Nummer 142


Nieuws uit het derde gewest en zijn riante omgeving | december 2008


(Euro-)Brussel-kroniek (Bernard Daelemans)<< Nummer 142

Minister Cerexhe (CDH) in de aanval tegen taalwetten

De Brusselse minister van economie en werkgelegenheid heeft de frontale aanval op de taalwetgeving geopend. De taalwetgeving verlamt de werking van de Brusselse instellingen, meent hij. Dat geldt evengoed voor de gewestelijke als voor de gemeentelijke instellingen en de politie. Aanleiding voor zijn diatribe tegen de taalwetgeving vormt het feit dat de Raad van State het moeizaam bereikte taalkader van de Brandweer (en de dienst 100) heeft vernietigd.

De brandweer, net als alle gewestelijke diensten werken volgens het principe: ééntalige agenten, tweetalige diensten. In functie van het 'werkvolume' in de respectieve landstalen moet een taalkader vastgelegd worden waarin het aantal Nederlandstaligen en Franstaligen wordt bepaald. Op directieniveau geldt de pariteitsregel. Het is niet de eerste keer dat het taalkader van de brandweer wordt vernietigd. (Franstalige) personeelsleden die zich gepasseerd voelden door het taalkader procedeerden al eerder bij de Raad van State die de criteria voor de vaststelling van de taalverhoudingen in het 'werkvolume' niet transparant vindt.

Feit is dat er bij de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een stilzwijgende afspraak bestond dat er binnen de gewestadministratie zou gestreefd worden naar een verhouding van 1/3 Nederlandstalige en 2/3 Franstalige personeelsleden. Deze afspraak heeft echter geen wettige basis. Er werden dan criteria uitgedokterd om de verhoudingen in het werkvolume te 'doen kloppen'. Maar zoals gezegd greep de Raad van State hier algauw in.

De eerste die met zo'n beslissing geconfronteerd werd was Vic Anciaux, destijds als Brussels staatssecretaris bevoegd was voor de brandweer. Na moeizame besprekingen werd toen (in 1997) een verdeelsleutel afgesproken van 29,37N/70,63F, waarbij het Nederlandstalige aandeel onder de psychologische drempel van 30% zakte. Verbolgen over dit resultaat en de algemene sfeer waarin deze afspraak tot stand kwam, nam Anciaux ontslag uit de Brusselse regering. De regeling bleef niettemin gehandhaafd tot de vernietiging door de Raad van State die eind vorige maand werd uitgesproken.

Eerder dit jaar vernietigde de Raad van State ook het algemene taalkader van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Daardoor kunnen geen nieuwe personeelsleden meer aangeworven worden en kunnen ook geen bevorderingen meer uitgevoerd worden.

Cerexhe wil daarom dat de wetgeving wordt bijgesteld: hij wil niet afstappen van de eentaligheid van de ambtenaren, maar hij wil een vaste verhouding bij wet laten vastleggen in plaats van een die gebaseerd is op het werkvolume (maar hij geeft zelf niet aan welke verhouding voor hem aanvaardbaar is). Hij wil komaf maken met de taalpariteit op directieniveau. Hij wil het systeem van eentalige ambtenaren ook invoeren voor de gemeenten (waar tot nog toe het principe geldt dat de ambtenaren tweetalig moeten zijn) en voor de politiezones. Ook daar moet de pariteitsregel afgeschaft worden. Hij wil ook plaats ruimen voor het Engels in de Brusselse gemeentelijke administraties. Tot slot moet de organisatie van de taalexamens uit handen genomen worden van het federaal selectiebureau Selor, om de examens 'meer aangepast' te maken aan de Brusselse realiteit.

Benoît Cerexhe gaat door voor een 'gematigde' Franstalige. Hij heeft inderdaad middelen vrijgemaakt voor taalopleidingen bij Actiris (de Brusselse VDAB), dat onder zijn hoede valt. Zijn idee om ook op gemeentelijk vlak het beginsel van eentaligheid van ambtenaren in te voeren vindt ook ingang bij Brussels gewestminister Guy Vanhengel. De taalwetgeving in Brussel ligt ook op tafel bij de communautaire dialoog, al is het standpunt van de Vlaamse regering dat aan de taalwetgeving niet mag geraakt worden.

Gemeenten storen zich hoe langer hoe minder aan de taalwetgeving

Intussen heeft de vice-gouverneur van Brussel zijn jaarlijks taalrapport neergelegd. Dit rapport heeft alleen betrekking op de personeelssituatie bij de gemeenten en OCMW's. Het toezicht op de openbare ziekenhuizen en de politie werd de vice-gouverneur 'stoemelings' ontnomen, omdat men 'vergeten' was bij de oprichting van de ziekenhuiskoepel Iris en bij de overdracht van de gemeentepolitie naar de politiezones. Ook op het personeelsbeleid van het gewest en de federale diensten die in Brussel gevestigd zijn heeft de vice-gouverneur geen zicht.

De cijfers in het rapport zijn niettemin bloedstollend. Op twaalf jaar tijd stelde de vice-gouverneur niet minder dan 16.253 overtredingen vast bij benoemingen of bevorderingen van gemeente- en OCMW-personeel. Slechts in 6.880 gevallen sprak de vice-gouverneur een schorsing uit, omdat hij tussen 1997 en 2004 rekening hield met de omzendbrieven van de Brusselse regering (in het kader van het 'taalhoffelijkheidsakkoord') die toelieten dat gemeenten mensen aanwierf in afwachting van het verwerven van het taalattest (dat moest dan theoretisch binnen de twee jaar gebeuren, maar eens aangeworven bleven de betrokkenen op de dienst). Die omzendbrieven werden later vernietigd door de Raad van State. Hoe dan ook, de vele duizenden schorsingen bleven zonder gevolg omdat de Brusselse regering geen gevolg gaf aan de beslissingen van de vice-gouverneur, behalve dan in enkele gevallen (waarover de vice-gouverneur ook geen cijfers kan geven).

Sedert de taalhoffelijkheidsakkoorden zit de taalsituatie op een hellend vlak. Vóór 1997 schommelde het aantal overtredingen rond de 20% bij de gemeenten en al rond de 45% bij de OCMW's. Na 1997 zijn de zaken van kwaad naar erger geëvolueerd. In 2000 waren er 32,5% overtredingen (49% bij de OCMW's); in 2005 61% (90% bij de OCMW's) en in 2007 64% bij de gemeenten en 87% bij de OCMW's (dat laatste was dus een lichte verbetering, maar in absolute cijfers gaat het om nog meer onwettelijke benoemingen : 1023 tegen 883 in 2005).

In 2007 werden er op een totaal van 2.633 personeelsaanstellingen 1.953 mensen zonder taalbrevet benoemd. De Nederlandstaligen halen wel vlotter hun taalattest dan de Franstaligen (63,5% tegen 27%), maar het aantal Nederlandstalige personeelsleden dat in 2007 werd aangeworven is op zichzelf zeer klein (slechts 13%). Met de taalpariteit op directieniveau gaat het ook al achteruit: bij de gemeenten zijn er 130 Nederlandstaligen in het hoger kader tegen 160 Franstaligen. Bij de OCMW's zijn er 53 Nederlandstaligen tegen 74 Franstaligen.

VLD wil Engels als derde officiële taal voor Brussel

Op een ledencongres van VLD-Brussel, waar een 200-tal Brusselse VLD'ers aan deelnamen, werd een 'liberaal manifest voor een open stad' goedgekeurd. Er zitten een aantal opmerkelijke stellingen bij de negen resoluties die op dat congres werden goedgekeurd. VLD-Brussel blijft gehecht aan het federale België met haar (sic) gewesten en gemeenschappen, maar wil Brussel zien samenwerken met de omliggende regio in een grote 'stadsgemeenschap'. Brussel, en de steden in het algemeen moeten meer middelen toegestopt krijgen om hen toe te laten in te staan voor de economische infrastructuur in het land en voor hun onmiddellijke regio. Stedelijk wonen moet fiscaal beloond worden door een stadskorting op de onroerende voorheffing en de personenbelasting.

Op het vlak van onderwijs wil de VLD dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest "in toenemende mate het Nederlandstalig en Franstalig onderwijs financiert voor haar schoolinfrastructuur en pedagogisch project. In het bijzonder denken we aan projecten gericht op uitwisseling en taalverwerving." Pro memorie: als VGC-collegelid, bevoegd voor onderwijs heeft Guy Vanhengel de afgelopen jaren reeds fors geïnvesteerd in de Vlaamse schoolinfrastructuur in Brussel, met federale extra-middelen die de VGC ontving in het kader van de Lambermont-akkoorden (staatshervorming 2001). Deze investeringen waren broodnodig. Dat VLD nu vanuit Brussel wil sleutelen aan het pedagogisch project van het Vlaams onderwijs is nieuw. Er wordt in Brussel al langer gepleit voor 'aangepaste' eindtermen. Een gevaarlijke evolutie.

Verder wil de VLD "een actief Brussels integratiebeleid, ondersteund door beide gemeenschappen, gericht op inburgering, burgerschap en politieke participatie, onderwijsparticipatie, taalverwerving, professionele opleiding, participatie op de arbeidsmarkt en persoonlijke emancipatie." Op dit ogenblik is het juist de Vlaamse gemeenschap die in Brussel een dergelijk beleid voert, zij het dat dit in Brussel enkel kan op vrijwillige basis. Zowel het Huis van het Nederlands, het verruimde aanbod taalcursussen, de inburgeringscursussen van BON (Brussels Onthaal Nieuwkomers) als de cursussen 'Nederlands op de werkvloer' (VDAB) en de gerichte arbeidsbemiddeling via 'Tracé' zijn stuk voor stuk Vlaamse initiatieven die een groot succes kennen. Wil de VLD dit beleid nu 'verbrusselen'?

In één adem met het voorgaande pleit de VLD ervoor om "de internationale roeping van Brussel ook te versterken door de erkenning van het Engels als administratieve taal in gewestelijke en gemeentelijke communicatie en dienstverlening." Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft tot nu toe volledig gefaald om de grondwettelijk vastgelegde tweetaligheid van zijn diensten en administraties te waarborgen, maar daarover wordt in het 'liberaal manifest' niet gerept. De VLD draagt nochtans al tien jaar verantwoordelijkheid in de Brusselse regering. En wat voor het Nederlands niet lukt gaat men voor het Engels proberen... De VLD baseert zich hierbij op onderzoek van VUB-professor Rudi Janssens die in zijn grote talenonderzoek vastgesteld heeft dat het Engels het Nederlands voorbijgestoken heeft als tweede belangrijkste taal van Brussel (30% van de Brusselaars beweert goed tot zeer goed Engels te spreken), maar Janssens is zelf de eerste om dit gegeven met een grote korrel zout te nemen. Slechts zeer weinig Brusselaars hebben het Engels als moedertaal. Bij de meesten, zo blijkt nog uit zijn onderzoek, is het Engels een taal die ze enkel van school kennen en die ze eigenlijk haast nooit spreken. Dat ze dan toch beweren die taal 'goed tot zeer goed' te beheersen zegt dus waarschijnlijk meer over hun houding tegenover het Engels dan over hun daadwerkelijke taalbeheersing. De VLD is voor integratie en taalverwerving van de nationale talen, maar gaat nu Engelstalige faciliteiten organiseren. We hebben in de rand kunnen vaststellen waar dat in de praktijk toe geleid heeft. Het is een extra aanmoediging voor nieuwkomers om zich vooral niet te integreren. Men plaatst het Nederlands dan ook formeel in concurrentie met twéé wereldtalen. Het lijdt niet de minste twijfel dat het Nederlands alleen nog verder gemarginaliseerd dreigt te worden indien dit voorstel er ooit doorkomt.

Jan Verheyen neemt Dansaert-Vlamingen onder vuur

Naar jaarlijkse gewoonte reikt het Vlaams Komitee voor Brussel een erepenning 'Albert De Cuyper' uit aan een verdienstelijke Vlaming. Het was een bijzondere keuze dit jaar, want er werd nu eens niet iemand gehuldigd die zich had bezig gehouden met het bevorderen van het Nederlands in een of ander domein (ziekenzorg, administratie, gerecht), zoals dat in voorgaande jaren het geval was geweest. De laureaat was deze keer iemand uit de culturele sector, de Vlaamse cineast Jan Verheyen, die zich onbeschroomd Vlaams noemt, die zich ergert aan de anti-Vlaamse opstelling van vele collega's in de culturele wereld, en die onlangs een film uitbracht, Los, waarin hij de draak steekt met bepaalde politiek-correcte opvattingen.

VKB-voorzitter Jan Degadt herinnerde eraan dat de culturele autonomie de oudste Vlaamse eis is die ooit werd ingewilligd. "Maar wat hebben we er van gebakken? Vandaag stellen wij vast dat een aantal Vlamingen die in Brussel het mooie weer maken in de politiek én in de kunstensector zich een 'Brusselse identiteit' menen te moeten aanmeten en willen stappen in het verhaal van de 'Brusselse Gemeenschap'. De tijd dat de Vlamingen in Brussel hun identiteit aflegden om zich gewillig te alten verfransen is dan wel voorbij, vandaag koesteren sommigen een kosmopolitische non-identiteit. Daarbij zetten ze zich vaak tegen het 'provinciale' Vlaanderen af. (...) Ze schijnen te vergeten dat alle verworvenheden in Brussel op vlak van taal, cultuur en onderwijs net zoals de taalwetten met veel bloed, zweet en tranen zijn opgebouwd in een vijandig klimaat. Ze vergeten dat hun huidige relatieve luxepositie gestoeld is op de financiële én politieke macht van de hele Vlaamse gemeenschap, ook vandaag nog. Toch bijten ze met de regelmaat van de klok in de gulle Vlaamse hand. Deze Vlaamse yuppies staan bekend onder de noemer 'Dansaert-Vlamingen'". Toen Verheyen door het VKB werd gecontacteerd om hem te vragen of hij de erepenning Albert De Cuyper wilde aanvaarden antwoordde hij verbaasd dat hij er niet van op de hoogte was dat er in Brussel nog àndere dan Dansaert-Vlamingen bestaan. "Zo ver is het dus al gekomen, dat deze Dansaert-Vlamingen volop het beeld van de Brusselse Vlamingen monopoliseren", aldus nog Jan Degadt.

Volgde een zeer onderhoudende, onnavolgbare laudatio, gebracht door cultuurfilosoof Johan Sanctorum, met als titel 'Ode aan de wansmaak'. In deze lezing brengt Sanctorum eerst en vooral hulde aan "de Vlaamse slijkmens, de boertige, onverlichte barbaar die door Permeke werd geschilderd, de smakeloze en cultuurloze ploeteraar die zich opwarmt aan de mesthoop. Vlamingen hebben iets met slijk en stront. Het zit in ons, het valt niet af te wassen - daarom haat de verlichte Belgische francofonie de naar de aarde gekeerde, bruinzwarte Menapiër (...) De Vlaming als varken, barbaar, zwartzak. De Waalse mijnputten waar de sales flamands in afdaalden, het slijk van de IJzervlakte, en al het bruinzwart gemodder dat daarop volgde, het hang aan ons vel als een tweede huid en vrat zich een weg naar binnen. De Vlaamse culturele elite lijdt daarom aan een witwascomplex. Maar Jan Verheyen volgt een afwijkend pad: op een zeker moment doet hij het licht uit, laat zijn alter-ego los (of zijn echte, eerste ego, wie zal het zeggen), en dan begint het serieus te stinken." Verheyen was inderdaad tien jaar lang de organisator van de 'Nacht van de Wansmaak', "een naar excrementen ruikende cinema-mix van slechte porno, hilarische horror, infra-politiek fascisme, klungelig gooi- en smijtwerk, dat alles overstemd door een bloedstollend weerwolfgeloei. (...) De Nacht van de Wansmaak is een subversief semi-undergroundgebeuren, een beeldenstorm met een anarchistisch karakter, gericht tegen wat hij (Jan Verheyen) de 'smaakpolitie' noemt." Vervolgens heeft Sanctorum het nog over de film 'Los', naar het gelijknamige boek van Tom Naegels. "Het boek én de film vloeken in de politiek-correcte kerk, omdat zij een probleem aankaarten dat decennia lang onder de mat werd geschoven, namelijk de samenlevingsproblemen tussen wat ik maar gemakshalve autochtonen en allochtonen zal noemen. Jan Verheyen hekelt in dat opzicht de zogenaamde Dansaert-Vlaming: de modern-Vlaamse culturo die zich breeddenkend en cosmopolitisch voordoet, Brussel idealiseert als een nieuw veelkleurig en multicultureel paradijs, alle nieuwste trends achternaloopt, maar ondertussen hopeloos achterloopt op de politieke en sociale realiteit, zich haast excuseert over zijn Vlaamse afkomst en het oude tricolore patriottisme omhelst."

In zijn dankwoord hernam Jan Verheyen deze gedachtengang. "Als zelfs een sympathieke, a-politieke collega als Erik Van Looy zich in interviews nadrukkelijk positioneert als belgicist en wel eens aanschuift voor een bouchée à la reine in Laken, mag je aannemen dat dezer dagen het zich outen als Vlaming - of daar gewoon al niet beschaamd voor zijn - het equivalent is van het uit de kast komen van Will Ferdy in de jaren stillekens. (...) Waar in normale landen de artistieke wereld bijna per definitie kritisch staat tegenover kerk en staat, is ze hier verworden tot de schoothond van de meest anti-democratische instelling die er bestaat: het koningshuis, laatste symbool van de erfelijke macht. Arno op het verjaardagsfeestje van de koning, alleen in dit land wordt dat niet als toppunt van absurdisme beleefd." Verheyen vermoedt dat het hier gaat om een soort Pavlov-reactie als gevolg van zoveel Zwarte Zondagen: rechts is fout, dus Vlaams is fout.

Ondanks zijn irritatie over deze waarnemingen kan het Verheyen niet buitengewoon veel schelen: "Ik lig niet wakker van Europa, België of Vlaanderen, ik zal al blij zijn als we efficiënt bestuurd worden - wat dus uitdrukkelijk niét betekent dat een op wereldschaal onbetekenende stad als Brussel recht heeft op iemand die zich, zonder daarbij zelf in lachen uit te barsten, minister-president noemt. Ik bedoel maar: New York heeft een burgemeester."

Maar Vlamingen hebben evenveel recht op het uiten van hun eigen cultuur dan pakweg Denen, Ieren, Basken Portugezen. "Ik vind dat vanzelfsprekend, en ik vind zelfs dat dat losstaat van trots of chauvinisme of nationalisme. Het is simpelweg een deel van wie we zijn. Ik ben dus Vlaams, verdraagzaam, solidair en open voor de wereld. Maar ik vind wel dat het schijten op of kleineren van die Vlaamse cultuur, of dat nu gebeurt door de smaakpolitie, de muziekmaffia, of welke andere zelfuitgeroepen groep poortbewakers ook, misplaatst is, unfair en vooral getuigt van een pover zelfbeeld." Verheyen besloot nog met de belofte dat hij zijn uiterste best zal doen om in de komende jaren nog meer mooie, relevante Vlaamse films voor een zo breed mogelijk publiek te maken.

De integrale teksten van Degadt, Sanctorum en Verheyen zijn te lezen in de december-editie van De Brusselse Post (aan te vragen via: els PUNT grootaers APENSTAART skynet PUNT be)

"De zuidelijkste stad van de Lage Landen"

Onder deze titel publiceerde AB-directeur Jari Demeulemeester zijn bijdrage in het boek "Wat met Brussel?", dat recent door het Davidsfonds in samenwerking met de Vlaamse Volksbeweging werd uitgegeven (zie bespreking in onze boekenrubriek). Demeulemeester schetst hierin de verschillende segmenten in het Vlaamse volksdeel van de hoofdstad, en stuit eveneens op de tweedeling tussen kosmopolieten en Vlaamsvoelenden.

"Hoe ziet dat nieuwe stadsvolk er nu uit, wat drijft het en hoe beweegt het zich in de Brusselse smeltkroes? Wie beslist vandaag in Brussel te komen wonen, wil geen vaandeldrager meer zijn. Natuurlijk is immigreren naar Brussel op zichzelf al een grote onderneming. Vanuit beveiligde buurten in welvarende provincies kom je terecht in een drukke, dikwijls ondefinieerbare, bonte en ongrijpbare wereld. Wie in die proeftijd slaagt (want een aantal vertrekt prompt na een aantal jaren), wil al lang niet meer horen van het herstel van de grote Vlaamse rechten in Brussel. Zo wagen jaarlijks honderden nieuwe trekkers vanuit de kuststreek, Klein-Brabant of het Maasland de grote vlucht naar deze stad, weg van de sociale controle in hun thuishaven, op zoek naar excitement in de city, maar tegelijk op zoek naar nieuwe geborgenheid. Ze hebben het conflict met de files, de verkwiste tijd en de benzineduurte zinvol opgelost. Ze zijn alert, nieuwsgierig, tolerant en onbevangen. Ze zijn meestal tussen de twintig en de vijfendertig jaar oud, en ofwel komen ze beiden goed aan de kost, ofwel kiezen ze als single voor een zeer eigenzinnig bestaan. Zij vormen het nieuwe stadsvolk, ze zijn vranker en hebben een sterker zelfbeeld dan de autochtonen van weleer. In welke taal het herstel van het zo vitale weefsel tot stand komt, is voor hen niet langer een kopzorg. Vanuit hun dagelijkse omgang met zovele andere kleine wereldburgers in deze stad hoor je steeds meer van oorsprong Nederlandstalige lieden ontkennen dat iedereen toch érgens vandaan komt, of dat elke vogel een eigen taal heft. Door hun beperkt historisch kader vinden zij ook dat een stadstaat zonder achterland best moet kunnen en dat de kosten daarvan sowieso door andere instanties moeten betaald worden (en dat gebeurt tot nu toe nog steeds door toedoen van het federale niveau, d.w.z. voor 70% met Vlaams belastingsgeld.) Steeds meer kijken ze laatdunkend neer op de provincie, op de zogenaamde boerenbuiten, en ze hebben weinig boodschap aan de onthaalplicht en de uitstralingsopdracht die elke hoofdstad heeft ten aanzien van zijn gemeenschappen en van het achterland (...).

Naast de trendy, 'intercultureelgerichte' nieuwe Brusselaars zijn er nog altijd Vlaamsvoelende mensen die naar Brussel immigreren (vooral in het noorden van de stad, de hoek Molenbeek, Jette, Koekelberg). Die hebben zeker nood aan Nederlandstalige (veelal culturele) aanwezigheid en trekken hun neus niet op voor meer Vlaamsgerichte initiatieven, noch voor populaire cultuur uit het moederland. Zij blijven de eerste bondgenoten van de aloude Vlaamse droom. Zij zullen nog een tijd kunnen rekenen op de flamingante pioniers, de van hun erfgoed doordrongen cultuurijveraars, van wie de Brusselse stamboom soms tot midden van de negentiende eeuw teruggaat. Dit artikel is voor mij dan ook een huldebetoon aan al deze consequente lieden. De media koesteren tegenover deze nieuwe Vlaamsvoelend gebleven inwoners nogal wat drempelvrees en hanteren dan graag extreemrechtse spookbeelden." Ten slotte breekt Demeulemeester nog een lans voor de 'stadsliefhebbers die er niet wonen'. De huiver die de pendelaars in bepaalde milieus in Brussel opwekken vindt hij een 'absurd verhaal'. "Hoeveel Vlamingen hebben geen boontje voor de hoofdstad, terwijl ze hun nieuwe woonplaats veelal als een slaapstad en een villegiatuurtje beschouwen?" Van de prestaties van het Brussels beleid van de afgelopen twintig jaar is Demeulemeester niet erg onder de indruk. Een Vlaamse inbreng om van Brussel iets te maken is onontbeerlijk. "Wanneer ik de noden op een rijtje zet, het financiële plaatje met steeds grotere huiver moet aanzien, de mediocriteit van het tot op heden gevoerde beleid, de politieke machteloosheid om voor dit schone plekje een roeping te ontwikkelen tot een zacht wereldstadje op mensenmaat, dan hoop ik dat voor haar noodzakelijke economische en sociale groei dringend een eigentijds schoeisel kan worden ontworpen. En dat kan niet zonder de schoenmaker uit het achterland. En tot nu toe heeft Vlaanderen zich node tot de rol van schoenlapper moeten beperken."