Nummer 121


Interview | november 2006


Brigitte Grouwels: "Laat ons een test doen, laten we de aanhechting van Waterloo bij Brussel vragen!" (Bernard Daelemans)<< Nummer 121

Na de verkiezingen van volgend voorjaar komen er weer communautaire onderhandelingen, zo luidt de verwachting. Vlaanderen is vragende partij om meer sociaal-economische hefbomen in handen te krijgen. Maar ook Brussel heeft zijn verzuchtingen. Minister-president Charles Picqué schreeuwt al jaren van de daken dat Brussel niet genoeg geld krijgt. Minister Guy Vanhengel treedt hem bij. Vanhengel heeft al meer dan één pleidooi gehouden voor een 'Brussels front' van Franstalige en Nederlandstalige Brusselaars. Aan Franstalige kant zijn de reacties nogal lauw. Nu wil Vanhengel, blijkens een interview in De Standaard, een Vlaams overleg binnen het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, het bestuur van de Brusselse Vlamingen, waar naast hemzelf ook de andere leden van de Brusselse regering in zitten: Pascal Smet (SP.a) en Brigitte Grouwels (CD&V). Met deze laatste heeft Vanhengel wel een probleem: ze spreekt N-VA-taal, ze is het alter ego van Olivier Maingain, en bovenal nog een aangespoelde Limburgse... Meervoud vroeg de Brusselse staatssecretaris om een reactie, en peilde naar haar visie omtrent de toekomstige staatkundige verhouding van Vlaanderen en Brussel.

-Mevrouw Grouwels, mogen wij u feliciteren als nieuw lid van de N-VA?

Brigitte Grouwels (geamuseerd): Ik heb de beste relaties met onze vrienden van de N-VA, maar dat wil niet zeggen dat ik het met hen op elk punt eens ben. Waar CD&V en N-VA van elkaar verschillen is genoegzaam bekend. Maar dat vormt geen obstakel om constructief samen te werken.

- Maar u staat wel op één lijn met Olivier Maingain...

Brigitte Grouwels (lacht schamper): Wel, ik heb tekst en uitleg gevraagd aan collega Vanhengel. Hij vond dat hij op die manier publiciteit maakte voor mij, maar ik kan dit niet waarderen. Ik vind Olivier Maingain nog altijd een onverdraagzaam iemand. Vanhengel zei: 'Misschien begin ik Maingain anders te zien'. Hoe dan ook ik vind het allesbehalve dat men mij op een lijn plaatst met Olivier Maingain of met het Vlaams Belang. Overigens begrijp ik totaal niet dat Guy Vanhengel enerzijds verkondigt dat er overleg gepleegd moet worden op het College van de VGC, maar anderzijds stelt dat er met een van de drie collegeleden niet te praten valt. Dat is wel zeer inconsequent. Ik ben natuurlijk nooit tegen een ge-sprek geweest. Als we de kans krijgen om in 2007 in het kader van een staatshervorming iets te doen voor Brussel en voor de Vlamingen in Brussel, dan moeten we dat samen voorbereiden, dat vind ik wel. Een eendrachtig Vlaams-Brussels standpunt is altijd makkelijker te verdedigen in onze respectieve partijen. Een dergelijke werkwijze heeft in het verleden zijn bruikbaarheid bewezen.

Tienpuntenprogramma's destijds van Hugo Weckx en Vic Anciaux werden in het Vlaams parlement aanvaard zonder een komma te wijzigen. Een dergelijke formule is voor mij aanvaardbaar, al heeft de Vlaamse Gemeenschapscommissie natuurlijk geen enkele bevoegdheid terzake. Onze taak is het regeerakkoord van de VGC uitvoeren. Maar een gesprek met collegeleden, met parlementsleden, of met het ruimere middenveld van Brussel, daar ben ik zeker niet tegen.

- Maar tegelijkertijd schoffeert hij al een van de gesprekspartners. Zit het er al niet van in het begin tegen? U wordt in het college amper gedoogd...

Brigitte Grouwels: ze hebben misschien niet veel ervaring om met een vrouw samen te werken. In het vorig college en in de vorige Brusselse regering zat er geen enkele vrouw. Er is natuurlijk altijd een zekere spanning omdat iedereen zijn eigen beleidsdomein zo goed mogelijk wil behartigen. Iedereen tracht het laken van de financiën naar zich toe te halen. Dat is het normale spel. Het is zeker niet zo dat we mekaar onuitstaanbaar vinden, maar af en toe vallen er harde woorden.

- Als Limburgse bent u toch een vreemde eend in de Brussele bijt?

Brigitte Grouwels: Ik vraag me eerlijk gezegd af wat men zou zeggen moest Vanhengel dat zeggen over al die Marokkaanse en Turkse Brusselaars die hier nu dertig jaar wonen in Brussel, dat die hier quantité négligeable zijn, dat die geen enkele positieve inzet hebben voor de stad. De wereld zou te klein zijn. Ik woon hier al meer dan dertig jaar, dat is langer dan Pascal Smet, meer dan de helft van mijn leven heb ik me hier geëngageerd. Ik zou niet verkozen zijn, ik zou niet in de Brusselse regering zitten moest ik me niet hebben ingezet voor deze stad. Ik vind dat een buitengewoon goedkoop argument. Overigens meen ik te weten dat Guy Vanhengel ook ergens Limburgse roots heeft. Overigens, Limburgers kunnen Brussel ook iets bijbrengen. Limburg heeft altijd een heel positieve werking gehad rond integratie van mensen die van elders komen. Ik heb daar heel wat meer positieve dingen van opgestoken dan wat ik hier soms tegenkom. Ik denk niet dat er iets mis mee is om positieve ervaring in te brengen.

- Dit gezegd zijnde, er zal inderdaad gepraat moeten worden. Guy Vanhengel schuift het onderwerp van de financiering van Brussel naar voor.

Brigitte Grouwels: Wat me opvalt in het lijstje van Guy Vanhengel is dat hij vooral de financieringsbehoeften van Brussel naar voor schuift. Er wordt in het geheel niet gerept van een aantal andere kwesties die we hier graag zouden opgelost zien. We hebben het dan over de positie van de Vlamingen in Brussel, die van de ene kant niet slecht is, maar zeker nog voor verbetering vatbaar. We hebben het over de tweetaligheid. De toekomst van Brussel zal niet positief zijn als die tegen Vlaanderen of tegen Wallonië wordt opgebouwd. Ik pleit al heel lang voor een positieve samenwerking, voor een belangengemeenschap van Brussel en Vlaanderen. Daar spreekt Guy Vanhengel niet over. Daar ligt nu juist de toekomst van Brussel gebonden. De hoofdstedelijke functie van Brussel moet beter uitgewerkt worden en dan kan er inderdaad over financiering gesproken worden, want dan gaat het over wederzijdse belangen die echt ter harte genomen worden. Dat lijkt me een veel realistischer invalshoek dan nu allerlei zaken te gaan eisen, bijna tegen Vlaanderen in. Ik begrijp het niet: de eisen die hij formuleert zijn bijna tégen het Vlaamse discours in, alsof wij hier als Vlamingen in Brussel sterk zouden staan zonder de stevige ruggensteun vanuit Vlaanderen. Vlaanderen investeert ontzettend veel in Brussel. Dat wordt nooit in de rekening gebracht als men het heeft over de financiering van Brussel. Ik vind het geen gezonde invalshoek. Het is ook fout om zo'n debat aan te trekken in de pers; we zouden daar beter in alle rust, in de luwte over praten.

- In welke mate zal Brussel effectief ter sprake komen op de onderhandelingen in 2007?

Brigitte Grouwels: Dat is natuurlijk de eerste en de belangrijkste vraag. Die verkiezingen moeten eerst nog plaatsvinden. We kunnen nooit vooruitlopen op een verkiezingsuitslag. De CD&V zal zeker Brussel, maar vooral andere thema's op tafel leggen, omdat de CD&V uitdrukkelijk een hervorming wil. Of de CD&V die rol zal kunnen spelen hangt echter af van de verkiezingsuitslag. We weten nu al dat het de natte droom van Guy Verhofstadt is om opnieuw een paarse regering te vormen. De CD&V moet incontournable worden. Anders staan we aan de kant. Paars gaat dan verder en het blijft aanmodderen. De verkiezingen worden dus cruciaal indien men wil dat er verandering komt. Overigens, bevoegdheidsoverdrachten die er zullen komen, zijn er niet voor het plezier van te hervormen. Het gaat om onze overtuiging dat die een beter bestuur zullen in de hand werken.

- Minister-president Yves Leterme heeft onlangs op een bijeenkomst van het VOKA-Brussel verklaard: "Brussel is een moeilijk lief, maar Vlaanderen is een vastberaden minnaar".

Brigitte Grouwels: Het heeft mij bijzonder verheugd dat de minister-president dat gezegd heeft. Dat betekent dat Vlaanderen een blijvende belangstelling koestert in Brussel. Ik weet immers dat er in Vlaanderen ook stemmen opgaan om Brussel maar te laten voor wat het is, en met Vlaanderen een eigen weg op te gaan. Dat zou een historische vergissing zijn. Brussel is tenslotte een economische motor. Vlaanderen heeft een effectieve macht en inspraak in Brussel, hoofdstad van Europa. Dat zou men zomaar laten vallen. Het is nog niet eens zeker dat Europa dan in Brussel verankerd zou blijven, als Brussel niet langer de hoofdstad is van België. Ik blijf dan ook het confederale model verdedigen.

- Dat is ook de stelling van Leterme: Brussel moet meer zijn hoofdstedelijke rol ter harte nemen, met instellingen die democratisch gelegitimeerd zijn vanuit zijn bewoners, maar met inspraak voor de deelstaten waar Brussel hoofdstad van is.

Brigitte Grouwels: Op dit ogenblik worden er voor de hoofdstedelijke rol alleen middelen aan Brussel toegespeeld vanuit het federale niveau. Die middelen, het BELIRIS-fonds, vormen een soort compensatie voor de internationale en hoofdstedelijke rol. Over de aanwending van die middelen bestaat eigenlijk geen enkele vorm van samenspraak. Het zou interessant zijn mochten ook de twee andere deelstaten kunnen deelnemen aan de financiering, maar wel met samenspraak. Brussel zou er natuurlijk zijn zeg in behouden op gelijke voet met de andere deelstaten, het gaat tenslotte om beslissingen die betrekking hebben op het Brusselse grondgebied.

- Die federale dotatie is wel sinds 1999 al behoorlijk opgetrokken.

Brigitte Grouwels: Inderdaad. Aanvankelijk ging het om twee miljard BEF per jaar, vandaag de dag is gaat het om een bedrag van jaarlijks 100 miljoen euro (4 miljard BEF). Dat zijn al aanzienlijke bedragen, en daar worden ook heel wat projecten mee gefinancierd, maar het is nooit van harte. Er is weinig of geen samenspraak over, en dat heeft vooral te maken met de opstelling van Brussel zelf. Men stelt zich op als een eiland in dit land. Men kan zich dit niet voorstellen als het over Parijs gaat: 'on est une ville part entire' en de rest van Frankrijk heeft hier niets te zeggen. Maar Brussel wil alles alleen op zichzelf doen. Er zijn vele terreinen waarop er tussen Brussel en Vlaanderen positieve synergie-effecten kunnen ontstaan, ook met Wallonië natuurlijk. Om maar een voorbeeld te geven: de uitbreiding van de Europese Unie met tien nieuwe lidstaten, en straks nog twee nieuwkomers. De federale staat draagt zorg voor de kantoorbehoeften van al die nieuwe diensten, maar er gaat geen enkele aandacht naar het effect hiervan op de woningmarkt. Daarover wordt nooit overleg gepleegd met Brussel. Dit is een absurde situatie. Men zou moeten kunnen komen tot een samenwerkingscommissie waar dergelijke thema's op evidente wijze zouden besproken worden, en waar zowel de federale staat, Brussel, Vlaanderen en Wallonië in vertegenwoordigd zijn, en misschien ook de Europese Unie.

- Dat is het model dat het VOKA gelanceerd heeft in zijn publicatie 'Brussel, het kapitale netwerk'.

Brigitte Grouwels: Dat model steun ik al heel lang. Bovendien zeg ik: als blijkt dat Wallonië minder belangstelling zou hebben voor bepaalde beleidsaspecten, laten we mekaar dan niet afremmen. Het moet een soepele structuur zijn, geen nieuw wafelijzer.

- De resoluties over de staatshervorming van het Vlaams parlement van maart 1999 stellen onder meer dat de deelstaten (Vlaanderen en Wallonië) in Brussel de hoofdverantwoordelijkheid moeten krijgen omtrent spoorwegen, landbouw, buitenlandse handel... voor een aantal andere materies, zoals huisvesting, staat er dat de deelstaten naast het Brussels Gewest zouden kunnen optreden op het Brussels grondgebied.

Brigitte Grouwels: Die tekst is in het Vlaams parlement zo opgesteld, en daar hebben ook Brusselaars aan meegewerkt, vanuit de verzuchting dat op die manier bijvoorbeeld een aantal huisvestingsprojecten sneller zouden kunnen gerealiseerd worden.

Nu gaat dat bijzonder traag. Op de manier die toen werd voorgesteld zou je al twee investeringsoverheden hebben in die sector. Ik denk nu niet dat dit het eerste punt zal zijn in de komende onderhandelingen. Het zal eerder gaan over de sociaal-economische bevoegdheden. Er is ook een heel belangrijk aspect van financiering van de gewesten in de tekst van die resoluties terug te vinden. Men vraagt de regionalisering van de vennootschapsbelasting. Dat is voor Brussel wél interessant. Gezien het aantal vennootschappen dat in Brussel gevestigd is zou men in Brussel zeer goed af zijn met zo'n financiering. Men moet alleen opletten dat er geen te grote discrepantie ontstaat tussen de gewesten als men afcentiemen gaat uitvaardigen.

- Het VOKA heeft dit punt ook kort geleden weer aan de orde gesteld.

Brigitte Grouwels: De Brusselaars kunnen daar niet tegen zijn, want het is interessant voor Brussel. Voor Wallonië is het minder interessant. Hoe dan ook, het speelt ook Wallonië een instrument in handen om via een gunstig fiscaal regime bedrijven aan te trekken en de eigen economie aan te zwengelen. Een ander probleem is de waarschuwing van het IMF dat bezorgd is over het feit dat de federale staat ingevolge de opeenvolgende stappen in de staatshervorming steeds krapper bij kas komt te zitten. We zullen vermoedelijk eerder de weg opgaan van een gedeeltelijke overheveling.

- Goed, maar als dit perspectief ook voor Brussel zo gunstig is, hoe kan er dan tegemoet gekomen worden aan het euvel van de manke toepassing van de taalwetgeving?

Brigitte Grouwels: We willen natuurlijk dat men tot een echte tweetaligheid komt in de feiten. Maar hoe kun je in een wet inbrengen dat de Franse gemeenschap meer moet investeren in de kwaliteit van haar onderwijs Nederlands?

- Uw collega Vanhengel wil wel op het institutioneel overleg aan de taalwetgeving sleutelen. Hij wil op gemeentelijk vlak de eentaligheid van de ambtenaar invoeren.

Brigitte Grouwels: Dat begrijp ik totaal niet. Hij moet toch weten hoe de administratie werkt. Ik ben zelf binnen de Brusselse regering bevoegd voor de ambtenarij. Het stelsel van eentalige ambtenaren dat hij op gemeentelijk vlak wil invoeren bestaat nu al op het gewestelijk niveau. (Tot nader order geldt voor het gemeentelijk niveau de vereiste van tweetaligheid voor elke ambtenaar). Op gewestniveau stel ik vast dat de eentaligheid van de ambtenaar er de facto toe leidt dat sommige diensten uitsluitend in het Frans werken. Er is zelfs een gewestdienst (Economische Expansie, denk ik) waar de meerderheid van de ingediende dossiers Nederlandstalig zijn. Doordat alle ambtenaren Franstalig zijn moeten al die Nederlandstalige dossiers eerst vertaald worden in het Frans. Dan formuleert men een antwoord, dat dan weerom in het Nederlands moet omgezet worden. Dat is absurd! Ik ben absoluut voorstander van de tweetaligheid van de ambtenaren.

- Dat is trouwens ook de stelling van het Vlaams parlement: in zijn resolutie van 1999 vraagt men dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest eveneens op een systeem van individuele tweetaligheid zou overschakelen. Dat is het tegenovergestelde van wat Guy Vanhengel bepleit.

Brigitte Grouwels: Dat is inderdaad het tegenovergestelde. Daar is ook al sterk tegen gereageerd. Zoals ik al zei zijn op dit ogenblik vele Vlaamse gewestambtenaren verplicht om in het Frans te functioneren. Als gewestminister probeer ik in de administratie een sfeer te brengen dat men het aangenaam vindt, zelfs sexy om de andere taal te spreken met elkaar. Daartoe heb ik een taalcoördinator aangeworven. Die moet dat stimuleren. Men heeft per slot van rekening een unieke leersituatie doordat men met anderstaligen collega's samenwerkt. Dat zou tof moeten zijn. Voorts proberen we de taalpremies op te krikken. Op dit ogenblik geniet 32,8% van de 1.509 gewestambtenaren van zo'n taalpremie doordat ze op vrijwillige basis een taalattest hebben behaald. Het bedrag van die premie is wel aan de lage kant. Ik bepleit bij de federale minister van financiën Didier Reynders dat hij fiscale vrijstelling zou verlenen voor deze taalpremies. Hij bestudeert dit voorstel nu. Maar alles bij elkaar blijft dit een aanmoedigingsbeleid. Ik zou zeker niet willen dat men een dergelijk vrijblijvend systeem in de gemeenten zou invoeren. We zitten ook al met prangende problemen bij de politie. Federaal minister Dewael heeft nog eens toegestaan dat men tot 2007 de huidige 'overgangssituatie' handhaaft, zodat niet-tweetalige agenten kunnen blijven aangeworven worden. Dat doet me denken aan de geschiedenis van het taalhoffelijkheidsakkoord. Op zich leek me dat een goed akkoord: mensen aanwerven die dan twee jaar de tijd krijgen om het taalbrevet te verwerven. Maar dan moest men het ook uitvoeren als puntje bij paaltje kwam. Wie niet geslaagd was mocht dan niet weerhouden worden. En zo is het niet gelopen.

- Binnen de Vlaamse beweging heerst de mening dat de taalwetgeving als dusdanig goed in mekaar zit, maar dat het probleem berust bij de sanctionering. De Brusselse regering heeft verschillende keren taalakkoorden gefabriceerd die door de Raad van State afgeschoten zijn. Noch die taalakkoorden, noch de eigenlijke wet worden nu toegepast.

Brigitte Grouwels: Na de vernietiging van het vorige taalhoffelijkheidsakkoord hebben we getracht een taalakkoord te maken dat de toets van de Raad van Sate zou doorstaan. Persoonlijk was ik voorstander van het eerste taalhoffelijkheidsakkoord. Dat dong enigszins af op de taalwetgeving die stelt dat Brussels gemeentepersoneel moet voldoen aan de tweetaligheidsvereiste vóór aanwerving. Men gaf de mensen twee jaar de tijd om het attest te behalen. Maar na twee jaar heeft men een jaar uitstel bedongen, dan nog eens een nieuw uitstel van twee tot vier jaar met een nieuw taalhoffelijkheidsakkoord. Het is pas op dat ogenblik dat de Vlaamse verenigingen de zaak aanhangig gemaakt hebben bij de Raad van State. Dat akkoord werd vernietigd, het taalakkoord van de huidige regering werd eveneens vernietigd. Op dit ogenblik wachten we het rapport van de vice-gouverneur af. Er is over die zaak ook nog niet genterpelleerd in het parlement. Dit is een zeer onverkwikkelijke situatie. We hebben ons politiek geëngageerd om de situatie in de gemeenten op te volgen zodat de toestand in de gemeenten er niet op achteruit gaat. Minister-president Charles Picqué wordt geacht dat verder in het oog te houden. Het tweede taalrapport van de vicegouverneur zou daar enig licht op moeten werpen. Dit zou een thema van onderhandelingen moeten worden. De sanctioneringsmechanismen zouden moeten worden omgekeerd. Op dit ogenblik blijven de schorsingen van de vice-gouverneur zonder gevolg, zolang de politieke voogdij-overheid niet optreedt. Ik zou dat graag omgekeerd zien, zodat een schorsing door de vice-gouverneur onmiddellijk effectief is, tenzij de Brusselse regering daar anders over oordeelt. Het beste zou zijn dat iedereen tweetalig is, dan is het probleem van de baan. Daarom verheug ik me erover dat er zoveel anderstaligen Nederlands leren.

- De overheid staat in voor duizenden jobs, waar die formele tweetaligheidsvereiste geldt. Als de overheid het signaal zou geven dat het menens is door te sanctioneren, zou dat ook een effect hebben op de mensen om de taal te leren.

Brigitte Grouwels: Dat was het voordeel in het eerste taalhoffelijkheidsakkoord. De Franstaligen gaven aan dat ze bereid waren op te treden na een testperiode van twee jaar. Maar als puntje bij paaltje kwam, kwamen we bedrogen uit. De Vlamingen zijn de groep die door de taalwetgeving moet beschermd worden, maar zij zijn ook de groep die het zwakste staat om de toepassing van de wet af te dwingen. Dat is erg onverkwikkelijk. Vandaar de noodzaak van het aanpassen van het sanctiemechanisme.

- Uw collega Pascal Smet horen we nooit iets zeggen over taalkwesties, maar wel over een eventuele uitbreiding van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Brigitte Grouwels: Dat zijn dingen die me ongelooflijk verbazen. Wil hij opvallen? Telkens als hij dit zegt, en blijkbaar heeft hij dat nu weer gedaan in het debat in de KVS deze week, dan geloof ik mijn oren niet. Hij praat de Franstaligen na in hun meest extreme stelling die ze zijn beginnen te hanteren om de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde tegen te houden. In ieder ander land ter wereld, als men begerig kijkt naar het grondgebied over de grens, dan wordt dat als een oorlogsdaad beschouwd. Dat getuigt van een ongelooflijke agressie. Kennelijk worden die uitlatingen in Vlaanderen beschouwd als flauwe zever. Maar ik houd mijn hart vast. Ik ben toch verrast dat noch Guy Vanhengel noch Pascal Smet worden teruggefloten door hun eigen partijen. In de onderhandelingen over Brussel-Halle-Vilvoorde is Guy Verhofstadt zeer ver gegaan in mogelijke toegevingen onder meer wat betreft de invloed van de Franstaligen in Vlaanderen. Onbegrijpelijk, maar gelukkig is dat niet doorgegaan, dank zij de houding van Spirit. Laat ons een test doen, laten we de aanhechting van Waterloo bij Brussel vragen... Dat zou ogenblikkelijk sterke reacties uitlokken in Wallonië. Ik kan de houding van bepaalde partijen alleen maar begrijpen vanuit de doelstelling om Paars ten allen prijze in stand te houden. Dat gebeurt uiteraard met de zegen van de PS in Wallonië, maar wat de CD&V betreft is dat njet.

Ook Guy Vanhengel heeft iets zorgwekkend voorgesteld. Hij zou een referendum willen organiseren in de faciliteitengemeenten om te weten of ze bij Brussel willen horen of niet. De redenering is dat de Franstalige inwoners uiteindelijk toch niet bij Brussel willen komen, omdat het Brussels belastingsstelsel minder aantrekkelijk is. Ik geloof daar niet in. De Franstaligen in de rand zullen politiek antwoorden. Dus vind ik dit een bijzonder gevaarlijk voorstel. Ik ben niet al te fel voorstander van referenda, maar als men er dan toch een wil houden, kan men ook in een nationaal referendum de vraag stellen naar de wenselijkheid van de privilegies van Franstaligen in gans België.

- Intussen zijn er gemeenteraadsverkiezingen geweest. Hoe kijkt u daar tegen aan?

Brigitte Grouwels: De CD&V heeft zijn objectief waargemaakt. Het is via een moeilijke strategie verlopen, door samenwerking met CDH of met lijsten van de Burgemeester. We wilden op die manier ook zekerheid over beleidsparticipatie. Dat is een lonende strategie gebleken, want we hebben thans zes schepenen (voorheen twee). Het aantal gemeenteraadsleden blijft gelijk, we zijn de belangrijkste Vlaamse partij. Ook de Vlamingen als geheel komen er goed uit. Het valt natuurlijk te betreuren dat er nog altijd twee gemeenten zijn waar geen Vlaamse schepen is. In Oudergem was er geen Vlaamse verkozene, dus ook geen schepen. Ik hoor nu dat er wel een OCMW-mandaat in zit. In Sint-Lambrechts-Woluwe gaat het om manifeste onwil. Daar staat tegenover dat er nu drie gemeenten zijn met twéé Vlaamse schepenen Ganshoren, Sint-Agatha-Berchem, Molenbeek, wie had dat gedacht?

- De gemeenten zijn ook voorwerp van institutioneel debat. Guy Vanhengel wil een stuk gemeentelijke bevoegdheden overhevelen naar het gewest. Hoe staat u daar tegenover?

Brigitte Grouwels: Voor mij is het ideaalbeeld nog altijd een volledige fusie van de gemeenten, gekoppeld aan een decentralisatie naar districten. Ik was onlangs in Atlanta voor een internationaal congres. Daar was ik in gezelschap van de viceburgemeester van Montréal, mevrouw Francine Senécal. Die heeft mee de grote fusie van Montréal gerealiseerd tien jaar geleden. Dat was overigens ook haar grote motivatie om in de politiek te stappen. Ze stelde dat de stad Montréal nooit zo tot ontplooiing was kunnen komen zonder de fusie. Zij hebben wel ook meteen een decentralisatie naar districten doorgevoerd, die zekere bevoegdheden hebben. Ook de politie werd samengevoegd én gedecentraliseerd. Op wijkniveau werd ook burgerinspraak georganiseerd. Persoonlijk ben ik er met de dag meer en meer van overtuigd dat een fusie van de Brusselse gemeenten iets is waar iedereen wel zou bij varen. Het probleem is dat de Franstaligen onmiddellijk communautaire demonen ontwaren achter dergelijke voorstellen, terwijl dit voorstel voor mij hoegenaamd geen communautaire geladenheid bevat - ik zweer het! Maar Franstaligen redeneren: ja de Vlamingen willen een fusie, want op gewestniveau hebben ze meer te zeggen. Jammer dat ze het zo zien. Wat zeker wel haalbaar is, dat is de overheveling van een aantal bevoegdheden naar het Gewest. De geesten zijn daar rijp voor, zoals Vanhengel ook zegt. Voor een aantal bevoegdheden is het echt aangewezen, ik denk aan mobiliteit, veiligheid,... Konden we maar naar één politiezone gaan. Er zijn heel wat anomalieën: negentien gemeenten, negentien verschillende belastingssystemen. Dat schept oeverloze rompslomp voor bedrijven maar ook voor de inwoners. In de rijkste gemeenten betalen ze minder belasting dan in de armste gemeenten. Er is geen solidariteit tussen de gemeenten. Er gaan nu stemmen op om via bijzondere fondsen een solidariteitscorrectiemechanisme in het leven te roepen. Maar dat is nog maar eens een complicatie. Ik hoop echt dat bij de onderhandelingsronde van 2007 dit soort thema's op tafel komen, hoewel strict genomen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest door de regionalisering van de gemeentewet vandaag al volledig bevoegd is om deze zaken te beslissen. Die onderhandelingen zouden daar een extra-impuls aan kunnen geven.

- Wat is uw besluit?

Brigitte Grouwels: Ik hoop dat we onder Brusselse Vlamingen tot een open discussie kunnen komen over al deze onderwerpen. Het gesloten lijstje van Guy Vanhengel is me te eng, ik zie het toch breder. De discussie mag beslist ook breder gaan dan het VGC-college, het bredere middenveld kan hopelijk ook zijn stem laten horen.