij dalende conjunctuur, wanneer de investeringen stilvallen en de vraag naar kredieten aanzienlijk daalt, stijgen de reserves van de banken tot boven de wettelijk opgelegde coëfficiënt. Zij zullen dan deze slapende middelen gebruiken om hun kredietlijn bij de Nationale Bank te verkleinen, en zo het inkomstenverlies te compenseren met de vermindering van de rente die zij aan de Nationale Bank moeten betalen. Het omgekeerde gebeurt natuurlijk wanneer de vraag naar kredieten toeneemt, bij stijgende conjunctuur.

Nu zal de Nationale Bank zelf, in overleg met de overheid, de discontovoet verhogen, wanneer zij oordeelt dat de conjunctuur 'verhit', of integendeel deze discontovoet verlagen, wanneer zij de conjunctuur wil aanwakkeren. Zij moedigt de banken aan om hun wettelijke reserves te verlagen, door een verhoging van de discontovoet, of te verhogen, door een verlaging van de discontovoet. Wij hebben hierboven aangetoond hoe elke verhoging van de reserves van het banksysteem met 1.000 frank, de banken toelaat de geldomloop te verhogen met tien keer of vijf keer 1.000 frank, naargelang de dekkingscoëfficiënt 10% of 20% bedraagt. Omgekeerd vermindert de monetaire massa in omloop, in dezelfde verhouding, wanneer de reserves van de banken verminderen.

Vermits een Nationale Bank elke dag haar discontovoet kan wijzigen, is dit een zeer efficiënt en ook soepel instrument om de geldomloop en dus de conjunctuur te controleren. De media volgen dan ook met aandacht elke wijziging van de discontovoet, niet alleen door onze Nationale Bank, maar ook en vooral door de Deutsche Bundesbank of de Federal Reserve.

VII.-

Ten slotte beschikt de overheid zelf nog over een derde, rechtstreeks instrument om in te grijpen in de muntcreatie: door middel van de uitgifte - of de inkoop - van schatkistcertificaten of ander kortlopend overheidspapier.

Indien de regering de geldhoeveelheid wil verminderen, kan zij voor een bepaald bedrag aan kortlopende schulderkenningen van de schatkist te koop aanbieden op de markt, uiteraard tegen een hogere rentevoet dan de geldende marktrente. In de mate dat 'het publiek' (dat zijn in feite de grote beleggers die toegang hebben tot deze markt), deze effecten aankoopt, om van een hogere rente op korte termijn te genieten, zal het globale bedrag van de beschikbare deposito's bij de banken met eenzelfde bedrag verminderen, en bijgevold daalt de mogelijkheid van de banken tot muntcreatie met tien keer dat bedrag (bij een dekkingscoëfficiënt van 10%).

Dit alles veronderstelt natuurlijk dat de kastoestand van de regering voldoende ruimte biedt om effecten in te kopen, en dat de stand van de overheidsschuld toelaat effecten aan te bieden, wat de laatste jaren nog zelden het geval is. De wijzigingen van de disconto-voet zijn dan ook de laatste tijd het voornaamste instrument geworden, waarover de regeringen nog beschikken om in te grijpen in de muntcreatie, de kredietverlening en het conjunctuurverloop.

VIII.-

De klassieke redenering die ten grondslag ligt aan de muntcontrole, als voornaamste instrument van de conjunctuurpolitiek, is wel algemeen gekend:

  1. Wanneer de geldvoorraad vermindert, stijgt de rentevoet en worden de kredieten duur en schaars. Groeit de monetaire massa, dan daalt de rentevoet en wordt het krediet goedkoop en alom verkrijgbaar.
  2. Wordt het krediet schaars en duur, dan dalen de investeringen, en omgekeerd.
  3. Dalende investeringen leiden tot lagere consumptie, prijsdaling en stijgende werkloosheid. Wordt er meer geïnvesteerd, dan stijgen consumptie en prijzen, en daalt de werkloosheid.

Nu blijkt wel uit de feiten en cijfers dat deze klassieke redenering niet meer opgaat. Sinds het multinationaal kapitaal, door de invoering van de vrije circulatie van kapitalen, erin geslagd is de kapitaalstroom internationaal te kanaliseren naar de financiering van de expansie van de hoogtechnologische nijverheid, is er geen correlatie meer tussen stijgende investeringen en daling van de werkloosheid, wel integendeel. Niettemin blijft dit klassieke schema het evangelie van politici en vakbondsleiders. Wij zullen later op deze contradicties terugkomen.

Ondertussen is het wèl juist dat, in een nationale economie, de muntcontrole een onmisbaar instrument is van elke economische en sociale politiek. Maar ook in de gewijzigde spelregels van het huidige, multinationale kapitalisme, is de controle over de muntcreatie een essentieel onderdeel van de groeistrategie van het industrieel-financieel kapitaal.

IX.-

Het is zonder meer evident dat, met de invoering van de Europese eenheidsmunt, alle betrokken regeringen de mogelijkheid verliezen om nog efficiënt in te grijpen in het conjunctuurverloop.

Zeker, er bestaan - of bestonden - nog andere middelen om dat doel te bereiken. Er was, tot vóór enkele jaren, de directe controle over de kapitaalstromen, resultaat van de scheiding tussen het industrieel-financieel kapitaal enerzijds, en de kapitalen gevormd door de kleine spaarders en de instellingen die de 'sociale reserves' beheerden anderzijds. Deze scheiding tussen twee afzonderlijke kapitaalmarkten, met de eraan gekoppelde controle van de internationale transferten, liet de regeringen toe een selectieve investeringspolitiek te voeren, waarbij de dienstensector met zijn hoog tewerkstellingspotentieel aan zijn trekken kon komen. Maar met de vrije circulatie van kapitalen werd hieraan een einde gesteld.

Blijft dan nog de fiscale politiek: met belastingsverhoging of -verlaging ingrijpen op de consumptie, in de - onzekere - hoop daardoor de investeringen en de werkgelegenheid te beïnvloeden. Een gevaarlijk middel dat ook een tegengesteld effect kan sorteren. Maar ook hier hebben de nationale regeringen praktisch geen enkele speelruimte meer, gezien de alom heersende, precaire budgettaire toestanden. En na de invoering van de eenheidsmunt zal de Europese technocratie ook hier de teugels strakker aanhalen. De 'harmonisatie-maatregelen', reeds voorzien in het Verdrag van Rome, zullen dan volop worden aangewend.

De overheveling van de controle op de muntcreatie naar de supranationale instellingen vormt dus de kroon op het werk. Het is de laatste en beslissende stap naar de uitschakeling van elke democratische beslissingsmacht in de economie, dit is in de welvaart en de werkgelegenheid van de bevolking.

X.-

De invoering van de Europese eenheidsmunt is opgebouwd als een tweetrapsraket. Eerst wordt de muntcontrole overgeheveld van nationaal naar supranationaal niveau. Meteen - en dat is de tweede trap - wordt zij op dat supranationaal vlak uit de handen genomen van de Raad van Ministers, en onder de uitsluitende bevoegdheid geplaatst van een groepje experten van de internationale financie. Er wordt immers meteen een Europese Centrale Bank opgericht, naar het model van de Federal Reserve van de Verenigde Staten, waarvan de bestaande Nationale Banken als ondergeschikte succursales zullen functioneren. Het essentiële verschil met de Federal Reserve is echter dat deze onderworpen is aan het Amerikaans Congres, terwijl de Europese Centrale Bank volledig zelfstandig zal worden geleid door enkele topfiguren van het multinationaal kapitaal, in volledige onafhankelijkheid van elke beslissing, tussenkomst of beïnvloeding van de Europese Ministerraad. Van het Europese marionettenparlement is er uiteraard geen sprake in dit scenario.

Nooit werd het ondemocratisch opzet van het multinationaal kapitaal schaamtelozer ten toon gespreid.

Dat een nationale regering en parlement, bij de bepaling van de te voeren economische politiek, uit electoraal zelfbehoud rekening moeten houden met de democratische wil van het volk, hoeft geen betoog. Maar ook de ministers die op supranationaal vlak de beslissingen van de Europese technocratie moeten ratificeren, zouden onder onrechtstreekse druk van de volkswil in hun respectieve naties, wel eens kunnen bezwijken voor de verleiding om het uiterst belangrijke instrument van de muntcontrole aan te wenden, niet in het belang van de multinationale industrie en financie, maar om de schreeuwende nood van de miljoenen armen en werklozen te verlichten. En dat moet ten allen prijze voorkomen worden.

Wie nu nog meent dat het zgn. 'democratisch deficit' van de Europese instellingen een betreurenswaardig maar toevallig nevenverschijnsel is, dat mits enige inspanning van de 'democratische krachten' wel gecorrigeerd zal worden, is wel erg naïef. De uitschakeling van de democratie is de noodzakelijke voorwaarde, opdat het nieuwe wereldsysteem zou kunnen functioneren. En de uitschakeling van de democratie is slechts mogelijk door de verdwijning van de nationale staat als basis van de maatschappelijke ordening.