Nummer 150


Omslagartikel | oktober 2009


Is de Vlaamse beweging bang van Brussel? (Bernard Daelemans)<< Nummer 150

Nadat de Vlaamse Volksbeweging in 1991 het pad van het federalisme verliet om te opteren voor het perspectief van de Vlaamse onafhankelijkheid, heeft de organisatie nog twee fundamenteel oriënterende ledencongressen georganiseerd, een eerste met betrekking tot Brussel (in 1994), een tweede over Europa (1996). Elk van de drie congressen konden gezien worden als verfrissende bakens in het Vlaamse politieke landschap en in ieder geval als oriëntatiepunten voor Vlaamsgezinde partijen.

Voor de VVB moest Vlaanderen de soevereiniteit opeisen van het Belgische grondgebied ten noorden van de taalgrens, dus met inbegrip van Brussel dat de volwaardige hoofdstad van Vlaanderen blijft, waar de Franstalige burgers in hun taalrechten gerespecteerd worden en hun eigen culturele- en onderwijsinstellingen kunnen behouden. Op Europees vlak werd gepleit voor een statenbond en tegen de instelling van de euro. De Vlaamse Volksbeweging is nu echter voornemens zijn stellingen te herzien. In het voorjaar wordt een nieuw ledencongres samengeroepen omtrent Brussel. Zal de vereniging terugkrabbelen, en zoals sommigen wensen, Brussel loslaten in de ijle veronderstelling dat dit de Vlaamse onafhankelijkheid naderbij zou brengen? Of wil men toegeven aan de vrees voor een Vlaanderen dat, mét Brussel erbij, tot op zekere hoogte een tweetalig land zou zijn?

Het is duidelijk dat de oorspronkelijke stellingen van de VVB over Brussel een zeer helder en transparant staatsmodel opleveren waarbij de sociaal-economisch en culturele belangen van alle bevolkingsgroepen het beste tot hun recht komen. Institutioneel zijn de ingrepen minimaal: de bevoegdheden van de Belgische staat en van het Brussels Gewest worden overgedragen op Vlaanderen. De taalwetgeving in Brussel en op nationaal niveau blijft behouden. De Franse gemeenschapscommissie blijft bestaan als regelgevend orgaan voor de Franstalige culturele en onderwijsinstellingen.

Met dit bestuursmodel kan eindelijk een efficiënt en eenvormig beleid gevoerd worden om de vele uitdagingen in Brussel en de rand te lijf te gaan: de mobiliteitsproblematiek, huisvesting, werkgelegenheidsbeleid en al deze beleidsdomeinen die nu opgesplitst zijn tussen het Vlaams en Brussels gewest komen onder één overheid te staan, en kunnen dan ordentelijk aangepakt worden (bon, misschien moet Vlaanderen wel wat lessen trekken uit het Oosterweeldebâcle). Brussel wordt geïntegreerd in zijn natuurlijke sociaal-economische ruimte (die voor 80% het Vlaamse hinterland is. Alle inwoners zullen baat hebben aansluiting te vinden bij een welvarende staat die de uitdagingen van de toekomst, met name het veilig stellen van pensioenen en sociale zekerheid aankan. Aan de taalrechten van Franstaligen of Nederlandstaligen wordt niet geraakt.

Terzijde: Vlaanderen hoeft Wallonië niet als een baksteen te laten vallen. Aan de transfers via de sociale zekerheid komt een einde, maar een via een solidariteitspact kan Vlaanderen nog geruime tijd investeringsfondsen voor Wallonië ter beschikking stellen om zijn economie terug op peil te brengen. Intussen kunnen beide landen dit volledig naar eigen inzicht doen, wat al op zich een enorme meerwaarde betekent. De Vlaamse volksbeweging heeft in het verleden laten blijken dat zij niet afkerig staat tegenover een dergelijk scenario, destijds via Meervoud gepropageerd als het 'Vlaams Marshallplan voor Wallonië'. (zie extra editie van Meervoud in 1998).

Alle andere scenario's voor de ontbinding van België dreigen in een bestuurlijke verschrikking te ontaarden. Het meest onwerkbare idee lijkt wel een 'condominium' te zijn, een bestuursvorm waarbij Brussel onder gemeenschappelijk bestuur komt van Vlaanderen en Wallonië. Dit houdt niet alleen in dat de uitoefening van de huidige gewestmateries (en met name ook mobiliteit bijvoorbeeld) voorwerp wordt van ingewikkelde onderhandelingen, maar ook dat in thans nog federale materies, zoals justitie of sociale zekerheid, Vlaanderen en Wallonië akkoord moeten gaan over het in Brussel te voeren beleid. Wat dan als Vlaanderen en Wallonië een verschillend beleid voorstaan? Binnen de N-VA wordt door sommigen de idee geopperd om zoveel mogelijk domeinen te personaliseren (en dus de lijn van de huidige gemeenschappen door te trekken tot bijvoorbeeld sociale zekerheid, het arbeidsrecht). De burgers zouden in Brussel dan een keuze moeten maken onder welk stelsel ze zouden willen ressorteren. Kan men zich voorstellen dat er op hetzelfde grondgebied dan verschillende loonnormen zouden gehanteerd moeten worden, twee onderscheiden fiscale stelsels, verschillende uitkeringscriteria? Dat lijkt al erg twijfelachtig, maar zeker kunnen er toch geen twee soorten strafrecht naast elkaar bestaan, of verschillende maten en gewichten wat betreft nationaliteitsverwerving op hetzelfde grondgebied. En wat met operationele diensten, zoals de politie, die nu nog federaal is? Het bestuur van Brussel wordt dan vast nog ingewikkelder dan het nu al is, en de noodzakelijke afstemming van het beleid inzake mobiliteit en ruimtelijke planning met het omliggende Vlaanderen blijft op die manier een aartsmoeilijke opdracht.

De overige scenario's, een Brusselse autonome stadstaat of een Waals-Brusselse federatie en zeker een vereninging met Frankrijk betekenen onvermijdelijk dat de Vlamingen in Brussel definitief gemarginaliseerd worden en dat Vlaanderen geen enkele invloed meer heeft op het bestuur van de stad en het beheersen van de vele sociale problemen die in de stad, steeds scherper, de kop op steken. Problemen, die zich niet zullen laten tegenhouden door een staatsgrens.

In het geval van een Waals-Brusselse federatie komt er nog de problematiek bovenop dat Brussel en Wallonië geen aaneengesloten gebied vormen. (Nu, dit is ook niet het geval met Rusland, dat van de exclave Kaliningrad gescheiden is door Litouwen en Letland, maar bepaald praktisch kan men dit niet noemen). Brussel aan Wallonië klinken is ook voor de Walen niet bepaald een godsgeschenk. Beide landsdelen kennen structurele economische moeilijkheden, want, in tegenstelling tot wat sommige Brusselaars (zoals Guy Vanhengel) beweren, welt de welvaart niet op uit het Brussels moeras, maar heeft het huidig aandeel in het Bruto Binnenlands Product alles te maken met het feit dat België én Vlaanderen er hun hoofdstad van gemaakt hebben en er bijgevolg enorme bestuurlijke en economische functies en voordelen aan toegekend hebben. Het Franse scenario zou natuurlijk wel financieel leefbaar kunnen zijn. Op de Waalse staten-generaal stelde voormalig Waals minister-president Van Cauwenberghe dat Frankrijk alleen geïnteresseerd zou zijn in een samengaan met Wallonië als het mét Brussel is.

Dit is allemaal erg speculatief, natuurlijk, maar misschien moeten de verdedigers van het condominium bij de N-VA ook in ogenschouw nemen dat niet Wallonië maar Frankrijk de uiteindelijke 'medebestuurder' van Brussel zou kunnen zijn.

De Vlaamse volksbeweging is dus voornemens de discussie in haar rangen te heropenen en al dergelijke scenario's aan haar leden voor te leggen. Daarbij wordt ze kennelijk aangevuurd door de toenemende populariteit van de stelling-Crols, die vooropstelt dat de Vlaamse onafhankelijkheid essentieel tegengehouden wordt door Brussel. Als we Brussel loslaten lichten we de belangrijkste hypotheek op de Vlaamse onafhankelijkheid, is de gedachte.

Alsof de Vlaamse natie al als één man achter het independentisme staat. De werkelijkheid is dat zowel de voltallige nationale pers, als de vakbonden, als het hele middenveld, de academische wereld en nagenoeg de hele culturele sector de idee van Vlaamse onafhankelijkheid actief bestrijdt. Aan de basis is er duidelijk wel een Vlaamse grondstroom, maar die wordt niet gedragen door relevante besluitvormers en opiniemakers. Er is daardoor nog geen voldoende uitkristallisering van het 'algemeen Vlaams belang' waar een breed front rond kan gevormd worden. Er is nog steeds hevige strijd tussen belgicisten en Vlaamsgezinden binnen Vlaanderen, waarbij deze laatsten vooralsnog aan het kortste eind trekken.

Men maakt zichzelf iets wijs als men beweert dat het loslaten van Brussel een wissel op de toekomst betekent en de Vlaamse onafhankelijkheid dichterbij brengt. Intussen dreigt men wel de agenda van Olivier Maingain volledig uit te voeren en totaal verzwakt en met enorm internationaal prestigeverlies aan een splitsingsonderhandeling te beginnen.

Het is jammer dat binnen de Vlaamse Volksbeweging zoveel mensen zich door de sirenenzang van Crols op sleeptouw hebben laten nemen. Men hoort soms beweren dat de standpunten van 15 jaar geleden niet meer actueel zouden zijn, maar er is ten gronde niets fundamenteels veranderd. De gewestelijke status van Brussel is al een feit sinds 1989, alleen hebben de Vlamingen sedertdien de regel van de dubbele meerderheid gemilderd (gevoelige beslissingen kunnen genomen worden met een meerderheid van de Franstalige raadsleden en één derde van de Nederlandstalige raadsleden). Daar staat tegenover dat het aantal Nederlandstalige zetels in het Brussels Hoofdstedelijk Parlement is vastgelegd op 17 van de 89 zetels. Op taalvlak was het toen reeds huilen met de pet op, alleen heeft de Raad van State sedertdien in ettelijke arresten bevestigd dat de Brusselse Regering in strijd met de wet handelt, de Vlaamse regeringsleden maken er echter geen zaak van (omdat de Vlaamse partijhoofdkwartieren dit geen institutionele crisis waard achten, net zoals ze de Franstaligen en nu ook de Duitstaligen gesmeekt hebben nog maar een belangenconflictje in te dienen om de confrontatie omtrent BHV uit te stellen). De maatschappelijke trens blijven dezelfde, maar stellen zich scherper: meer dualiteit, meer immigratie, meer criminaliteit, meer armoede, meer druk op de Vlaamse rand. Minder Vlamingen. Maar ook: meer belangstelling voor het Nederlands, voor het Nederlandstalig onderwijs. Meer uitstraling voor Vlaamse culturele instellingen, die zich echter niet steeds als Vlaams profileren, meer maatschappelijk engagement van Vlamingen op het terrein.

Men haalt soms aan dat er bij het ontbinden van het land, niet zomaar aan de mening van 1 miljoen Brusselaars kan voorbijgegaan worden. Dat is zo, maar het is niet gezegd dat de huidige politieke taalverhoudingen per sé de weerspiegeling vormen van een belangenafweging die de Brusselse bevolking in een totaal nieuwe situatie zouden maken. Destijds ging De Morgen na wie die Brusselaars waren die, bang gemaakt door de Franstalige pers, vreesden voor het einde van België en de Belgische vlag uithingen. Velen waren Franstaligen met Vlaamse roots, bang om van Vlaanderen afgesneden te worden. De liefde van Brussel voor Wallonië is niet groot, en een toekomstperspectief van een Waals-Brusselse staat moet vele Franstalige Brusselaars doen huiveren. Toegegeven, ook dit is erg speculatief, maar dan nog hoeft Vlaanderen niet in alles de Franstalige redeneringen over te nemen. Tegenover de huidige taalpolitieke meerderheid staan een aantal grondwettelijk verankerde feiten waar men bij het eventuele ontbindingsproces van een land niet omheen kan: de grondwettelijk tweetalige status van Brussel, de Vlaamse hoofdstedelijke functie, het feit dat Brussel tot het grondgebied van de Vlaamse gemeenschap behoort, dat de Brusselaars een rechtstreekse stem kunnen uitbrengen voor het Vlaams parlement, dat het Nederlands een officiële taal is op volstrekte voet van gelijkheid op alle niveaus van het bestuur, dat de Brusselse Vlamingen een constitutief deel zijn van de Brusselse bestuursstructuur, dat de Brusselse ministerraad quasi-paritair is, dat gevoelige beslissingen met een (weliswaar gemilderde) dubbele meerderheid in het parlement moeten worden goedgekeurd. En dan het neusje van de zalm: Brussel heeft géén constitutieve autonomie, bijgevolg is het in tegenstelling tot Vlaanderen en Wallonië geen potentieel staatsdragende autoriteit.

Het is niet omdat de Vlaamse bestuurders van vandaag hun gegarandeerde machtsposities niet benutten in het belang van de Vlaamse bevolking, dat dit altijd zo moet blijven, en vooral, bij de opdeling van een staat, zijn dit spijkerharde juridische waarheden, die ten aanzien van de internationale gemeenschap duidelijk maken dat de Vlamingen in Brussel een factor zijn, en dat Vlaanderens claim op Brussel gestoeld is op een staatsrechtelijke voorgeschiedenis.

Het minimum dat Vlaanderen rechtens toekomt in een post-Belgisch scenario is het medebestuur met Wallonië, voor zover Wallonië daar belangstelling zou hebben. Vlaanderen kan de Walen, wellicht aanlokkelijke voorstellen doen - een voor Wallonië gunstige verdeling van de schuld, een solidariteitspact voor de relance van de Waalse economie, zodat het afziet van inmenging in Brussel. (De Walen hebben trouwens nu reeds hun hoofdstad in Namen gevestigd). Blijft hoe dan ook het feit dat zo'n co-bestuur, een 'condominium', zoals eerder besproken een bestuurlijke draak blijft en voor niemand ernstige voordelen oplevert.

De sociaal-economische en bestuurlijke voordelen van het 'opslorpingsscenario' zullen dan wel voor elkeen duidelijk zijn, het is de aloude taalkwestie die spookbeelden oproept. Dat de Franstaligen bevreesd zijn voor hun rechten, van zodra zij in de absolute minderheid gesteld worden, kan men heel goed begrijpen. Dus moeten hen de grootst mogelijke waarborgen geboden worden. Dat is met name de handhaving van de taalwetgeving zoals die nu bestaat en die verankerd moet worden in de grondwet van het onafhankelijke Vlaanderen en de garantie dat zij hun eigen culturele en onderwijsinstellingen kunnen behouden.

Het is moeilijk te vatten, maar in kringen van de Vlaamse volksbeweging leeft de vrees dat mét Brussel Vlaanderen een tweetalig land wordt, met een Brusselse olievlek die verder en verder zal uitdeinen. Het idee alleen dat er Frans zal gesproken worden in het Vlaams parlement is sommigen een gruwel.

Sommigen schijnen niet te willen inzien, dat met het breken van de Belgische staat, ook de Franstalige machtstructuur in België ophoudt te bestaan en dat het met de suprematie van het Frans definitief gedaan zal zijn. Is men in de Vlaamse beweging bang voor een minderheid van enkele honderdduizenden Franstaligen? Ziet men dan niet dat de Zweedstaligen in Finland, aan het begin van de vorige eeuw, en de Russen in de Baltische landen aan het einde ervan, na de machtswissel stilaan overschakelden op een tweetalige cultuur, weliswaar met behoud van hun eigenheid, die die landen alleen maar ten goede kan komen? In die landen is de taal niet gans het volk, en dat hoeft in Vlaanderen ook niet. Trouwens, sommige van de grootste werken uit de Vlaamse literatuur, zoals Charles De Costers Uylenspiegel, zijn toch in het Frans geschreven?

Ja dus, er zal Frans gesproken worden in het Vlaams parlement en in de centrale Vlaamse administraties, en misschien zal er wel een Franstalige in de Vlaamse regering opgenomen worden. (De eerste president van Finland was zelfs een Zweedstalige). Maar die zal dan wel opkomen voor de belangen van de Vlaamse staat en het welzijn van het Vlaamse volk. Tenminste, daar dient de Vlaamse staat voor.