Nummer 127


Document | mei 2007


Voor een fusie van het Brussels Gewest met het Vlaamse ( )<< Nummer 127

Met een persconferentie in het Vlaams Huis werd eind april de Brusselcampagne van SFL gelanceerd. Bij linkse Vlaamsgezinden bestaat er een vrij grote eensgezindheid over hoe de toekomst van Brussel (en Vlaanderen) er moet uitzien, maar totnogtoe werden er nog maar weinig pogingen ondernomen om die visie uit te dragen. In Vlaanderen beseft men veel te weinig hoe belangrijk Brussel is. Ofwel maken we nu werk van een degelijke oplossing, ofwel blijven we aanmodderen en gaan we achteruit in alle opzichten.

Het is onze ambitie om het debat open te breken en te komen tot een open en eerlijke discussie. Daarom drukken we hier de basistekst af, die ook door de redactie van Meervoud wordt ondertekend.

De verkiezingen van 10 juni staan in belangrijke mate in het teken van de Belgische staatsinrichting. Verschillende Vlaamse partijen hebben hun verlangenlijstjes klaar. Om de Vlaamse autonomie te verruimen willen sommigen nieuwe fiscale hefbomen overhevelen (vennootschapsbelastingen), sommigen willen een sociale staatshervorming (arbeidsmarktbeleid overhevelen), anderen willen Vlaanderen volledig onafhankelijk maken, nog anderen willen dat ten allen prijze voorkomen. 'Brussel' bengelt een beetje onderaan de verlangenlijstjes, behalve dan naar aanleiding van periodiek francofoon gestook (uitbreiding), of in het kader van de problematiek van Brussel-Halle-Vilvoorde. Er is ook wel wat lippendienst aan de idee van bestuurlijke vereenvoudiging van de hoofdstad met haar kluwen van 19 gemeenten, vooral dan als Brusselse bestuurders aandringen op een royaler financiering. En daar blijft het bij. Dit is o.i. ten onrechte.

Toen de brede Vlaamse beweging vanaf de jaren '60 aanstuurde op Vlaams zelfbestuur, had men steeds een tweeledig federalisme voor ogen. De 'grendelgrondwet' van 1970 heeft daarentegen voor een drieledige territoriale indeling gekozen. Brussel werd een volwaardig gewest, op voet van gelijkheid met de twee andere gewesten. Het epitheton 'hoofdstedelijk' en de titulatuur van de Brusselse wetgevende akten ('ordonnanties' in plaats van de Vlaamse en Waalse 'decreten') kunnen deze feitelijkheid niet maskeren. Brussel kreeg, bij elke stap in de staatshervorming, exact dezelfde bevoegdheden als de beide andere gewesten, met inbegrip van landbouw, buitenlandse handel, en andere opmerkelijke prerogatieven. Een van de eerste besluiten van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement betrof het afschaffen van de jacht op zijn grondgebied (in het bijzonder: de 1.675 hectaren van het Brussels stukje Zoniënwoud). De soevereiniteit van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest reikt tot ongeveer in de stratosfeer. Zo houdt het Gewest al enkele jarenlang de nationale luchthaven van Zaventem in een juridische wurggreep op grond van zijn geluidsnormen voor nachtvluchten.

Sedert de consecratie van het Derde Gewest in 1989 gaat het met Brussel steil bergaf. Het Brussels aandeel in het BNP daalt van jaar tot jaar (nu nog 19% tegen 25% tien jaar terug); de werkloosheidsgraad is de hoogste van België (22% ofwel 90.000 werklozen). Er wordt nog amper geïnvesteerd in huisvesting of sociale huisvesting. De bedrijven nemen de wijk naar de rand. De middenklassen trekken weg. Brussel wordt in galopperende vaart een stad van steuntrekkers (in het westen van de agglomeratie) en zeer welgestelden (in het oosten).

Sinds de oprichting van het Brussels Gewest gaat het ook op taalvlak van kwaad naar erger. Het taalrapport 2005 van de vice-gouverneur spreekt boekdelen: slechts iets meer dan een kwart van alle personeelsaanstellingen in de 19 Brusselse gemeenten en OCMW's (624 van 2.339) geschiedden in dat jaar conform de taalwetgeving. De schorsingen die de vice-gouverneur om die reden uitvaardigt blijven echter dode letter, omdat de Brusselse regering er geen gevolg aan geeft. Van 883 schorsingen bij de OCMW's (ofwel 89,9% van alle personeelsdossiers bij de OCMW's) heeft de Brusselse regering er slechts één effectief vernietigd. De stand van zaken bij de beruchte Brusselse openbare ziekenhuizen is zelfs geheel aan alle taaltoezicht onttrokken.

Deze negatieve ontwikkelingen zijn volgens ons het gevolg van de onzinnige constructie die het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is. Het bestaan zelf van dat autonoom gewest betekent volgens ons een dubbele breuklijn met de realiteit.

Vooreerst een 'technische' breuk binnen de grootstad tussen de kernstad en de rest van de agglomeratie. Het grondgebeid van het BHG werd om taalredenen beperkt tot de 19 gemeenten, dit is: tot de vooroorlogse agglomeratie. We mogen echter gerust stellen dat ondertussen zo goed als geheel Vlaams-Brabant (en maar een klein stukje van Waals-Brabant), met Brusel-19 vergroeid is en dat het er, micro-economisch en verkeerstechnisch een eenheid mee vormt. Gezien de wereldwijde urbanisatietrend, en rekening houdend met de geografische ligging en de internationale functies, zal deze agglomeratie blijven groeien. Dat een klein, centraal stukje daarvan (de 161,38 km2 van het BHG) apart beslist over het beleid inzake grondgebonden materies is dan ook een serieuze anomalie. De groei moet eigenlijk voorzien, gepland en geleid worden over de gehele grootstedelijke ruimte. Men kan slecht tot een coherent beleid inzake ruimtelijke ordening en infrastructuurvoorziening komen indien één enkele overheid daarvoor bevoegd is. Zoniet zal de inplanting van industrie- en dienstengebieden en van woonzones een chaotisch verloop kennen. Zoniet zal de nodige infrastructuur voor wegverkeer en openbaar vervoer fel ten achter blijven lopen op de feiten zodat de verkeerscongestie blijft aanhouden (zie het uitblijven van het zogenaamde GEN). Zoniet zal een doelmatige politiek voor huisvesting, sociale woningbouw en stadsvernieuwing nooit vorm krijgen. Zoniet zal de verloedering en stadsvlucht blijven versnellen en zal het BHG verder in zijn fiscale impasse en stedelijke crisis verzanden.

Zoals alle hoofdsteden heeft Brussel de uitbouw van een zeer complexe en dure infrastructuur nodig om al haar functies te kunnen vervullen. Het is natuurlijk niet door de zes minuscule faciliteitengemeenten bij Brussel aan te hechten (ook al weer louter om taalredenen) dat men een antwoord biedt op de hoger geschetste problematiek. De feitelijke agglomeratie van Brussel reikt immers tot aan de poorten van Aalst, Mechelen en Leuven. Dus is de enige oplossing dat het Vlaams Gewest het bestaan en de uitbouw van de hoofdstedelijke zone, financieel en economisch op zich neemt. En dit zou slechts normaal zijn, want Brussel ligt met al zijn vezels verankerd in de Vlaamse economische ruimte.

Hier stoten we op de tweede breuk: Een autonoom Brussel betekent een politieke kloof tussen de grootstad en haar uitgestrekte complementaire achterland. Brussel bestaat niet in isolatie, maar is een integraal deel van de bredere structuur die Vlaanderen heet. Ook dat is een realiteit. Brussel, Antwerpen, Gent, Mechelen en Aalst en Leuven vormen zichtbaar één immense conurbatie en het is niet toevallig dat die steden dicht bijeen gelegen of aaneengegroeid zijn. De Vlaamse Ruit heeft als ruggengraat de as Brussel-Antwerpen, maar deze structuur wordt aangevuld door de as Gent-Aalst-Brussel-Leuven. Het is vooral in de dienstensector dat Brussel een belangrijke rol speelt in de Vlaamse economie, en de diensten leveren vandaag het gros van de werkgelegenheid in Vlaanderen. Maar eigenlijk is Brussel in elk opzicht de economische hoofdstad, het kloppend hart van Vlaanderen. Brussel en Vlaanderen vormen één onscheidbare sociale en economische entiteit en die wordt best als één geheel bestuurd.

Het is duidelijk dat het verder uitbouwen van de drieledige staatsstructuur, dus het toebedelen van nog meer beslissingsmacht aan het derde gewest over een zeer belangrijk deel van de Vlaamse economie (35% van alle (bedrijfs-)belastingaangiften in Brussel verlopen in het Nederlands!) binnen de kortste tijd zou leiden tot een toenemende ontwrichting van het algemeen economisch beleid, gevoerd door het Vlaams parlement en de Vlaamse regering.

Zoals reeds gezegd is de Brusselse begrenzing gebeurd op grond van een taalcriterium. Maar waarom dan van Franstalig Brussel geen autonome taalgemeenschap gemaakt? De Duitstaligen vormen toch ook gewoon een gemeenschap binnen het Waals Gewest? Wij begrijpen dat het de emotionele afkeer van Franstalig Brussel tegenover het Nederlands is die de oorzaak vormt van het bestaan van het Derde Gewest. Al sinds 1830 zet de Franstalige Brusselse burgerij zich af tegen het Nederlands; ze slaagden er zelfs in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden op te blazen, ook al in niet onbelangrijke mate als gevolg van het taalconflict. Vanaf dan was het Frans het distinctief kenmerk van de hogere klassen, zodat in Brussel ook de middenklassen en de volksklassen spoedig overschakelden op het Frans. 175 jaar Belgische geschiedenis verder, en vooral dan vanaf de jaren zestig zijn de economische verhoudingen weliswaar gevoelig gewijzigd, maar in hoofde van vele Franstalige burgers kleeft er nog steeds een sociaal stigma aan het 'Vlaams' als taal van de machteloze. Ze houden sterk vast aan het Frans als instrument van hun sociale promotie, de band waarmee zij zich sociaal identificeren met de reële machtselites (met inbegrip van het zeer francofiele koningshuis).

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is dan ook expliciet bedoeld om een dam op te werpen tegen de Vlaamse opmars. Dankzij de sabotage van de taalwetten, en het ronduit schabouwelijke niveau van het onderwijs van het Nederlands in de Franstalige scholen, kunnen de Franstalige politici de illusie blijven voeden dat Nederlands leren niet nodig is. De Vlaamse inwoners van Brussel en de honderdduizenden pendelaars worden niet vanzelfsprekend in hun taal onthaald in hun eigen hoofdstad (bestel maar eens metroticketje). De federalisering geraakt in een patstelling van twee tegen één.

De jongste decennia merken we aan de basis gelukkig een zekere tegenbeweging. Wars van het politieke beleid, komen heel wat anderstalige burgers vanzelf tot het besef dat Nederlands een troef is geworden op de arbeidsmarkt. De autochtone Franstalige Brusselaars zijn zelf een minderheid geworden, zo blijkt uit onderzoek van de VUB. En de talrijke anderstalige nieuwkomers zitten niet met historische complexen ten aanzien van de Nederlandse taal.

Een oplossing voor het probleem Brussel moet duurzaam zijn en het algemeen belang dienen. Daarom zullen alle partijen een beetje water in de wijn moeten doen.

In een volgende communautaire bespreking moet Vlaanderen de fusie van het Brussels Gewest met het Vlaams Gewest ter tafel brengen. Zo zal de Vlaamse regering de grondgebonden bevoegdheden over Brussel-19 uitoefenen. De materiële en sociale verloedering van het BHG enerzijds en de sterke Vlaamse economie anderzijds zijn daarbij doorslaggevende argumenten. Dit is de toegift die de Franstaligen moeten doen.

Vlaanderen van zijn kant moet de Franstaligen, geconcentreerd in en om Brussel, als een culturele minderheid in zijn schoot opnemen, zonder hen tot voorwerp te maken van enige politieke of administratieve vervlaamsingsdruk. De Vlaamse deelstaat staat ook financieel garant dat deze Franstalige gemeenschap haar bevoegdheden qua cultuur, onderwijs, gezondheidszorg en andere persoonsgebonden materies in Brussel-19 en de faciliteitengemeenten kan uitvoeren.

Brussel-19, op zich, wordt dan weer best een fusiestad, zoals Antwerpen of Montréal, met één gemeenteraad, schepencollege en burgemeester, aangevuld met districtsraden.

Voor de hereniging van wat om taalredenen werd gescheiden, is er natuurlijk een grote mentaliteitswijziging nodig. Het is een uitdaging van formaat om de inwoners van Brussel-19 (welke taal ze ook spreken) en het Vlaams Gewest hiervan te overtuigen. We mogen echter niet vergeten dat dit voorstel als enige een win-winsituatie betekent voor de Brusselaars én de Vlamingen. Hier ligt een serieuze uitdaging, een combinatie van ambitie en generositeit, voor de Vlaamse politieke klasse.

De Meervoudredactie,

Willy Courteaux (Brussel, oud-journalist)
Freddy de Pauw (Brussel, journalist)
Jef Turf (Gent, journalist, oud-voorzitter KP Vlaanderen)
Ludo Abicht (Antwerpen, filosoof)
Julien Borremans (Geraardsbergen, OCMW-raadslid)
Christian Dutoit (Brussel, hoofdredacteur Meervoud)
Nico Van Campenhout (Lokeren, historicus-stadsarchivaris)
Jan Peumans (Riemst, Vlaams parlementslid)
Tom Carnewal (Zottegem, gemeenteraadslid)
Ludo Docx (Donapaleu -Baskenland, priester-activist)
Yvan Vanden Berghe (Antwerpen, gewoon hoogleraar UA)
Paul Eyben (Hamont-Achel)
Geert Leroy (Lommel)
Jan Dhaene (Kortrijk, gewezen Europees parlementslid)
Pol Van Caeneghem (Gent, medeoprichter Werkgroep Arbeid)
Peter De Graeve (Brussel, filosoof)
Henk Cuypers (Erps-Kwerps)
Peter Plas (Dilbeek, jurist)

Deze tekst kunt u onderschrijven door een bericht te sturen naar jan AT landdag DOT org of te bellen naar 0473/97.48.51 (voornaam, naam, plaats zijn verplicht)