Nummer 136


Overpeinzingen | april 2008


Autobiografisch proza uit het interbellum (Nico Van Campenhout)<< Nummer 136

Soms word je zo gegrepen door een boek dat je nauwelijks kan ophouden met erin te lezen. Je houdt je zelf voor om slechts door te gaan tot het eind van een hoofdstuk, maar op dat punt aangekomen ga je toch maar weer verder. Zoiets overkwam mij onlangs bij de lectuur van de essayistische en historiserende roman "Bekentenissen van een burger" van prozaïst, dichter, toneelschrijver en journalist Sándor Márai (1900-1989). Het boek dateert oorspronkelijk uit 1935, maar werd pas vorig jaar voor het eerst in het Nederlands vertaald. Meer dan veel historisch-wetenschappelijke studies biedt deze vuistdikke brok literatuur de lezer zicht op en inzicht in een aantal aspecten van de tijdgeest, de burgerlijk-liberale cultuur en het intellectuele en artistieke leven in Europa tijdens de eerste helft van de 20ste eeuw.

Márai, die als Hongaarstalige met een deels Duitse achtergrond werd geboren in het huidige Slowakije, schrijft zowel impressionistisch als panoramisch. In zijn treffende en beeldende observaties heeft hij als literator overigens meer oog voor karakteristieke details dan voor de grote lijnen of de klassieke feiten. Zelf omschreef hij zijn benadering van het maatschappelijk gebeuren ietwat badinerend als volgt: "Ik heb de 'historische tijden' dus ongetwijfeld meegemaakt, maar mijn herinneringen uit die tijd beperken zich tot enkele menselijke gezichten: van een kaartspeler, van een dichter en van een aan morfine verslaafde vrouwelijke arts... Kennelijk beleeft iedereen de wereldgeschiedenis op zijn eigen manier" (blz. 302). Of over zijn verblijf in Parijs: "De slachthuizen van La Villette interesseerden me niet minder dan het graf van Napoleon. Mijn conciërge vond ik even belangwekkend als Anatole France" (blz. 365). De auteur flirt bovendien graag met paradoxen, zoals in de verklaring van de titel van deze autobiografische, zij het geromanceerde schriftuur: "Wat levensbeschouwing, leefwijze en geesteshouding betreft, ben ik een burger, maar ik voel me overal sneller thuis dan onder burgers" (blz. 184).

Hoewel hij veel reisde en hij uitdrukkelijk wilde participeren aan 'de Europese cultuur', bleef Márai zich in de eerste plaats een zoon voelen van Midden-Europa in het algemeen en van Slowakije in het bijzonder: "Midden-Europa, het gebied waar wij door geboorte, opvoeding, ras en cultuur toe behoorden, een stukje Europa dat wel organisch verbonden is en samenvloeit met de rest van het werelddeel, maar toch zo anders is dat de Rotschilds zich indertijd afvroegen of het wel de moeite waard was om daar een spoorlijn aan te leggen" (blz. 231); "mijn werkelijke vaderland was en bleef het bergachtige gebied in Slowakije, dat voor de oorlog Opper-Hongarije was geweest" (blz. 419-420). Dat belet intussen niet - wel integendeel - dat de uitmuntende stilist Márai in "Bekentenissen van een burger" onder meer belangwekkende en inspirerende kanttekeningen presenteert over (de nationale identiteit van) Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië, en bijzonder lezenswaardige schetsen en impressies over de respectieve hoofdsteden van deze staten.

Sándor Márai, die vanaf het midden van de jaren 1930 een teruggetrokken schaduwbestaan leidde en uiteindelijk op hoge leeftijd zelfmoord pleegde, realiseerde met "Bekentenissen van een burger" een literair monument van blijvende waarde. Net zoals zijn door hem bewonderde collega's Franz Kafka (1883-1924) en Marcel Proust (1871-1922) behoort hij met zijn romans, verhalen, gedichten, essays en toneelstukken inmiddels tot de canon van de wereldliteratuur.

Sándor MARAI, Bekentenissen van een burger, Amsterdam, Uitgeverij Wereldbibliotheek, 2007, 463 blz., 22,50 euro, ISBN 978 90 284 2208 7.