Nummer 140


Cultuur | oktober 2008


ANV in tegenaanval tegen de verengelsing van het hoger onderwijs (Bernard Daelemans)<< Nummer 140

Op een studiedag, ingericht door het Algemeen Nederlands Verbond, werd stilgestaan bij de problematiek van de verengelsing van het hoger onderwijs in de Lage Landen.

Vastgesteld werd dat het gebruik van het Engels als onderwijstaal een hoge vlucht heeft genomen, vooral dan in de masters-opleidingen in Nederland. Een onderzoek van professor Oosterhof (Universiteit Gent) in opdracht van de diensten van het Vlaams-Nederlands Cultureel Verdrag, bracht de situatie enige tijd geleden in kaart. Aan de Nederlandse universiteiten domineert het Engels in de masters-opleidingen, maar sommige universiteiten, zoals die van Maastricht en de Ingenieursopleidingen van Wageningen zijn praktisch volledig verengelst, bachelorsniveau inbegrepen. In Vlaanderen is het gebruik van het Engels daarentegen erg beperkt, zowel op het niveau van de masters- als de bachelors-leerjaren. Daarmee lijkt de bestaande Vlaamse wetgeving dus wel degelijk een dam op te werpen tegen de verengelsing. In Nederland legt de wet nochtans ook het Nederlands op als voertaal voor het hoger onderwijs, al kunnen de universiteiten uitzonderingen toestaan. Ze moeten dan een gemotieerde taalcode neerleggen bij het departement Onderwijs. Dit leidde ertoe dat de uitzondering in Nederland veeleer de regel is geworden. Hierover ondervraagd door het ANV, antwoordde de Nederlandse onderwijsminister Plasterk dat hij niet van plan is iets te doen om het Nederlands als taal van de wetenschap te vrijwaren. Gezien het feit dat elke universiteit correct zijn taalcode neerlegde, ziet de minister geen reden tot ingrijpen. In 2003 werd een petitie bezorgd aan de vaste kamercommissie voor onderwijs met als bede om de onderwijstaalwet te handhaven. De kamercommissie heeft echter nooit een antwoord geformuleerd op dit verzoek; geen van de leden van de Nederlandse onderwijscommissie vond de tijd om aan de studiedag van het ANV deel te nemen. Dat staat dan wel in schril contrast met collega's in van het Vlaams parlement. Het was commissievoorzitter Monica Van Kerrebrouck (CD&V) die na ANV-voorzitter Arno Schrauwers de problematiek voor Vlaanderen inleidde. Immers, de nochtans recente Vlaamse wetgeving (2004) staat onder druk. Minister van wetenschapsbeleid Patricia Ceysens (VLD), die pleit sedert enige tijd voor meer Engels in het hoger onderwijs. Zij deed dat op basis van het zogeheten rapport-Soete, dat aanbeveelt om de taalrestricties in het hoger onderwijs in Vlaanderen eenvoudigweg te schrappen. Bij opening van het Academiejaar aan de KUL herhaalde Ceyssens haar standpunt. Van Kerrebrouck verwees ook naar twee recente adviezen van de Vlaamse Raad Hoger Onderwijs (VLOR) en de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid waarin telkens gepleit wordt voor een versoepeling van de regels. Voor de VLOR moeten volledig anderstalige masteropleidingen mogelijk worden. Dit laatste standpunt wordt niet gedeeld door de studentengeleding binnen het VLOR. Hierover geïnterpelleerd antwoordde Vlaams Onderwijsminister Frank Vandenbroucke: "Ten gronde denk ik dat het erg belangrijk is dat elke jongere in Vlaanderen in het Nederlands een diploma aan een universiteit of aan een hogeschool kan behalen. Dat is essentieel." En verder: "ik denk dat er wel redenen zijn om onze toch wel heel strakke regelgeving over andere talen, zoals het Engels, een beetje te versoepelen om het inderdaad interessanter te kunnen maken, om buitenlandse studenten aan te trekken en omdat onze eigen studenten ook heel vaak verder studeren in het Engels of het Engels ook echt wel nodig hebben." Het is maar de vraag of er voor een versoepeling van de regels in Vlaanderen een meerderheid te vinden is (dat moet overigens een tweederde meerderheid zijn), aangezien zowel CD&V, N-VA en Spirit (en uiteraard het VB) gekant zijn tegen een wetswijziging.

Van Kerrebrouck verwees nog naar een initiatief van Europees commissievoorzitter Manuel Barroso. Deze vroeg aan een groep vooraanstaanden uit de cultuurwereld een advies te formuleren over de bijdrage van meertaligheid aan de interculturele dialoog en het wederzijds begrip tussen de burgers in de Europese Unie. Zij stelden in hun antwoord te ijveren voor het behoud van de eigen taal een tweede taal, persoonlijke adoptietaal - niet noodzakelijk het Engels - aan te leren. Zodanig dat elke eigen Europese taal haar bevoorrechte plaats krijgt in de bilaterale uitwisselingen met alle Europese partners en dat "geen enkele taal tot uitsterven gedoemd is en dat ook geen enkele taal gereduceerd wordt tot een plaatselijk dialect."

Jan Roukens van de Stichting Nederlands citeerde een internationaal vergelijkend onderzoek dat aantoont dat de academische wereld in Europa op zijn geheel helemaal niet zo staat te springen om over te schakelen op het Engels. Nederland neemt hier een absolute koppositie in, samen met enkele scandinavische landen, op geruime afstand gevolgd door Duitsland. (In Nederland dubbel zoveel Engelstalige studieprogramma's als in Duitsland, een land dat vijf keer zo groot is). In midden-Europa is er een zeer bescheiden mate van verengelsing van het hoger onderwijs waarneembaar (enkele percenten). In de Zuid-Europese is het Engelstalig hoger onderwijsaanbod quasi nihil. Deze landen staan dan ook zeer kritisch tegenover de verengelsing van het hoger onderwijs. Nog steeds volgens Roukens wordt de verengelsing van het onderwijs vooral gedreven door de leiding van de onderwijsinstellingen (80% vóór), terwijl studenten er lauw tot negatief tegenover staan (25% voorstanders).

Verschillende sprekers op de studiedag wezen op de gevaren van het overschakelen op Engels als wetenschaps- en onderwijstaal. "Het begrijpen van moeilijke verbanden en zeker het formuleren van nieuwe, originele gedachten lukt het best in de moedertaal", aldus prof. Reiner Arntz (decaan Romaanse taalwetenschap Universiteit Hildesheim en wetenschappelijk directeur Vreemde talencentrum van de universiteit van Bremen). Prof. emeritus dr. Yvan Vanden Berghe (Universiteit Antwerpen): "Waarom kunnen studenten met een taalachterstand het hoger onderwijs niet aan? De redenen zijn nogal evident: in het hoger onderwijs proberen studenten een theoretische kennis van een bepaalde wetenschap aan te leren. Dit vraagt abstract denken, eindeloos kunnen nuanceren en ook het vermogen tot synthese. Terecht willen sommige docenten - in een moedige strijd tegen de vervlakking - daar redelijk diep op ingaan. Dat kan alleen maar gebeuren in een taal die zeer goed wordt beheerst: voor het merendeel van de studenten in de wereld is dat de moedertaal. (...) Naast theoretische inzichten worden ook vaardigheden aangeleerd. Tot die vaardigheden behoren ook steeds het mondeling en schriftelijk rapporteren over een facet van het vakgebied. Hier ook falen de taalzwakken. Wat ik als hoogleraar met meer dan 40 jaar ervaring niet kan begrijpen is dat sommige niet bijzonder pedagogisch aangelegde personen door te pleiten voor de veralgemeende invoering van het Engels in het hoger onderwijs plots van de meeste docenten en studenten taalzwakken of taalarmen willen maken. Dit lijkt me een moedwillige aanslag op de nu nog steeds hoge kwaliteit van het hoger onderwijs te zijn". (Een opiniebijdrage van prof. Vandenberghe over deze problematiek werd door de redactie van De Standaard geweigerd).

Voorstanders van het Engels als onderwijstaal schermen vaak met het argument dat de Vlaamse universiteiten op die manier meer buitenlandse studenten kunnen aantrekken. Maar internationaal onderzoek kan geen verband vaststellen tussen Engelstalig aanbod en de aanwezigheid van buitenlandse studenten. Professor Jozef Devreese is ervan overtuigd dat alleen kwaliteitsvol onderwijs internationale studenten aantrekt, niet de taal van het onderwijs.

Overigens is het zo dat de verreweg de meeste afgestudeerde dokters, juristen en architecten hun beroep zullen uitoefenen in eigen regio. Overschakeling op het Engels schept een kloof tussen volk en wetenschap. De Nederlandse taal dreigt inhoudelijk te verschralen en maatschappelijk prestigeverlies te lijden.

Yvo Peeters, lid van de Vereniging Nederlandse Terminologie, wees op het belang van het bestaan van Nederlandse vakterminologie. Door het Nederlands uit het wetenschappelijk taalverkeer te bannen lijdt de taal een capaciteitsverlies. Voor hem is het daarom onbegrijpelijk dat de Vlaamse Gemeenschap en de academische overheden het toekennen van subsidies en promoties voor academische staf afhankelijk stellen van opname van publicaties in de International Citation Index (ICI), dat is een Amerikaanse privé-organisatie die de internationale wetenschappelijke vakbladen excerpeert en labelt. Niet-Engelstalige stukken worden hierin niet opgenomen. Vlaamse wetenschappers die niet in de Index voorkomen, bestaan in feite niet meer, ze komen dan ook niet voor promotie in aanmerking. Dat is de beleidslijn van de Vlaamse overheid.

Niemand betwistte natuurlijk de noodzaak van het aanleren van vreemde talen. Dit kan echter ook op andere manieren dan door het omgooien van de onderwijstaal. Prof. Em. Willy Martin (Faculteit Letteren, Vrije universiteit Amsterdam), voorzitter van de Vereniging Nederlandse Terminologie, deed een aantal concrete voorstellen. Hij pleitte voor de inrichting van vakken 'English for special purposes', waarbij telkens een vakdocent en een taaldeskundige samen een cursus ontwikkelen.

Er moet komaf gemaakt worden met het adagium 'publish in English or perish'. De overheid zou moeten overgaan tot het inventariseren van de eigen overheidsterminologie en in het algemeen zou er een vaktalencorpus moeten aangelegd worden.

In het afsluitend debat pleitten de politici Dirk De Kock (Vlaams-progressief) en Erik Meijer (SP) voor het behoud van de volkstaal in het hoger onderwijs. De Kock verwees daarbij nog in het bijzonder naar de problematische situatie van allochtone jongeren die door taalachterstand nog onvoldoende doorstromen naar het hoger onderwijs. "Net nu die inspanningen om de achterstand met betrekking tot het Nederlands weg te werken vruchten beginnen af te werpen, wil men een bijkomende drempel inbouwen door aan onze universiteiten en hogescholen het Engels in te voeren. Dit zet de poort wagenwijd open naar een duale kennismaatschappij." De Kock waarschuwde overigens voor de nefaste invloed op het middelbaar onderwijs. Als het hoger onderwijs in het Engels verloopt zal vrij snel ook de vraag rijzen naar meer Engels in het middelbaar onderwijs. In Nederland is het overigens al zover.

Vlaanderen kan zich alvast schrapzetten tegen een nieuwe poging om het Nederlandstalig karakter van het hoger onderwijs te ondermijnen. In Nederland begint het stilaan te dagen dat er een probleem is. Debat-moderator Hugo Weckx (CD&V) hoopte dat de discussie kan verlegd worden naar de gemeenschappelijke Vlaams-Nederlandse politieke organen, met name de Taalunie en de Commissie van het Vlaams-Nederlands Cultureel Verdrag, waar Vlamingen en Nederlanders zowel op parlementair als ministerieel vlak samenwerken.