Nummer 125


Bretagne - Geschiedenis | maart 2007


Bretoenen in militaire dienst van de paus van Rome (Yann Quellec)<< Nummer 125

Tussen 1860 en 1870 werden de Pauselijke Staten bedreigd door de oorlogen die zouden leiden tot de eenheid van Italië. En ja, net zoals het eraan toeging ten tijde van de Spaanse burgeroorlog of aan het Oostfront: er werd internationaal gemobiliseerd om een handje te gaan helpen. Zo ontstond een leger van Pauselijke Zoeaven. Merkwaardig is dat betrekkelijk veel Bretoenen naar het front trokken. Of misschien ook weer niet: Bretagne was, samen met de Vendée, een soort Gibraltar van het Vaticaan. Wat was er aan de hand?

Het zwaarste oorlogsjaar was ongetwijfeld 1867, omdat de heidense bedreiging toen het grootst was. We konden de cijfers inkijken van twee bataljons Zoeaven (vrijwilligers voor de Heilige Stoel) op 1 januari 1867. Wat blijkt? 857 Nederlanders (!), 651 Fransen en 'slechts' 485 Belgen. Maar van die 'Fransen' waren er 38% Bretoenen. Merkwaardig.

Een stukje geschiedenis

Gedurende een tiental eeuwen regeerden pausen over een vijftal provincies in centraal-Italië. Dat was het gevolg van een milde gift van Pepijn De Korte in 756.

Dat verliep niet altijd van een leien dakje, denk maar aan pijnlijke incident met de 'pausin' Johanna die tijdens een processie een kind zou gebaard hebben, de vlucht van de pausen naar Avignon in Frankrijk, de tegenpausen, de erfopvolging van de vertegenwoordigers van God in Rome, de syndicaal moeilijke situatie van de pauselijke bastaarden...

Maar in de negentiende eeuw was die toestand min of meer voorbijgestreefd. Vooral in 1848 was er een opstoot van liberale en nationalistische ideeën in heel wat Italiaanse steden.

Zelfs in Rome werd in 1849 de republiek uitgeroepen. Frankrijk stuurde onmiddellijk een keurkorps om de veiligheid van Pius IX te waarborgen.

Dat bleek eventjes efficiënt, maar twaalf jaar later, in 1860 was de toestand min of meer onhoudbaar geworden. De druk van de koning van Piemont, Emmanuel II, werd te groot en Garibaldi kwam vanuit Napels de Heilige Stoel bedreigen.

De katholieke naties hadden niet zoveel belangstelling voor de zaak, vooral omdat ze in eigen land miserie hadden . De paus, die toen nog niet 'onfeilbaar' was (dat was pas in 1870) vond uiteindelijk een 'domme Belg' in de figuur van Xavier de Mérode om zijn leger te organiseren. Het leger bestond uit zo'n 6.600 manschappen die zeer slecht uitgerust waren. Die de Mérode deed een beroep op een Bretoens generaal, een zekere de la Moricière uit Nantes, om hem bij te staan. Dat kwam goed uit: er werden vooral vrijwilligers gerecruteerd uit Bretagne en de Vendée, twee oerkatholieke gebieden. De eerste vrijwilligers waren edelen en luisterden naar namen als Athanase de Charette de la Contrie of Henri de Chathelineau. Hun drijfveren waren misschien wel religieus maar vooral politiek: voor hen kwam de macht van god, niet van het volk. Maar het volk mocht ook wel meedoen als het ging om de bescherming van Zijne Heiligheid.

In mei 1860 waren er al 18.000 vrijwilligers.

Tegenslagen

Maar de zaken liepen niet zo goed. Een eerste grote veldslag vond plaats in september 1860 tegen het leger van de koning van Piemont, en liep uit op een debacle voor de pauselijke vrijwilligers. Maar een geluk bij een ongeluk: een Bretoense seminarist uit Nantes, een zekere Joseph Guérin, werd zwaar gewond op 18 september en gaf de geest op 30 september 1860. Tussen 1861 en 1864 werd zijn graf een bedevaartsoord en zie, het moest er van komen, er kwamen mirakelen van (35 miraculeuze genezingen).

Dit bracht nieuwe Zoeaven-recruten uit Bretagne naar Italië. Er werden fondsen geworven bij hun families, in de parochies en via de Sint-Pieterspenning. Nu werd het een 'volkse' kruistocht: naast studenten en notariskinderen of neringdoeners boden zich nu ook ambachtslui en boeren aan om zich ten dienste te stellen van de vertegenwoordiger van God op deze aardkluit. Velen ervan spraken geen gebenedijd woord Frans - laat staan Italiaans of Latijn -, maar enkel Bretoens. Een Bretoenstalige boer uit Plouvorn trok te voet naar Parijs om zich in te lijven bij het pauselijke Zoeavenleger.

Veel veldslagen werden er niet gevoerd, zeker niet tot in 1867. Dan slaagden ze erin een opstand in Rome te bedwingen, maar dat had vooral te maken met het feit dat Napoleon III wat troepen gezonden had om hen bij te staan.

Uiteindelijk 'sneuvelden' er 476 Bretoenen op het veld van eer. Maar de meeste sterfgevallen waren een gevolg van infectieziektes (venerisch), ongevallen, aanslagen en cholera.

Slechts 14% sneuvelde op een of ander slagveld. Maar hoe dan ook: in Bretagne waren ze martelaren die hun leven opgeofferd hadden aan een godsdienstig ideaal.

In 1870 was het definitief afgelopen. Rome viel op 21 september, en de Bretoense Zoeaven konden geen kant meer op. Ze smeekten om opgenomen te worden in het Franse leger las vreemdelingenregiment ('Légion des Volontaires de l'Ouest'), deze keer om de Pruisen te gaan bestrijden. Ook dat werd geen onverdeeld succes. In augustus 1871 werd hun regiment opgedoekt.

De Zoeaven-verering bestaat nog in een aantal Bretoense families. Die zijn dan vaak in het bezit van oude brieven, stukken Italiaans marmer, religieuze prentjes en andere parafernalia. Veel historisch onderzoek naar de Zoeavenbeweging is er echter nog niet gebeurd, althans niet in Bretagne. Wel wordt aangenomen dat de Bretoense clerus de kudde met enig succes opriep om deel te nemen aan een 'nieuwe kruistocht', deze keer niet tegen de Saracenen maar tegen de goddeloze Italiaanse liberalen.

Het zou nog duren tot 1929 tot er een oplossing kwam voor het 'probleem' van de Pauselijke Staten: toen werd er een akkoord gesloten met Benito Mussolini waardoor de Vaticaanse staat (her-) opgericht werd, zij het in miniatuur. Een Zwitserse Wacht staat nu in voor de soevereiniteit, zodat Zoeaven niet meteen meer nodig zijn.