Nummer 133


Armoede | januari 2008


De nieuwe sociale kwestie (Julien Borremans)<< Nummer 133

Volgens de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt is het aantal mensen dat de elektriciteitsrekening niet meer kan betalen het voorbije jaar met de helft gestegen. Onze pensioenen behoren tot de laagste in Europa en werken verarming in de hand. De stijgende gezondheidsfactuur brengt tal van gezinnen in financiële problemen, waardoor ze zich de primaire gezondheidszorg moeten ontzeggen.
Het wordt duidelijk zichtbaar: onze samenleving verpaupert. Lange tijd dacht men dat een residu van de samenleving voorbestemd was om in armoede te leven. Het waren de marginalen, sommige allochtonen en wat verkommerde oudjes. Het laatste jaarboek over armoede en sociale uitsluiting brengt andermaal de schrijnende problematiek in al zijn facetten naar voor. Een aanrader!

De toenemende armoede wordt een uitgesproken maatschappelijk probleem en dient op de agenda van de volgende regering te staan. Om de situatie toch een beetje recht te trekken, deelt de overheid de laatste jaren allerlei doekjes voor het bloeden uit: extra kinderbijslag bij het begin van het schooljaar, stookoliecheques, cultuurcheques, een maximumfactuur voor medische zorgen... Het zijn goedbedoelde maatregelen, maar ver kom je er niet mee. De problemen zijn structureel en veelomvattend. Zo dalen de meeste inkomens en uitkeringen in waarde. Een aantal voorbeelden: een alleenstaande vrouw met twee kinderen - die van een invaliditeitsuitkering moet leven - ontving in 1992 nog 71% van het gemiddeld Belgische loon. In 2006 was dat nog maar 63%. Een werkloosheidsuitkering is gedaald van 59% (1992) tot 51% (2007) t.o.v. het gemiddeld Belgische loon.

Alle partijen hebben de armoedeproblematiek in hun programma's opgenomen. Kandidaat-premier Yves Leterme pleitte dit jaar in zijn Rerum Novarumspeech voor rechtvaardige minimumuitkeringen. Maar het blijft bij holle woorden. Dat weet ook gewezen senator Jacinta De Roeck: "In verkiezingstijden, ja, dan willen ze wel iets voor hen doen. Maar als ze na de campagne door armoedeverenigingen worden uitgenodigd om een wet of een beleidsbeslissing te komen toelichten, zijn ze meestal al veel minder enthousiast."

Probeer het maar eens op één of ander politiek forum bespreekbaar te maken, zonder dat daar lacherig om wordt gedaan, dat men het als een marginaal probleem beschouwt of dat men er tal van vooroordelen bij sleurt. Maar specialisten zijn het er over eens dat armoede een netwerk is van sociale uitsluitingen dat zich uitstrekt over meerdere gebieden van het individuele en collectieve bestaan. Veelal wordt de schuld van de sociale uitsluitingen bij de mensen zelf gelegd, misschien omdat ze lui, spilzuchtig, drankzuchtig of onverantwoordelijk zijn. Deze benadering gaat voorbij aan de maatschappelijke oorzaken en omstandigheden waarin deze mensen leven. Het gaat evenzeer voorbij aan het harde kapitalisme en de nietsontziende globalisering van de samenleving, die de ongelijkheden betreffende de verdeling van inkomen en de status en de macht die daarmee samengaan, verder in de hand werken, en de verzorgingstaat sterk uithollen. Ook worden er geen vragen gesteld bij onze sterk gesegmenteerde, zelfs gedualiseerde arbeidsmarkt of over de bevoegdheden - zoals tewerkstelling, arbeidsbemiddeling en -begeleiding... - die over de verschillende beleidsniveaus verbrokkeld liggen en een coherent beleid in de weg staan. Het is een sterk culpabiliserende benadering, die een doeltreffende aanpak en beleid in de weg staan.

Er zijn intussen genoeg cijfers beschikbaar, die duidelijk aantonen dat de sociale uitsluiting structurele proporties begint aan te nemen. In Vlaanderen leeft 11,3% van de bevolking onder de armoedegrens. In Wallonië loopt dit cijfer op tot 17,7% en voor Brussel - hoofdstad van Europa - is dit 20% tot 25%. In België leven gemiddeld 15% (1,5 miljoen mensen) van de mensen onder de armoedegrens, wat indrukwekkend is voor een land dat in één van rijkste regio's van de wereld ligt.

Uit de werkloosheidsstatistieken valt duidelijk af te leiden dat 51,1% van de werkzoekenden in Vlaanderen kansarm en laaggeschoold is, een stijging van meer dan 5% in vergelijking met 2005. Voor Brussel en Wallonië zijn de cijfers een stuk schrijnender. Ondanks de inspanningen op het veld (activering van het zoekgedrag via de RVA; beter aansluiting tussen onderwijs, vorming en de arbeidsmarkt; aanpak van de jeugdwerkloosheid, de knelpuntberoepen, sociale economie...) blijven de resultaten erg mager.

Niettegenstaande de stijging van het onderwijspeil van de bevolking (32% is nog steeds laaggeschoold) en de hoge kwaliteit van het Vlaams onderwijs, wordt de kloof tussen kop en staart groter. Ongelijkheid en uitsluiting dienen zich doorheen het hele onderwijstraject aan en leiden - ondanks de democratisering van het onderwijs - tot een sterke ongekwalificeerde uitstroom (12,2% voor Vlaanderen en 16% voor Brussel) . De bepalende factoren zijn sinds heel lang gekend: de zwakke sociaaleconomische positie van de ouders, het verschil tussen waarden en normen thuis en op school en de werking van het onderwijsbestel, gericht op de middenklasse.

Bij onze allochtone medemens is de situatie dramatisch: 42% van de schoolverlaters is laaggeschoold. 54% van de allochtonen spreekt thuis geen Nederlands en lopen zo een cruciale achterstand op. 70% brengt het secundair door in het BSO. 9% van de allochtone jongeren heeft een diploma hoger onderwijs. De werkloosheidsgraad onder de allochtonen loopt op tot 40%. Er is een etnostratificatie van de arbeidsmarkt: terwijl de toplagen haast 'hagelwit' zijn, zijn de onderste lagen veelkleurig. De opkomst van een multi-etnisch subproletariaat?

Het is een illusie te denken dat dit zonder gevolgen blijft. De hoge concentratie werklozen en de vele slecht betaalde en minderwaardige jobs in bepaalde segmenten van de samenleving leiden tot een vernietiging van het sociale weefsel en tot sociaaleconomische en culturele gettovorming. Er ontstaan eilanden van armoede en integrisme in onze samenleving.

De breuklijnen tussen laag- en betergeschoolden wordt aangevuld met de kloof tussen allochtonen en autochtonen. Deze breuklijnen tekenen zich reeds af in het onderwijs en zetten zich door naar de tewerkstelling, de gezondheid, de woningmarkt... Uit tal van studies blijkt dat dit uiteraard ideologische implicaties heeft: mensen die in dergelijke uitputtende en frustrerende omstandigheden leven, zijn veel ontvankelijker voor autoritaire denkbeelden, politiek cynisme, etnocentrisme, materialisme en integrisme. Ook bij allochtonen zien we dat de polarisering toeneemt. Meer en meer Turkse en Marokkaanse jongeren halen hun huwelijkspartner uit het land van herkomst. Het gaat om een jaarlijkse instroom van duizenden laaggeschoolde allochtonen, die de Nederlandse taal niet machtig zijn en die het leger van multi-etnische subproletariërs komen aanvullen. Ze worden gedreven door een 'contracultuur', een cultuurpatroon dat ontstaan is door de vele conflictsituaties en de frustrerende sociale omgeving.

Ook bij de 'autochtonen' ontstaat er een 'contracultuur', gericht tegen het bestuurlijke onvermogen van de leidende klasse om de wezenlijke samenlevingsproblemen aan te pakken. Begrippen als een 'sterk staatsgezag', duidelijke 'normering', welvaart voor 'eigen volk' en een sterk 'natiegevoel' - dat door bepaalde media en heel wat vooraanstaanden cynisch wordt weggelachen - staan centraal. Onnodig te zeggen dat het Vlaams Belang deze 'contracultuur' claimt.

Niettegenstaande de schrijnende en alarmerende situaties, blijft er een taboe over de problematiek hangen. Twee tendensen bemoeilijken het debat: in eerste instantie is er de ideologisering van het debat. Een kritische en bevragende houding gaat over een pad vol taboes en verdachtmakingen. Wie kritische vragen stelt wordt algauw verdacht gemaakt.

Daarnaast is er de communautarisering van het debat: in Vlaanderen groeit het besef dat Wallonië en Brussel handenvol geld kosten en dat ze zelf te weinig doen om de situatie te veranderen. Een voorbeeldje: hoewel per leerling de uitgaven in het Franstalig onderwijs dertig tot veertig procent hoger liggen dan in Vlaanderen, geraakt 32 procent van de Franstalige jongeren niet verder dan maximaal een diploma van lager middelbaar onderwijs, dat waardeloos is.

Vlaanderen heeft te weinig beleidsinstrumenten en centen om de 'nieuwe sociale kwestie' aan te pakken. Het verpauperde Wallonië leeft met scheidingsangsten en vreest - eens België ophoudt te bestaan - een derde wereldland te worden. Wallonië klampt zich aan België vast. Vlaanderen wordt vooral egoïsme en etnocentrisme verweten (vooral door Franstaligen, maar ook door Vlamingen). Het debat gaat over attitudes en gevoeligheden niet meer over inhoud.

Het roer moet dringend worden omgegooid. Er is dringend nood aan een parlementaire werkgroep die zich buigt over de nieuwe sociale kwestie. Die ontwikkelt zich in Vlaanderen, maar nog veel sterker in Wallonië en Brussel. Een Marshallplan over de beleidsdomeinen heen met duidelijk afgebakende bevoegdheidspakketten op het niveau van de steden, provincies, gemeenschappen en gewesten is dringend nodig.

Ooit was Vlaamse strijd een sociale strijd. Het kan opnieuw een motto zijn van een vernieuwde Vlaamse beweging, die zich ontdaan heeft van haar al te academisch en sektarisch karakter.