Nummer 150


Actueel | oktober 2009


Waarom de Sleepstraat geen getto is (Brecht Arnaert)<< Nummer 150

In DS van 30 september vraagt Luckas Vander Taelen zich af of we bang moeten zijn om onze waarden op te dringen aan nieuwkomers. Hij verwijst naar de opkomst van getto's in Brussel, bewoond door allochtonen die de wijk niet meer als publieke ruimte zien, maar als het privaat eigendom van hun gemeenschap. In Gent, dans la Flandre Profonde, is er echter ook een grote Turkse minderheid die zich concentreert in een aantal wijken. Hoe komt het dat de Sleepstraat geen getto is, en de Merodestraat wel?

Het artikel van Vander Taelen wordt algemeen onthaald als een moedige analyse. Helaas is het niet eens een analyse maar slechts de loutere vaststelling van wat we al jaren weten. Vander Taelen stelt vast, maar verklaart niet. Willen we echter goeie oplossingen bedenken dan moeten we het eerst eens zijn over de definitie van het probleem. Een lekke band repareer je niet met hamer en beitel.

Want wat is de oorzaak van de problemen die we vandaag hebben? Welke ideeën lagen aan de basis van het beleid dat nu overduidelijk aan het falen is? Een grote verklarende factor is de idee dat het concept "wij" moest afgebroken worden, ten voordele van het individu. De gemeenschap werd als bevoogdend ervaren, wij en zij bestond niet meer, het was ik en jij en vele anderen. Weg met het paternalisme van een gemeenschapsmoraal, het eigen individuele ik primeert op gelijk welke sociale institutie.

Hoewel het in vraag stellen van sociale instituties vruchtbare producten kan opleveren, leidde die stelling echter ook tot de onvermijdelijke conclusie dat, indien de gemeenschap niet meer bevoogdend mocht zijn tegenover ons, ze dat toch ook niet meer mocht zijn tegenover nieuwkomers? Elk zijn eigen private cultuur, en dan vinden we het wel.

Maar wat als die nieuwkomers die postmodernistische manier van denken niet volgen? Wat als in hun cultuur het wij-gevoel wél nog waarde heeft? Dan krijg je toestanden zoals in Anderlecht, Molenbeek en Vorst. Op al die plaatsen is de gemeenschapszin van allochtonen onvoorstelbaar groot. In hun eigen gemeenschap. En daar wringt het schoentje in Brussel. Terwijl de Vlaamse Gemeenschap ondertussen een begrip met inhoud is, en de feitelijke Waalse Gemeenschap zich, ondanks jarenlange institutionele blokkering, stilaan aan het vormen is, is er van een Brusselse Gemeenschap in de verste verte geen sprake. Hoe sterk bewegingen zoals Aula Magna en Bruxsel Forum ook dromen van zo'n eigen Gemeenschap, die kan pas ontstaan als er een bindmiddel is dat de die gemeenschap vorm kan geven. Als dat bindmiddel "de loutere wil om samen te leven" is, dan is het failliet daarvan al meermaals bewezen. Allochtonen trekken zich terug in eigen wijken, op een eigen territorium.

En gelijk hebben ze. Want hét probleem bij uitstek in de Brusselse debat rond integratie is dat er toch geen duidelijke identiteit is om zich aan te conformeren. Hoogstens een stadsidentiteit, maar geen gemeenschap met een overkoepelende set aan normen en waarden. Wel, dan kun je maar beter jezelf zijn. Meer nog. De integratieproblemen in Brussel houden rechtstreeks verband met de uitholling van de Belgische identiteit. Die identiteit werd gaandeweg verzwakt door de democratisering en de genadeslag toegebracht door het cultiveren van de non-identiteit als reactie daarop.

Oorspronkelijk had België immers een zeer sterke identiteit. België was een duidelijk Franstalig land, centralistisch geleid naar Jacobijns model, met sterke Latijnse invloeden. Verkiezing na verkiezing werd echter duidelijker dat de Belgische identiteit, in 1830 nog bepaald door de ideeën van een mannelijke, cijnsbetalende, francofiele en royalistische elite van 30.000 stemgerechtigden, niet overeenkwam met de identiteitsinvulling die de bevolking voor zichzelf zag.

Hoe meer mensen mochten gaan stemmen, hoe sterker het duidelijk werd dat dit land uit twee naties bestaat: de onze en die van onze Waalse broeders. Zolang grote lagen van de bevolking niet mochten stemmen, kwam de identiteit België niet in de problemen. Vanaf de democratisering was er geen houden meer aan: het oorspronkelijk België was op sterven na dood.

Omdat het onmogelijk bleek om die oorspronkelijke Belgische identiteit te revitaliseren, koos men dan maar voor de vlucht vooruit. Kon België niet meer bestaan, dan zou het niet-bestaan van een Belgische identiteit haar nieuwe identiteit worden. Belgicistisch links in Vlaanderen vluchtte in een identitair nihilisme, dat bovendien nog goed paste bij een al te lichtzinnige invulling van de multiculturele samenleving. Het feit dat België geen identiteit had, leek de ideale voedingsbodem om allerlei culturen te verwelkomen, zonder onderscheid.

De plaats bij uitstek daarvoor was het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waar de Belgische identiteit zich door de federalisering noodgedwongen in teruggetrokken heeft. Enkel daar kon het experiment verder gezet worden. De blijde intrede van het ware humanisme in Brussel, werd in sterk contrast geplaatst met de vermeende kerktorenmentaliteit van de Vlaamse Gemeenschap. Men deed triomfantelijk over het nieuwe experiment.

Belg zijn werd verheven tot een soort kunstvorm, de kunst om zichzelf weg te cijferen. Surrealisme bleek daar goed bij te passen. Onlangs werd in Brussel nog het Magrittemuseum geopend, met als embleem een logo dat verdacht veel op een kroontje lijkt. Het surrealisme, ooit een anti-establishmentbeweging, wordt nu ingeschakeld ter legitimering van de non-identiteit. Te pas en te onpas wordt gedeclameerd dat België het samenlevingsmodel bij uitstek is, een uniek project in de wereld, post-nationaal en post-identitair.

Maar hoe mooi de dromen en de kunst van Magritte ook waren, non-identiteit is onhoudbaar. Wat niet wil bestaan, bestaat wél in zijn poging om niet te bestaan. Ook Magritte ging zijn verf kopen in een gewone winkel, die onderdeel was van een gewone gemeenschap. De non-identiteit is inconsistent met zichzelf. Wat Belgicistisch links dus niet voorzag, is dat het cultureel vacuüm dat zij België heetten en zij ten volle meenden te beleven in Brussel, al spoedig opgevuld zou worden door nieuwe identiteiten. Dát is wat gebeurd is in Brussel.

De probleemwijken van Brussel waar men dacht multiculturele experimenten te zien ontstaan, blijken bij nader inzicht monoculturele uitingen te zijn van een samenhorigheid waar zelfs de meest radicale conservatieven nog niet van durven te dromen. In die wijken is geen veelheid aan culturen aanwezig. Er is slechts één dominante cultuur, en dat is de hunne. De andere worden getolereerd. Nog net.

Het verschil met Gent kan niet duidelijker zijn. Wie de taxi neemt aan het Sint-Pietersstation maakt meteen kennis met Gentenaars van Turkse origine. Maar het zijn wel Gentenaars. Zij vragen in een sappig dialect, gekleurd door de vocaalharmonie die de Altaïsche talen zo eigen is, waar u heen wil. En als Galatasaray nog maar eens landskampioen geworden is, dan zal heel Gent het geweten hebben. Rode vlaggen met halve manen sieren het straatbeeld.

Maar zijn er in Gent no-go-zones? Trekken in Gent mensen van buitenlandse origine zich terug op een eigen territorium? Voelen Gentenaars van Vlaamse oorsprong zich niet meer thuis in hun eigen stad? Helemaal niet. De enige no-go-zone in Gent is tegenwoordig de Korenmarkt, en wel omdat die open ligt voor rioleringswerkzaamheden. Hoewel ook Gent zijn samenlevingsproblemen heeft, is er wel degelijk een common ground, een wens tot samenleven. De Gents-Turkse cultuur is wel degelijk een subcultuur in een Vlaamse spectrum, de subcultuur van de jongeren uit Molenbeek is dat niet: het is hun cultuur die er de Belgische non-identiteit opgevuld heeft. Zonder compromis, zonder common ground.

Het wordt tijd dat links erkent dat geen enkel ideaal, of het nu multiculturalisme, interculturalisme of transculturalisme is, de werkelijkheid kan verbergen dat er steeds een hoofdcultuur moet zijn waarin elementen van nieuwe culturen geabsorbeerd kunnen worden. Daar is trouwens helemaal niets mis mee. Meer nog. Multiculturaliteit zonder interactie is apartheid. En waar culturen interageren met elkaar, moet er een hoofdcultuur zijn die als substraat kan dienen voor de andere.

Dat de crux van het probleem zich in Brussel bevindt is dan ook geen toeval. Brussel is het enige territorium in België waar men is blijven vasthouden aan de Belgische identiteit, die hol geworden is. Terwijl nieuwkomers in Vlaanderen en Wallonië een identiteit aantreffen waar zij zich wel degelijk naar kúnnen integreren is men in Brussel overgeleverd is aan het identitair vacuüm dat men als reactie op die voortschrijdende uitholling gecreëerd heeft.

Het enige wat we nochtans moeten doen, is het voorbeeld van de Brusselse Franstaligen volgen. Paradoxaal genoeg zijn zij de enigen die zichzelf nooit inschreven in dat identitair nihilisme. Ze gebruikten het wel te pas en te onpas om de eigenheid van de Vlamingen in Brussel te kunnen negeren. Terwijl Vlamingen in Brussel onder elkaar aan het debatteren zijn of ze nu Brusselse Vlaming dan wel Vlaamse Brusselaar zijn, is de Franse Gemeenschap in Brussel de enige die nog identiteit genoeg toont om zonder vrees inderdaad zijn waarden en normen op te leggen.