Nummer 144


Nieuws uit het derde gewest en zijn riante omgeving | februari 2009


(Euro-)Brussel-kroniek (Bernard Daelemans)<< Nummer 144

Taalwet in Brussel straks afdwingbaar?

De Raad van State velde kort geleden een arrest waarin hij de Brusselse openbare ziekenhuiskoepel Iris aanmaant om aan het Vlaams Komitee voor Brussel inzage te geven in zijn personeelsbeleid. Daarmee opent de Raad van State de mogelijkheid voor de Vlaams-Brusselse strijdvereniging om op termijn benoemingen van Nederlandsonkundig personeel in de Brusselse ziekenhuizen te laten vernietigen. Dit zou een einde stellen aan meer dan 45 jaar impasse en flagrante schendingen van het tweetaligheidsbeginsel dat geldt voor de Brusselse openbare diensten, waarvan de taalwetsovertredingen in de openbare ziekenhuizen het schrijnendst zijn.

De niet-naleving van de taalwetgeving in de Brusselse openbare diensten is een oud zeer. Sedert de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gaat het met het respect voor de tweetaligheidsverplichting van gemeentelijk overheidspersoneel steil bergaf. In zijn laatste rapport geeft de vice-gouverneur van Brussel, bevoegd voor het toezicht op de naleving van de taalwetgeving een overzicht: in de laatste twaalf jaar zijn in de 19 gemeenten en OCMW's van Brussel door zijn ambt niet minder dan 16.253 wederrechtelijke aanstellingen of bevorderingen vastgesteld van personeelsleden die niet over het wettelijk vereiste taalattest beschikken. Het gaat daarbij van kwaad naar erger: in het jaar 2007 noteerde de vice-gouverneur bij de nieuwe aanstellingen van gemeentepersoneel 930 agenten zonder taalattest (63,8%) en bij de OCMW's zelfs 1.023 (86,98%).

Komt daarbij dat de vice-gouverneur sinds ruim tien jaar geen enkel zicht meer heeft op het personeelsbeleid van de Brusselse OCMW-ziekenhuizen. Dat is te wijten aan het feit dat bij de oprichting van IRIS ('Interhospitalenkoepel van de Regio voor Infrastructurele Samenwerking') verzuimd werd het wettelijk toezicht van de vice-gouverneur in te schrijven in de ordonnantie van de 'Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie'. Daardoor hebben de ziekenhuisdirecties, die al geen te beste reputatie genoten op taalvalk, helemaal vrij spel. Als Vlaming kun je maar beter niet in zo'n ziekenhuis terechtkomen.

Het Vlaams Komitee voor Brussel en andere Vlaamse actoren uit de hoofdstad waren er tien jaar geleden al wel in geslaagd aan deze wantoestand ruchtbaarheid te geven in de media. Toch werd vanuit de politiek alleen lippendienst bewezen aan deze slepende problematiek. Een ommekeer van het beleid kwam er nooit, ondanks het feit dat er steeds twee Vlaamse ministers nodig zijn om een Brusselse regering te vormen. Integendeel, opeenvolgende Brusselse regeringen trachtten zelfs een soepeler interpretatie van de taalwetgeving door te voeren, in de vorm van omzendbrieven die de gemeenten en OCMW's uitzonderingen toestond om toch tot aanwerving van niet-tweetalig personeel over te gaan. Daarom besloot het Vlaams Komitee voor Brussel om via de juridische weg het respect voor de taalwetgeving af te dwingen.

In een eerste fase werd van de Raad van State verkregen dat deze omzendbrieven vernietigd werden. De Raad bevestigde daarmee in duidelijke bewoordingen dat al het lokaal overheidspersoneel in Brussel, zowel vastbenoemden als contractuelen, vóór hun aanstelling een Selor-attest van tweetaligheid moeten kunnen voorleggen.

Met deze arresten hield de Brusselse regering echter geen rekening. Daarom trachtte het Vlaams Komitee voor Brussel in een tweede fase om het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te laten veroordelen tot het betalen van dwangsommen wegens het verzaken aan zijn plicht tot toezicht op de gemeenten en OCMW's die deze overtredingen pleegden. Bij ontstentenis van concrete dossiers kon de Raad hier echter geen gevolg aan geven.

Gezien het vertrouwelijk karakter van personeelsaanstellingen bij gemeenten, OCMW's en openbare ziekenhuizen, is het zeer moeilijk om op de hoogte te komen van concrete benoemingen waarbij de taalwetgeving wordt geschonden. Daarom beriep het Vlaams Komitee voor Brussel zich in een derde fase op de wettelijke regeling in verband met 'Openbaarheid van Bestuur' om van IRIS en de Iris-ziekenhuizen inzage te krijgen in hun personeelsbeleid. De ziekenhuizen weigerden echter om inzage te verschaffen en argumenteerden dat het hier gaat om 'documenten van persoonlijke aard' en dat het Vlaams Komitee voor Brussel geen belang kan aanvoeren om hier toch inzage in te krijgen. De Raad van State heeft die redenering nu van tafel geveegd, omdat het Vlaams Komitee "genoegzaam duidelijk maakt dat zij met het oog op het behartigen van haar statutair doel wel degelijk een belang heeft bij de inzage en het verkrijgen van een afschrift van de bedoelde documenten."

Het VKB beschouwt deze uitspraak als een belangrijke doorbraak. Op basis van de informatie met betrekking tot het personeelsbeleid zal het VKB op termijn daadwerkelijk kunnen overgaan tot het aanvechten van benoemingen van niet-tweetalige personeel in Brussel en andere openbare diensten.

Of wordt het taalexamen inderhaast gemakkelijker gemaakt?

Het heuglijke nieuws van de vorderingen van de juridische dienst van het VKB was nog niet koud, of de FDF-burgemeesters Bernard Clerfayt en Didier Gosuin van Schaarbeek en Oudergem kwamen met de onheilstijding dat diezelfde Raad van State in een ander arrest zou gesteld hebben dat de taalexamens van Selor 'te moeilijk' zouden zijn. Voor de beide burgemeesters gaat het hier om een 'grote overwinning' van de twee gemeenten in hun strijd om aan te tonen dat de examens 'ongeschikt', 'overdreven moeilijk' en 'onaangepast' zijn. Concreet dienden de FDF'ers beroep in bij de Raad van State tegen een Koninklijk Besluit dat in 2001 werd uitgevaardigd door federaal minister van ambtenarenzaken Luc Van den Bossche. In dat KB worden de modaliteiten van de taalwetgeving geregeld, en met name wat betreft de organisatie van de examens.

Met name de artikels acht en negen van dat KB zouden door de Raad van State ten dele zijn vernietigd. Artikel acht legt handelt over het schriftelijke examen dat voor sommige functies nodig is. Het legt een verhandeling op voor functies op de hogere niveaus 1, 2+ of 2. Voor de niveaus 3 en 4 volstaat anderzijds een gemakkelijke verhandeling, een brief of een verhaal. Om te slagen dient de kandidaat 5/10 te behalen. Het artikel negen behandelt de mondelinge taalproef. Die geldt voor de ambtenaren die in contact komen met het publiek. In beide artikels wordt de moeilijkheidsgraad van het examen afhankelijk gemaakt van de graad van de betrokken ambtenaar in de ambtelijke hiërarchie. De Raad van State zou nu oordelen dat niet het niveau, maar de functie bepalend moet zijn voor de moeilijkheidsgraad.

'Zou', inderdaad, want de tekst van het arrest zelf is niet bekend gemaakt. In een reactie waarschuwen kamerlid Ben Weyts (N-VA) en de Brusselse N-VA-voorzitter Karl Vanlouwe dat de Franstaligen voor misplaatste euforie over het arrest van de Raad van State inzake de taalwetgeving. "Het arrest is nog niet publiek beschikbaar, dus geven de Fransdolle politici alleen hún versie van de waarheid. De tweetaligheid blijft vereist en voor de ene kan het examen misschien inderdaad wat makkelijker worden, voor de andere zal het echter moeilijker worden", aldus Weyts.

De bal ligt nu in ieder geval in het kamp van de federale minister van ambtenarenzaken Steven Vanackere (CD&V). Die moet nu een nieuw KB opmaken om de taalexamens te regelen. Selor, het selectiebureau van de overheid is vragende partij voor een hervorming van de taalexamens, zo blijkt. In De Standaard verklaart Selor-topman Marc Van Hemelrijck dat de uitspraak van de Raad van State een denkrichting legitimeert die Selor al langer genegen is: "Examens per graad of niveau zijn verouderd. Wij willen competentietests, aangepast aan de functie. Die leveren niet alleen een ja of een neen op, maar ook een diagnose voor de ambtenaar en zijn bestuur: dit zijn de sterke en de zwakke punten. Dat laatste geeft meteen een ontwikkelingsopdracht aan de ambtenaar en zijn werkgever", zegt hij. Van Hemelrijck erkent echter dat hij 'niet de indruk heeft' dat de meeste Brusselse gemeenten al in staat zijn een professioneel competentiebeleid te voeren, aldus nog De Standaard. De krant meldt nog dat federaal minister van Ambtenarenzaken in dezelfde richting denkt. Volgens Van Ackere bereidde zijn voorgangster, Inge Vervotte, met de administratie al een hervorming voor in die zin.

Meer 'functionele' taalexamens, dat was ook precies de doelstelling van de hervormingen die het gewraakte KB van toenmalig minister Luc van den Bossche in 2001 juist beoogde. Zijn KB kwam er als uitvloeisel van het zogenaamde 'taalhoffelijkheidsakkoord', waarover de Brusselse regering al in 1997 een akkoord sloot, dat destijds leidde tot het ontslag van staatssecretaris Vic Anciaux uit de Brusselse regering. In dat taalhoffelijkheidsakkoord, stemden de Vlaams-Brusselse regeringsleden toe dat lokale besturen in Brussel eentalige werknemers mochten in dienst nemen op voorwaarde dat zij binnen de twee jaar hun taalattest zouden verwerven. Na twee jaar zou het hakbijl vallen, maar wel op voorwaarde dat ook de taalexamens nog eens zouden 'aangepast worden aan de functie'. De Brusselse regering was op generlei wijze bevoegd om op deze manier de taalwetten een eigen interpretatie te geven, en ze kon ook de federale overheid niet binden om de taalexamens aan te passen. Het VB heeft dat akkoord dan ook steeds terecht als een 'taalwetsovertredingsakkoord' betiteld. De Brusselse regering werd trouwens, zoals hoger reeds vermeld, wat betreft het eerste luik door de Raad van State teruggefloten. Wat het tweede luik betreft heeft Van den Bossche dus wel getracht een invulling te geven aan de wens om meer functionele taalexamens te organiseren. Selor werkte dan een taalexamen uit, specifiek voor politiepersoneel en verzorgend personeel. Maar blijkbaar slopen er fouten in het KB, zodat het nu moet herschreven worden.

We zijn nu in ieder geval in een kritieke fase beland. De verantwoordelijkheid van Steven Vanackere is groot. Deze Chabert-boy werd in Brussel-stad in de gemeenteraad verkozen op de CDH-lijst van Joelle Milquet. Als goede Belg is hij altijd een zéér koele minnaar van het kartel met N-VA geweest. Indertijd gaf hij aan De Brusselse Post (april 2006) te kennen dat hij grote voorstander is van tweetaligheid, en wierp hij de idee op om een federale taalpremie toe te kennen aan tweetalig personeel in Brusselse diensten. Het zou wel sterk lijken mocht hij nu vanuit zijn hoedanigheid van federaal minister de tweetaligheidsverplichting helpen uithollen, door danig te prutsen aan de taalexamens zoals het FDF duidelijk wenst.

Alle Franstalige regeringspartijen zijn daar beslist wel voorstander van. Maar ook bij de VLD zijn er prominente Brusselaars (eerst Vanhengel, sinds kort ook Gatz) die het beginsel van de tweetaligheid van de ambtenaar losgelaten hebben en nu het FDF-standpunt huldigen dat tweetalige dienstverlening kan gerealiseerd worden met eentalige ambtenaren. Het spreekt voor zich dat een dergelijke wending de positie van het Nederlands als bestuurstaal in Brussel zwaar zou aantasten.

Als het dossier van de taalwetgeving dan nog gekoppeld zou worden aan andere hangijzers, zoals B-H-V zijn we vertrokken voor een gevaarlijke koehandel. Ben Weyts zal Vanackere dezer dagen in de Kamer interpelleren. Hij hoopt dat de minister niet te hard van stapel loopt en zich niet door de Franstaligen laat intimideren.

Staten-Generaal over onderwijs en het Brusselse Hinterland

In de afgelopen weken heeft de Brusselse 'Staten-Generaal' het merendeel van zijn zestien themabesprekingen gevoerd. Dat ging onder meer over mobiliteit, demografie, onderwijs, cultuur en het Brusselse hinterland. We staan even stil bij de debatten over onderwijs en over de relatie van Brussel met zijn hinterland. Dit zijn speerpuntthema's van de initiatiefnemers, maar op de debatten vielen heel wat tussenkomsten te horen die niet in de richting neigen, waar de organisatoren op aansturen.

Het stramien van deze vergaderingen is steevast het volgende: een trio van twee Franstalige en een Vlaamse hoogleraar licht bij aanvang de gemeenschappelijke synthesenota toe, waarin een probleemstelling en krijtlijnen voor een oplossing aangereikt wordt. Daarna kan het publiek inpikken op deze stellingen. Conclusies worden niet ter zitting geformuleerd, dat is een recht dat de 'stuurgroep' van de 10 organiserende verenigingen (vakbonden, werkgevers, cultuur- en milieuorganisaties, en de Bruxellitude-voorhoede van Manifesto, Brukxelforum en Aula Magna) zichzelf voorbehouden.

Het blijkt nu wel heel duidelijk dat de academici die de nota's vervaardigen zorgvuldig geselecteerd zijn in functie van hun inhoudelijke affiniteiten met het project van de 'Brusselse gemeenschap'. Het is vermoedelijk de belangrijkste reden waarom de KUB uit het hele project geweerd werd. (Aan de KUB doceren een gewezen Davidsfondsvoorzitter, een VVB-voorzitter en een VKB-voorzitter, om maar iets te zeggen). De rode draad doorheen al de nota's blijkt inderdaad te zijn: de bevestiging van een Brusselse culturele gemeenschap, en dus voor het afbouwen van de zeggenschap van de Vlaamse en Franstalige gemeenschap in Brussel. Voor sommigen gaat dit zover dat men alle cultuur- en onderwijsbevoegdheden naar het Brussels Hoofdstedelijk gewest zou willen overhevelen. In het minimumscenario moet het gewest 'de regie' voeren over onderwijs en cultuurbeleid waar de gemeenschappen dan nauw zouden moeten samenwerken vanuit een gemeenschappelijke visie. Daarnaast is er een constante verwijzing naar de grootstedelijke ruimte van Brussel die de bestaande gewestgrenzen overschrijdt. Daardoor kan er geen efficiënt beleid gevoerd worden voor mobiliteit en ruimtelijke ordening, en is de fiscale capaciteit van Brussel beperkt. De derde vaststelling is dat de sociale noden zeer hoog zijn en nog zullen toenemen en de financiële armslag van Brussel beperkt. Een uitbreiding van Brussel en een bijkomende financiering dringt zich dus op. Voor al deze stellingen zijn er telkens ook Vlaamse professoren gevonden om die mee te bepleiten.

Toch bleken die stellingen op de debatten lang niet voor iedereen aannemelijk. In de onderwijsnota wordt eerst terecht gesteld dat er niet zoiets bestaat als 'Brussels' onderwijs. De twee gemeenschappen voeren op onderwijsvlak een volstrekt autonoom beleid. Samenwerking (bijvoorbeeld met betrekking tot de problematiek van het spijbelen en controle op de leerplicht) komt zeer moeizaam van de grond. Vervolgens wordt in de nota doodleuk gedaan alsof er géén twee onderwijssystemen zijn in Brussel. De cijfertjes van beide gemeenschappen worden opgeteld tot 'Brusselse' cijfers. Die ogen niet fraai, met hoge schoolachterstand, veel jongeren die zonder diploma de school verlaten, veel concentratiescholen en onderwijssegregatie. Allemaal correct, maar daarmee verdrinken de gegevens over het Nederlandstalig onderwijs in het geheel. Er wordt geen afzonderlijke diagnose gegeven over het Nederlandstalige en het Franstalige onderwijs, terwijl de problematiek die zich in beide systemen stelt erg verschillend van aard is. Inderdaad de Franstalige scholen hebben in veel hogere mate te maken met allochtone leerlingenpopulaties. De Vlaamse scholen trekken duidelijk een 'beter' publiek aan doordat (ook anderstalige en allochtone) ouders een bewuste keuze maken voor een Vlaamse school. De uitdaging is hier om de Nederlandse taalverwerving te verbeteren in een stad waar het Nederlands niet de omgevingstaal is. Maar dat verhaal komt in de academische nota niet aan bod. Immers, de toveroplossing van professor Piet Van de Craen (VUB) is om in Brussel meertalig onderwijs te organiseren. Hoe hiermee de schoolsegregatie mee kan bestreden worden en het algemeen onderwijs- en scholingspeil kan worden opgekrikt wordt door Van de Craen echter niet uitgelegd. Opmerkelijk nog, dat de Franstalige medeauteur van de nota de conclusies en beleidsaanbevelingen niet mee onderschreef.

Van de Craen was op het debat merkwaardig genoeg niet aanwezig, maar zijn pleidooi voor meertalig onderwijs vond beslist geen algemene instemming. Verreweg de meeste tussenkomsten plaatsten heel wat voorbehoud bij dat idee. Ook een Franstalige woordvoerder van het ABVV wees dat af als een elitair project. De meeste leerlingen in het leerplichtonderwijs hebben te kampen met taalachterstand in de onderwijstaal, of dat nu het Frans of het Nederlands is. Alle energie moet dan ook gericht zijn op het inhalen van die taalachterstand. Voor de voorman van ACOD-onderwijs Brussel, Marc Borremans, is het geen optie dat het gewest meer onderwijs bevoegdheid zou moeten krijgen: 'Gezien de grote vrijheid waarover inrichtende machten beschikken om hun pedagogisch project vorm te geven, zijn de Brusselse scholen die dat wensen in staat om op een adequate wijze hun onderwijs in te richten. Het is wel wenselijk dat Vlaanderen bij het schrijven van besluiten en decreten rekening houdt met de specifieke situatie van het Hoofdstedelijk Gewest Brussel.' Deze vakbondsstellingnames zijn des te opmerkelijker omdat het ABVV juist een van de medeorganisatoren van de Staten-Generaal is, en omdat zij dus ook de platformtekst onderschreven waar ook al van een meer Brussels onderwijsbeleid en meertalig onderwijs gewag gemaakt wordt. De organisatoren kunnen hoe dan ook onmogelijk staande houden dat hun onderwijsvoorstellen op een ruime meerderheid van de deelnemers aan de Staten-Generaal kunnen bogen. De vraag is nu of zij daar naar hun eindconclusies rekening mee zullen willen houden.

Een soortgelijke vaststelling geldt voor het debat over de relatie tussen Brussel en zijn hinterland. Dat Brussel deel uitmaakt van een veel bredere grootstedelijke ruimte werd door niemand aangevochten, maar over de manier waarop het beleid over dit gebied eenvormiger zou moeten worden kwam het al onmiddellijk tot een patstelling. De met veel enthousiasme door Dave Sinardet (UA) verdedigde optie om een nieuwe grootstedelijke entiteit te creëren die een groot deel van het oude Brabant zou omvatten, en waarvoor een politiek lichaam zou moeten worden opgericht, bevoegd voor ruimtelijke ordening en mobiliteit, met verkozen organen en bestuur - weliswaar zonder aan de taalwetgeving te raken, werd van meet af aan afgestreden door een stem uit Vlaams-Brabant die dit nieuwe 'stadsgewest' als een soort 'paard van Troje' beschouwde voor de Rand. Van de andere kant wordt een grotere beleidsinvloed van Vlaanderen door bepaalde Brusselaars dan weer als een paard van Troje beschouwd. Uiteindelijk werd dan door een aantal deelnemers een voorzichtige consensus geformuleerd in de zin van het uitdiepen van de piste van de samenwerkingsakkoorden tussen de gewesten. Er was vast en zeker geen consensus voor een groot-Brussels stadsgewest.

Op het einde van deze maand vinden nog de debatten plaats over de Brusselse bestuursstructuren en financiering. Vervolgens komen er nog twee plenaire vergaderingen. Eind april zal de 'stuurgroep' dan zijn definitieve besluiten neerleggen. We houden u verder op de hoogte.

Rik Jellema (Groen!) mocht geen Belg worden

Ruim twintig jaar woonachtig in Brussel, mede-oprichter van de Fietsersbond, mede-organisator van poësiemiddagen in de Etterbeekse gemeentelijke bibliotheek, 9 jaar gemeenteraadslid in datzelfde Etterbeek (en fractievoorzitter van de Groen!Ecolofractie), én voorzitter van Groen! Brussels Hoofdstedelijk Gewest, hoe 'geïntegreerd' kun je zijn? Maar dat alles, noch de aanbevelingsbrieven van twee Brusselse ministers mochten baten voor de naturalisatiecommissie van de Kamer om Rik Jellema het Belgisch staatsburgerschap te gunnen. Daar Jellema beroepsmatig actief is als vertaler voor de Europese Unie, acht de commissie dat hij de status van 'diplomaat' geniet, en bijgevolg slechts voor de duur van zijn 'missie' in België resideert. Hoe wereldvreemd kun je zijn?

Door de niet-naturalisatie gaan Jellema's plannen om zich bij de Gewestverkiezingen in de Brusselse arena te storten niet door. Van de weeromstuit zegt Jellema de Brusselse politiek vaarwel. "Dat is beter voor mijn levenskwaliteit." Dat is een spijtige zaak, want enige gevoeligheid voor de taalkwestie - ligt het aan zijn Friese komaf? - kan Jellema beslist niet ontzegd worden. Uit zijn weblog spreekt bezorgdheid over de hoger aangehaalde beslissing van de Raad van State over de moeilijkheidsgraad van de taalexamens.

"In Vlaanderen kan je maar beter een Fries zijn", placht hij te zeggen (lees: Hollanders zijn hier niet zo geliefd). Terwijl zijn partijgenoten op de nieuwjaarsreceptie van Groen! stonden te verkleumen in een ijskoude zaal van het nieuwe Wielemans museum in Vorst (waar anders?), schaatste Jellema zich warm in Friesland (waar anders?)

"Tot ik op het IJsselmeer voor de kust van Wakkum in wak reed. Gevolgen: nat tot aan de knieën, scheenbeen open en een gekneusde rib. Was ik maar in Brussel gebleven? Niets ervan, dit hoort erbij! De volgende dag reed ik een schitterende tocht in de buurt van Hindelopen: rietkragen, boerderijen en ganzen. Wat kan de natuur toch mooi zijn. Nu maar hopen dat het wak geen symbool is voor een electoraal nat pak", schreef Jellema nog op zijn weblog op 12 januari. Voor dat nat pak heeft de naturalisatiecommissie nu gezorgd.

Toen begin de jaren negentig het gemeentelijk stemrecht voor EU-burgers aan de orde was, heeft Meervoud zich daar fel tegen verzet. Waarom privileges verlenen aan deze reeds bevoorrechte bevolkingsgroep, waarvan de meesten zich trouwens als ex-pats gedragen en zich voornamelijk in de eigen circuits ophouden, terwijl derdegeneratiemigranten van buiten de EU die hun lot wél verbonden hebben aan hun gastland daarvan verstoken blijven. Meervoud nam deel aan betogingen voor stemrecht met een spandoek 'Stemrecht voor al wie voeling heeft met Vlaanderen'. Later heeft Meervoud zich ook verzet tegen de Snel-Belg-wet, die de nationaliteitsverwerving herleidt tot een loutere administratieve procedure. Er is met de Belgische nationaliteit gesmeten, maar iemand die het écht verdiende is nu een hak gezet. Treurige zaak.

Ook Adelheid Byttebier (Groen!) zet er een punt achter

Op de ledenpoll van Groen! Brussels Gewest werden de lijsttrekkers aangeduid en andere verkiesbare plaatsen toegewezen. In een nipte stemming haalde Brussels gemeenteraadslid Bruno De Lille het van zetelend gewestraadslid Adelheid Byttebier. Byttebier werd de tweede plaats aangeboden, maar bedankte voor de eer. Ze wil nog wel als lijstduwer de lijst steunen, maar stapt na juni uit de politiek. In haar plaats zal het Jetse gemeenteraadslid Annemie Maes de tweede plaats innemen. (Groen! hoopt op twee zetels in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en op één groene Brusselaar in het Vlaams parlement - de Vlaamse lijst wordt in Brussel aangevoerd door Luckas Vandertaelen, schepen in Vorst).

Daarmee verliest Groen! in Brussel weer een sleutelfiguur. "De partij kiest blijkbaar voor verjonging", zegt Byttebier, "niet in duurzaam investeren in mensen", al weet ze ook dat een partij niet dient voor carrièreplanning tot aan het pensioen. De superbelgen De Lille en Vandertaelen nemen het nu over. De tweede kandidaat op de Brusselse lijst, Annemie Maes, maakte wel haar opwachting op de nieuwjaarsreceptie van de Vlaamse Volksbeweging die dit jaar toevallig in Jette plaatsvond. Maes is een Vlaminge met een Brusselse stamboom. Haar grootvader kreeg het nog aan de stok met de Schaarbeekse gemeenteadministratie toen hij zowaar zijn papieren in het Nederlands eiste.

KVS: Fins toneel zorgt voor gemengde gevoelens

Het was u misschien nog niet ter ore gekomen, maar Finnen zijn érger dan Dutroux of Kim de Gelder: kindermoordenaars en onverbeterlijke perverten, incestplegers, kinderverkrachters en -folteraars, al kunnen ze dat nog wel enigszins verborgen houden wanneer ze allemaal samen gezellig in de sauna zitten. Tenminste, dat is wat je kunt opmaken uit het slotdeel van de 'zwarte komedie' Mental Finland van de Finse regisseur Kris Smeds die deze maand in de KVS loopt.

Het klonk allemaal nochtans beloftevol, dit spektakel waar veel promotie voor gemaakt is: "Het is het jaar 2069. Heel Europa is bezet door de troepen van de EU. Ze zien erop toe dat niemand zich bezondigt aan nationale gewoontes of tradities. Maar er is één volk dat zich verzet: de Finnen. Ze leven in een scheepscontainer die alles bevat wat ze nodig hebben: rendieren, een sauna, karaoke, alcohol... Het verhaal begint wanneer de container ontdekt wordt door de Europese troepen." Een beetje euroscepticus rept zich natuurlijk daarheen, ook al stelt de regisseur: "Natuurlijk wordt dit een komedie - zij het een zwarte - en géén grote analyse van de Europese problematiek. Theater is soms al vervelend genoeg. Het veinst diepzinnigheid, maar op het einde van de rit realiseer je je dat je een vervelende avond achter de rug hebt. Ik zeg niet dat Europa geen discussie waard is, maar die discussie voeren is niet mijn taak, want ik ben geen politicus of socioloog. Ik probeer mensen te entertainen en mijn artistieke vrijheid te gebruiken om een afwijkende, misschien wel buitenissige visie te presenteren."

Qua spektakelwaarde en acteer- en dansprestaties was dit zeker een puike voorstelling. Zeven Finse topacteurs (nou ja, waaronder twee Esten) staan op de scène in confrontatie met zeven talentvolle Brusselse dansers (de Europese troepenmacht). Er wordt vooral gedanst, maar toch worden er vele talen gesproken (Fins, Ests, gebroken Engels, Russisch, Duits, Bikuru), gelukkig met drietalige boventitels. Er zijn vijf scènes in het verhaal: in den beginne is er de Europese Harmonie: de zeven blauwe EU-troopers dansen op klassieke muziek. Maar plots valt met veel kabaal een container uit de lucht bevolkt met rockende Finse anarcho's die een criminele clandestiene muziekzender 'Mental Finland' bemannen (met knipoog naar het logo van MTV). De Finnen houden stand tegen de EU-troepen. In een derde bedrijf zijn de Finnen plots Eland-rijdende cowboys geworden die ergens in de woestijn van Nevada de laatste Indianen gaan uitmoorden. We vinden onze Finnen daarna terug in hun sauna, waar ze nu verstoord worden door een Bikurusprekende man uit de orient. Hij zoekt asiel bij de Finnen in hun sauna, waar hij aanvankelijk welkom wordt geheten, maar daarna weer buitengegooid omdat hij het niet kan laten zijn irritante en luidruchtige muziekinstrument te bespelen. Hij bekoopt het met zijn leven, want hij wordt door de EU-troopers neergemaaid. Nu zijn de Finnen 'onder hun eigen'. Maar in dat laatste deel komt hun ware aard boven. Het wordt één orgie van seks en geweld.

Zedenles? Het publiek, dat twee uur lang redelijk mee was in de vertoning, blijft na dit laatste gewelddadige onder-deel, waarbij sommigen de zaal verlaten, beduusd achter. Ondanks de sterke acteerprestaties, toch geen daverend applaus. Het wordt een lang, maar zacht applaus. Vertwijfeling. De vraagstelling: 'Wat is beter: Europees totalitarisme of Finse incest?' overtuigt beslist niet. Misschien kan het analyseren van de neoliberale globalisering en het antisociale Europa toch beter overgelaten worden aan politieke analysten en kritische burgerbewegingen dan aan dramaturgen.

De KVS heeft zogezegd de ambitie om maatschappelijk relevante debatten te organiseren. Er zijn in de schouwburg, ook over Europa, al debatten gehouden. Maar dan zonder eurosceptici. Na de referenda over de Europese Grondwet in onze buurlanden zou het nochtans niet zo moeilijk moeten zijn die in een straal van 300 km rond Brussel te vinden.