Nummer 147


Actueel | mei 2009


150 Waalse bewegers kiezen voor Frankrijk (Bernard Daelemans)<< Nummer 147

Slechts een honderdvijftigtal deelnemers vulden het Europa-auditorium op de campus Sart-Tilman, gelegen in de groene heuvels ten zuiden van Luik voor de plenaire zitting van de Waalse 'Staten-Generaal'. 74,4% van de aanwezigen sprak zich uit voor de hereniging van Wallonië (en eventueel ook Brussel) bij Frankrijk. 16,2% wil een zelfstandig Wallonië en 9,4% is gewonnen voor een Wallo-Brux-constructie. Initiatiefnemer Jules Gheude en zijn medestanders vrezen dat het einde van België wel eens nader zou kunnen zijn dan menigeen schijnt te denken. Onherroepelijk komt het wetsvoorstel omtrent de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde in het najaar op de agenda van de Kamer. Gheude twijfelt er niet aan dat de Vlamingen vastbesloten zijn het voorstel ongewijzigd goed te keuren, met de val van de regering en een ongeziene bestuurscrisis voor gevolg. De Walen moeten voorbereid zijn op een dergelijke situatie, zodat ze weten wat hen te doen staat.

Met 150 deelnemers staat het initiatief veraf van de 1.048 aanwezigen die in oktober 1945 op het Waals Nationaal Congres, eveneens in Luik, met vertegenwoordigers van alle stuwende krachten van Wallonië, met ministers in functie, parlementariërs, syndicalisten, universiteitsprofessoren, ambtenaren en vertegenwoordigers uit het verenigingsleven, de nieuwe federalistische marsrichting van de na-oorlogse Waalse beweging bepaalden. Destijds reeds was er in een eerste stemronde, toen de aanwezigen gevraagd werd 'hun hart te laten spreken' een relatieve meerderheid voor de Franse optie (486 voor aanhechting bij Frankrijk, 391 voor de weg van de autonomie, 154 voor de onafhankelijkheid). Bij de tweede stemronde, die 'de keuze van het verstand' moest zijn, was er quasi unanimiteit voor 'autonomie binnen België' (federalisme).

Op de zitting van 9 mei laatstleden daagden enkel voormalig minister-president Jean-Claude Van Cauwenberghe en Willy Burgeon, oud-voorzitter van het Waals parlement op als vertegenwoordigers van de politiek. En verder de hoogbejaarde François Périn (minister van institutionele hervormingen in de regering-Tindemans I), die in 1980 ontslag nam als senator omdat hij geen land kon vertegenwoordigen waar hij niet in gelooft of een natie die niet bestaat. Périn (88) is al geruime tijd gewonnen voor de aanhechting van Wallonië bij Frankrijk, en militeert in de RWF, de 'mouvement pour le Rattachement de la Wallonie à la France', in 1999 opgericht door Paul-Henry Gendebien. (Deze partij doet volgende maand ook mee aan de regionale en Europese verkiezingen). Voorts waren er geen noemenswaardige grootheden te bespeuren op de Waalse Staten-Generaal en ook de jongeren waren op een hand te tellen.

De Franstalige establishmentpers had reeds van tevoren de recruteringsproblemen van de Staten-Generaal blootgelegd: een week voor de zitting trok Claude Dejaie, een Waalse autonomist, belast met het voorbereiden van de werkzaamheden van de werkgroep 'Wallonië onafhankelijk' zich plots terug uit de stuurgroep van de Staten-Generaal. Dejaie verklaarde aan Le Soir dat hij een overtuigd federalist is, maar dat hij bereid was geweest de denkoefening te maken omtrent een hypothetisch post-Belgisch scenario. Maar hij vond dat de rattachisten te zwaar wogen binnen de organisatie van de Staten-Generaal. Een stemming over de verschillende opties zag hij niet zitten en hij trok zich daarom terug. Van de andere kant had de RWF haar leden opgeroepen om niet aan de activiteiten van de Staten-Generaal deel te nemen. Op die manier werd zowel aan rattachistische als aan Waalsgezinde kant gedemobiliseerd.

"Iedereen was uitgenodigd voor deze bijeenkomst, alle Waalse gekozenen, de vakbondsleiders, de werkgevers, de academici, de gerechtelijke en culturele middens, het verenigingsleven. (...) Onze legitimiteit is die van verantwoordelijke burgers. (...) Het is natuurlijk niet onze bedoeling ons in de plaats te stellen van de politiek, maar als verantwoordelijke burgers willen wij de gebeurtenissen niet lijdzaam afwachten. Wij willen door de relevantie van onze ideeën een richting aangeven voor de veranderingen die onafwendbaar op til zijn", zo pareerde Jules Gheude de kritiek. "Het is duidelijk dat we niet talrijk aanwezig zijn, maar de kwaliteit is er".

Er was inderdaad zorg besteed aan de inhoudelijke voorbereiding van de debatten, die gestoffeerd werden door bijdragen van politologen, juristen en economisten om de werkbaarheid van de verschillende opties te onderzoeken. De belangrijkste discussies vonden in de drie werkgroepen plaats.

In de werkgroep Wallo-Brux traden vier sprekers aan: politoloog prof. Pierre Verjans, jurist Jean-Sébastien Jamart, een economist en... Alain Deneef, voorzitter van de Staten-Generaal van Brussel. Zowel Verjans als Deneef beklemtoonden in alle toonaarden dat ze er rotsvast van overtuigd zijn dat België zal blijven bestaan, en dat de voorliggende post-Belgische scenario's wat hen betreft zuiver hypothetisch zijn. Verjans ging na wat er behalve de taal Brussel met Wallonië verbindt. Hij gaf aan dat de verhouding tussen Wallonië en Brussel vrij complex is, dat de beide gewesten hun specificiteit hebben. Niet alleen wat betreft de territoriale aangelegenheden, ook op het vlak van cultuur en onderwijs is er een bepaalde mate van bestuurlijke scheiding en zelfs op het vlak van de partijwerking is er een relatieve autonomie tussen beide gewesten. Anderzijds bezit Wallonië zelf ook geen lange traditie van intraregionale verbanden: De regio Henegouwen heeft een relatief grote economische wisselwerking met Brussel, terwijl Luik historisch op Duitsland en het Roergebied gericht was. Bij de aanleg van de snelweg Rijsel-Keulen, die thans alle Waalse steden (behalve Aarlen) verbindt, waren er destijds grote vragen over het nut ervan, zo weinig samenhang bestond er binnen Wallonië. Voor Verjans heeft het merk 'Wallonie-Bruxelles' wel het ongemene voordeel een zéér herkenbaar handelsmerk te zijn. Verjans riep het recente dispuut onder Vlamingen in herinnering naar aanleiding van de zin van het Vlaams Huis in New York. Amerikanen kennen 'Flanders' immers enkel als de buren van de Simpsons. Een jonge economist lichtte een pak cijfergegevens toe, die vooral over de economische transfers gingen. Hij erkende het bestaan van 4 miljard transfers van Vlaanderen en Brussel naar Wallonië, dat is wel een pak minder dan de cijfers die de Warandegroep enkele jaren geleden publiceerde. Anderzijds zijn de transfers van Vlaanderen naar Wallonië minder groot dan de transfers van Madrid naar Andaloezië of tussen Engeland en Wales.

De jurist Jean-Sébastien Jamart gaf uitleg over de problematiek van de 'opvolgersstaat' in het internationaal recht. Hij beklemtoonde dat zelfs bij een eenzijdige Vlaamse secessie ook het 'rest-België' zijn opname in de internationale verbanden helemaal opnieuw moet bepleiten, zoals ook met 'Klein-Joegoslavië' is gebeurd na de afscheuring van Slovenië en Kroatië. Vooral de toetreding tot de eurozone lijkt Jamart erg problematisch. Als oplossing ziet hij de mogelijkheid om de euro als wettig betaalmiddel te erkennen. Daarmee blijft de euro in voege, hoewel Wallo-Brux dan niet meer in de beslissingsorganen omtrent het Europese muntbeleid zal vertegenwoordigd zijn. Voor wat betreft de erkenning van de grenzen, lijkt de afwikkeling van het dossier Brussel-Halle-Vilvoorde hem determinerend. Tot nog toe heeft de internationale rechtsorde de grenzen tussen opvolgersstaten nooit in functie van volksraadplegingen hertekend, zoals de meeste Franstaligen zouden willen. Volgens Jamart heeft de Commissie-Badinter die door de Europese Unie belast was met het uitbrengen van een advies over de ontrafeling van het voormalige Joegoslavië, hier een zware vergissing begaan door het principe 'Uti possidetis' van toepassing te verklaren op de oude binnengrenzen van Joegoslavië veeleer dan rekening te houden met de reële bevolkingsverhoudingen. Resultaat: grote volksverhuizingen en tweehonderdduizend doden. Volgens het principe 'uti possidetis' behoudt een deelstaat die secessie pleegt de soevereiniteit over het grondgebied waarover het bevoegd was. Jamart legde niet uit waarom het bestaan van een kieskring die het grondgebied van twee gewesten overlapt veeleer het richtpunt zou zijn voor de toepassing van het 'uti possidetis' dan de gewesten zelf, die per slot van rekening staatsdragende rechtsentiteiten zijn. Over een eventuele soevereiniteitsclaim van Vlaanderen over Brussel werd al helemaal niet gesproken.

Alain Deneef (voorzitter Staten-Generaal van Brussel) kreeg volop de wind van voren van de aanwezige Brusselaars van het platform 'Bruxelles Metropole Francophone'. Door zijn pleidooien om het onderwijs- en cultuurbeleid te verbrusselen, om twee- en zelfs meertalig onderwijs te organiseren in Brussel en om het Engels een plaats te geven als officiële taal in de 'hoofdstad van Europa', speelt Deneef en zijn zogezegde Staten-Generaal van Brussel onder één hoedje met de Vlamingen, zo klinkt het in een pamflet dat deze verbolgen Brusselaars ter zitting verspreidden. Deneef liet zich niet van de wijs brengen. Brussel is een stad, geen gewest, zo zei hij, het is een heel multiculturele stad waar de Vlamingen een belangrijke inbreng in hebben. De voornaamste specificiteit is dat het de feitelijke Europese hoofdstad is. Zoals gezegd gelooft Deneef dat een weliswaar hervormd België zal blijven bestaan. "Maar ingeval België ooit uiteenvalt zullen de Brusselaars nooit of te nimmer voor een alliantie met Wallonië kiezen. Wij willen wel solidair zijn met de Walen op taalvlak, maar de economische belangen van Brussel liggen voor 80% in Vlaanderen en maar een héél klein beetje in Waals-Brabant", zei hij fel. In de wandelgangen van het congres viel te horen dat de strekking-Deneef zeker niet de dominante opiniestroming binnen Franstalig Brussel is. Deneef van zijn kant merkte op dat hij, in tegenstelling tot de vertegenwoordigers van het Vlaams Komitee voor Brussel, die er de Vlaamse zaak bepleitten, nooit mensen van de vereniging 'Bruxelles Métropole Francophone' op de Brusselse Staten-Generaal ontmoet heeft.

De werkgroep 'Wallonië bij Frankrijk' werd opgeluisterd door de aanwezigheid van Jean-Claude Van Cauwenberghe. Deze verklaarde zich tegenstander van de optie om Frankrijk te vervoegen. Hij waarschuwde dat een aanhechting van Wallonië geen steek houdt indien het zonder Brussel is. (De Fransen zouden daar niet in geïnteresseerd zijn). Bovendien meent hij dat het handhaven van Waalse autonomie binnen het Franse geheel niet doenbaar is.

Op dat laatste punt werd hij in ieder geval tegengesproken door Jacques Lenain, een Franse ambtenaar. Die verwonderde er zich over dat de voorbereidende teksten van de Staten-Generaal wel heel ver meegaat in de logica van het Franse jacobijnse stelsel. Men schijnt ervan uit te gaan dat een samengaan met Frankrijk noodzakelijkerwijs volgens een assimilatiemodel zou moeten gebeuren. Wallonië zou, na een overgangsfase, volledig geïncorporeerd worden in het Franse onderwijssysteem en sociale zekerheidsstelsel. (Er werd zelfs berekend welke lonen er gelden voor het onderwijzend personeel in Frankrijk en wat het bedrag is van een werkloosheidsuitkering in Frankrijk). De hele 'Belgische erfenis' in het rechtsstelsel - bijvoorbeeld het homohuwelijk - zou overboord gegooid worden. Voor Lenain hoeft het niet noodzakelijk zo'n vaart te lopen.

Frankrijk erkent wel degelijk regionale specificiteit. Met name de Elzas en Corsica hebben afwijkende rechtsnormen en dat geldt ook voor de Franse overzeese gebieden en departementen. Volgens Lenain is het denkbaar dat Frankrijk de bevoegdheden van de Belgische staat over-neemt, terwijl Wallonië (en eventueel Brussel) de gewest- en gemeenschapsbevoegdheden blijven uitoefenen.

In de plenaire zitting werden de résumés van de werkgroepvergaderingen gepresenteerd. Na nog eens een pleidooi voor elk van de drie opties en een korte plenaire discussie werd tot de stemming overgegaan.

Ondergetekende stelde de vraag welk het statuut van de Nederlandse taal men in gedachten heeft indien Brussel een onderdeel zou worden van de nieuwe Wallo-Bruxstaat of zelfs van Frankrijk, wetende dat het Nederlands thans in Brussel op alle bestuursniveaus op volstrekte voet van gelijkheid met het Frans bestaat. Hierop volgde een vrij geëmotioneerde reactie van een andere deelnemer die garandeerde dat hij het persoonlijk zou opnemen tegen diegenen die zich zouden verzetten tegen de erkenning van het Nederlands als minderheidstaal in Brussel of tegen de toepassing van internationale verdragen met betrekking tot de erkenning van minderheden. Deze tussenkomst kon op een geestdriftig applaus rekenen. (Frankrijk heeft evenwel het minderhedenverdrag niet geratificeerd, evenmin als Vlaanderen, nog los van het feit dat er nog een onderscheid is tussen statutaire tweetaligheid en een statuut van 'minderheidstaal').

Na een ietwat chaotische discussie over de te volgen stemprocedure, en het afwijzen van bijkomende opties (bijvoorbeeld een Wallonië-bij-Frankrijk-scenario volgens de modaliteiten van Jacques Lenain), werd tenslotte gestemd. Volgde de bekendmaking van de resultaten: 74,4% voor aanhechting bij Frankrijk, waarbij de toekomst van Brussel in het midden gelaten wordt - dat is de zaak van de Brusselaars zelf, vond men. De Marseillaise werd echter niet aangeheven; om dit euvel te compenseren liet een enkeling de Marseillaise-beltoon van zijn GSM afgaan.