Nummer 14


| juli - augustus 1995


Vrienden, laten we praten! (Roel Van Booitshoecke)<< Nummer 14

De onnozele uitspraken van de nieuwe voorzitter van het Vlaams Parlement, Norbert De Batselier, zijn bij velen in een verkeerd keelgat geschoten. En terecht. Als voorzitter van het eerste rechtstreeks verkozen Vlaams parlement, heeft hij duidelijke taal gesproken: dit parlement mag functioneren als een veredelde gemeenteraad, maar zeker geen debatten aansnijden die verder gaan dan goed of wenselijk is... voor de federale schoonmoeder. Dat hij het meent werd nog eens bevestigd door zijn fletse 11 juli-speech op het Brusselse stadhuis.

Strijdredes op Guldensporenherdenkingen hebben meestal wel iets geforceerds. Veel is al eens vroeger en beter gezegd, maar dat betekent niet dat de grieventrommel met de jaren een lege doos zou zijn geworden. Een aantal bakens zijn inderdaad verlegd, en het heeft niet de minste zin vandaag te peroreren dat het nu maar eens gedaan moet zijn met 'communautair opbod' als je weet dat een nieuw gesprek op korte of middellange termijn hoe dan ook onvermijdelijk is. Dat de PS dit thans niet opportuun vindt, kan toch geen reden zijn om zelf een muilkorf aan te trekken. Dat de SP het socialisme al lang niet meer nastreeft, dat wisten we al. Sinds Tobback echter de partij met ijzeren hand leidt, mag er echter nauwelijks nog over iéts gepraat worden...

Het ziet er flink naar uit dat de komende jaren weinig verwacht kan worden van de meerderheidspartijen: die zullen stevig in het gareel gehouden worden door het duo Dehaene-Tobback, hierin gesteund door de propagandamachine van het Hof en alle ter beschikking staande reclamemiddelen. De oppositie heeft al evenmin veel in petto: de Volksunie is niet meer gewoon radicaal politiek weerwerk te organiseren, de VLD zit met een serieuze kater en dito identiteitscrisis, de politieke rol van Agalev is zo goed als uitgespeeld en het Vlaams Blok is er de afgelopen jaren niet in geslaagd ernstig politiek personeel aan te trekken. Het tweetal dat deze partij bijvoorbeeld in de Brusselse raad heeft laten verkiezen is van een dergelijk derderangsniveau dat iedereen die verstand heeft van politiek wel door heeft dat deze partij de facto Brussel heeft laten vallen. Wij hopen echt dat we ongelijk hebben, en de feiten dat ook zullen aantonen.

Veel zal in elk geval afhangen van de buitenparlementaire druk op onze politici: via allerlei drukkingsgroepen en de pers. Dat een krant als De Morgen wat dit betreft geen rol wenst te spelen, is een pijnlijke zaak voor de Vlaamsgezinde progressieven. Toch blijven we een pleidooi houden om te blijven praten. Over structuren, maar óók over de inhoud die we eraan willen geven. Beiden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De geschiedenis moet ons leren dat er al te veel boten gemist zijn...