Nummer 129


Sanctorum | september 2007


Berichten uit la Flandre profonde (Johan Sanctorum)<< Nummer 129

Zowat een jaar geleden verscheen de interessante studie 'Op het kruispunt van de politiek - Links en rechts in Vlaanderen' van Carl Devos, Hilde Van Liefferinge en Dries Verlet. Het boek tracht, aan de hand van veel cijfermateriaal, de klassieke ideologische tegenstellingen (links/rechts, progressief/conservatief,...) te toetsen aan de actuele politieke realiteit in Vlaanderen.

De auteurs stellen dat de links/rechts-tegenstelling in de hedendaagse politiek zeker niet achterhaald is: ze staat wel degelijk voor uiteenlopende mensbeelden en maatschappijvisies. Het blijft essentieel, ondanks het omzwachteld taalgebruik van de politique politicienne en de media, dat de dingen af en toe bij hun naam genoemd worden, en dat maatschappelijk-filosofische breuklijnen zich blijven profileren. Polarisatie schept duidelijkheid en creëert echte keuzes,- het centrumdenken is dodelijk.

En daar stelt zich in de Vlaams/Belgische context nu net een probleem, dat door Devos en C° wel wordt gesignaleerd maar niet echt ten gronde uitgeklaard. De geschiedenis van de Belgische natie vertoont namelijk een permanente tendens om tegenstellingen te verdoezelen. De fameuze compromissencultuur zit dieper ingebakken dan we denken, en leidt tot een intellectuele impasse die vooral voor Vlaanderen nefast is. Daarbij worden de termen 'conservatief', 'rechts' en 'extreem-rechts' niet als oriënterende begrippen gebruikt, maar veeleer als scheldwoorden voor individuen en groepen die deze compromissencultuur niet toegenegen zijn. De slechte Belgen dus. Wie morrelt aan het status-quo, en een verregaande staatshervorming voorstelt, krijgt het etiket 'conservatief' toebedeeld,- een flagrante paradox die moeiteloos overeind schijnt te blijven doorheen het koffiedik kijken van de politieke commentatoren. Tijd om even de vaderlandse geschiedenis in te duiken.

Voor vorst, vaderland en Société Générale: de oorsprong van de Belgitude

Na 1815, de nederlaag van Napoléon Bonaparte en het Congres van Wenen, was in Europa het herstel van de oude waarden aan de orde (de zgn. restauratie): dynastieën en adel herbezetten het politieke schaakbord, de kerk herneemt haar dominante positie in het culturele leven. Een nieuw feit was evenwel de opkomst van een kapitaalkrachtige burgerij die de industriële revolutie maximaal verzilverde en ook de politieke macht ambieerde. De levensomstandigheden van de gewone man waren ondertussen ellendig: de economische groei in Europa kwam slechts ten goede aan een kleine minderheid van industriëlen, aandeelhouders, speculanten en grootgrondbezitters. Mislukte oogsten en aardappelziekten teisterden onze contreien, de werkloosheid nam toe.

Om dat kapitalistisch uitbuitingssysteem aan het gepeupel verkocht te krijgen, was dus wel enige diplomatie en een optimistische toonzetting nodig. Vandaag zouden we spreken van 'goede communicatie'. Hiervoor schakelde de versbakken Franse monarch Louis-Philippe vanaf 1830 een soort intellectuele middenklasse in, die de vrijheidsidealen van de Franse Revolutie kon omsmeden tot de pijlers van een liberaal-burgerlijke vooruitgangsgedachte, verwoord in een romantisch proza met een staatsnationalistische inslag. Het zou allemaal wel goed komen, als het volk zich maar eendrachtig achter de driekleur schaarde, en als de opkomende bourgeoisie maar haar gang kon gaan. Het staatsbelang en het privé-belang gingen elkaar steeds meer overlappen, dankzij de patriottistische retoriek van de culturele elite. In ruil voor deze lippendienst kregen de intellectuelen een soort persvrijheid: het discours libre werd een fetisj dat eigenlijk alleen maar diende om het regime te stabiliseren en de goodwill van de intelligentsia af te kopen.

Zo ontstond de typische saloncultuur van de 19de eeuw: trefplaatsen van de sociale en culturele beau monde. De intellectuele toplaag gedroeg zich uitermate dubbelzinnig. Als apologeten van de Verlichting -een filosofie die toch essentieel op emancipatie gericht was- verdedigden ze in feite een systeem van uitbuiting en menselijke ontwaarding. Of, in een hedendaagse terminologie: ze steunden een rechts-conservatief regime met een links-progressistisch discours van de vrijheid en de vooruitgang.

De schrijver Victor Hugo (1802-1885) belichaamde helemaal die paradox. Van huis uit al gespleten, met een royalistisch-conservatieve moeder en een overtuigd republikeinse vader, zag Hugo er geen graten in om in allerlei ethische kwesties progressief uit de hoek te komen, de wantoestanden van het kapitalisme aan te klagen ('Les misérables'), en zich tegelijk in de effectenhandel te begeven of zelfs de onderdrukking van de arbeidersopstand in 1848 te steunen. Louis-Philippe schonk hem finaal de eretitel 'Pair de France': de progressieve intellectueel was een perfecte steunpilaar van het burgerlijke establishment geworden.

Diezelfde Louis-Philippe -en nu komen we weer iets dichter bij huis- speelde ook een beslissende rol in de 'Belgische Revolutie' van 1830. Historisch is het een uitgemaakte zaak dat de Brusselse bourgeoisie, met actieve steun van Franse agitatoren, het volk het vuile werk liet opknappen, in ruil voor gratis jenever en met een vage belofte dat de levensomstandigheden zouden verbeteren als ze van die Hollanders verlost waren. 'Progressieve' intellectuelen zoals Louis De Potter, Charles Rogier, Charles de Brouckère, Joseph Lebeau en Jean-Baptiste Nothomb, alle overigens goede vrienden van de beroemde Franse literator, beklommen het spreekgestoelte, onder het zingen van de Marseillaise(!).

Maar eens het ongemotiveerde Hollandse operetteleger verdreven door het opgehitste dronken plebs, nam de gegoede burgerij resoluut de touwtjes in handen. Met een republiek die er geen was, en een koning met een beperkte macht, had de Belgische bourgeoisie in 1830 het perfecte institutionele kader geschapen om zaken te kunnen doen en haar netwerken verder uit te bouwen. De royalistische koekendozenromantiek kregen we er gratis bij. Einde mei 1831 wordt Leopold van Saksen-Coburg verkozen door dezelfde lui die de aandelen van de nieuwbakken Société Générale in handen hebben, de holding waarin de Belgische haute finance haar gouden eieren uitbroedde en waarvan ene... Victor Hugo hoofdaandeelhouder zou worden. Vanaf dan, en doorheen de tweede helft van de 19de eeuw, wordt de jonge natie met de 'vooruitstrevende grondwet' een staat met een democratie die slechts formeel functioneerde, maar die in werkelijkheid door de culturele en economische elites werd gedomineerd. Adel, industriëlen, grondbezitters, speculanten, naast een aantal intellectuelen van goede komaf. Een staat die gedoemd was tot het compromis en de omfloerste paradox. De bourgeoisie sprak Frans om haar moderniteit te affirmeren, maar gedroeg zich als een Herrenvolk in een systeem dat essentieel op ongelijkheid en discriminatie steunde: uitbuiting van de werkende klasse, het cijnskiesstelsel (hoe rijker, hoe meer stemrecht), en uiteraard de onderdrukking van het Nederlands zelf als taal van de paria's.

Hoe Vlaanderen 'zwart' werd - en bleef

Zo voltrok zich in het België van de 19de eeuw datgene wat de filosoof Antoni Gramsci als 'culturele hegemonie' omschreef: cultuur als repressiemiddel van de heersende klasse, met een collaborerende intellectuele elite als smaakmaker. De onderdrukking van de Vlaamse volkstaal was in heel deze dynamiek een essentieel element,- het maakt van België ook een geval apart in de politieke geschiedenis van het moderne Europa. Door de Franse verlichtingsfilosofie voor de kar van het Belgische regime te spannen, creëerden de 'liberale' intelligentsia een klimaat van onverdraagzaamheid jegens niet-Latijnse cultuursferen.

De haat tegen het Nederlands was cultureel en elitair, maar tegelijk fysiek en racistisch. Het Vlaams rook naar de aarde, was zwaar, vettig en zwartbruin, zoals de latere expressionistische kunst van De Smet en Permeke. Het flou van het impressionisme en de ondraaglijke lichtheid van het surrealisme zijn ons ding niet. Het Vlaams bekte niet vlot weg en leende zich maar moeilijk tot de dubbelzinnige façaderetoriek waarachter een in wezen reactionair regime zich kon verschuilen. Het werd beschouwd als een archaïsch boerendialect van Ménapiens, maar ook als een taal waarin dubbele bodems niet werken. Bij uitbreiding werd ook de Vlaming zelf beschouwd als dom, geborneerd, ééndimensioneel, parochiaal: het rechts-conservatieve cliché stamt uit die tijd. De Vlaming was het perfecte binnenlandse spiegelbeeld van de neger zoals Leopold II hem zag: een wilde die zelfs met het grootste missionarissengeduld nooit helemaal geciviliseerd kon worden, en die hooguit geschikt was voor een lagere betrekking, op voorwaarde natuurlijk dat hij tenminste de taal en de goede manieren overneemt van de Bwana.

Vanuit dat stigma was het maar een kleine stap om la Flandre profonde als een zwarte vlek te klasseren op de kaart van het verlichte Europa. Ondanks heel de economische ontreddering van Wallonië vandaag, het institutioneel parasitisme van de PS-staat, en de Vlaamse economische boom, is het cliché van de domme Vlaming, aan wie de Verlichting voorbijging, blijven voortbestaan. Het afschieten van Leterme gaat eigenlijk terug op dat syndroom: hij was te 'bruin' voor de Belgische francité én de Vlaamse salonintellectuelen. Op het ogenblik van dit schrijven, begin september, zitten de onderhandelingen in een complete impasse: de Vlaamse kiezer heeft een bom onder het Belgische kaartenhuis gelegd.

Dat brengt ons tot de hamvraag: heeft Vlaanderen 'rechts' gestemd op 10 juni 2007? In het licht van bovenstaande analyse is het redelijk om te veronderstellen dat Vlaanderen vooral communautair, of juister: anti-institutioneel heeft gestemd, via partijen die daar een toegang toe bieden. De Belgitude, als dubbelzinnige bourgeois-cultuur van de 19de eeuw, is op 10 juni definitief in vraag gesteld. De PS-schandalen en de 'transfers' vormen niet eens de echte basis van het Vlaamse anti-establishment-gevoel. Wel het vermoeden dat de Belgische constructie sinds zijn ontstaan op een kwaadwillig misverstand berust.

Het zogezegde rechtse stemgedrag was beslist ook een anti-intellectualistische reflex tegen de 'progressieve' bourgeois-bohémiens in Vlaanderen. Ze gedragen zich als parvenus onder een koloniaal regime, en belijden een stuitende vorm van neo-Belgicisme, dat het vooruitgangsdenken blijft verwarren met een staatsmythologie. Zelfs de monarchie blijft voor dat 'progressieve' cultuurestablishment iets incontournable: lobbyclubs als B-plus, Pavia en Pro Belgica zijn druk bezig al deze levende fossielen te verzamelen. Ik noem er maar een paar: Wim Helsen, Wannes Van De Velde, Geert Van Istendael, Monica Van Paemel, Benno Bernard (een onvervalste Hollander, wat doet die in B-plus...). Allen doen ze graag een knieval voor het Belgique de Papa, om Vlaanderen van de barbarij te redden. Het is deze elite die kwaadwillig de etiketten 'flamingant', 'rechts', 'racistisch' en 'fascistisch' door elkaar gebruikt. Ze zijn de eigenlijke erfgenamen van de patriotten uit 1830 die de Belgische bourgeoisie een goed geweten hebben bezorgd. Zij zijn het ook die de voorbije paarse regering in het zadel hebben geholpen en die nu hun gal uitspuwen op de gewone Vlaming, waarvan elke vijfde een Belang-stemmer is. Onverdraaglijk voor de weldenkende bobo die op een tram zit of in een supermarkt rondloopt: het ruikt overal naar mestkevers.

Op die manier bestendigen ze niet alleen een historisch misverstand en een achterhaald cliché, ze beletten bovendien dat er binnen Vlaanderen een echte linker- en rechterzijde het politieke landschap kleurt. België blijft een motor van begripsverwarring. Uiteindelijk worden 'rechts' en 'extreem-rechts' haast geuzentitels en krijgt de zgn. Vlaamse verrechtsing iets van een self-fullfilling prophecy: anti-institutionele tendenzen worden als 'ondemocratisch' gebrandmerkt, waardoor ze zich radicaliseren. Zonder deze spiraal echt duidelijk te benoemen, snappen de auteurs van 'Links en Rechts in Vlaanderen' wel dat de Belgische politieke logica weegt op een open ideologische profilering in Vlaanderen.

Conclusie: er is in Vlaanderen momenteel geen volwaardige politieke 'rechterzijde'. Ze is in hoge mate het product van een negatieve beeldvorming van neo-unitaire makelij. En er is eigenlijk nauwelijks een echte linkerzijde die het progressistisch salonniveau overstijgt. Beide kunnen er maar komen als we ons eigen politiek landschap vormgeven, los van het beladen Belgische verhaal. Tot zover regeren de clichés, de stigma's, en het over-en-weer-geroep tussen de witten en de zwarten. De bobo's of de negers. En als ik tussen die twee toch moet kiezen, dan is er voor de filosoof en zwartkijker eigenlijk geen twijfel mogelijk.

Johan Sanctorum is cultuurfilosoof en columnist
www.visionair-belgie.be