Nummer 16


Omdat ik Vlaming ben | december 1995


Vlaamse beweging en multicultuur (Bernard Daelemans)<< Nummer 16

De voorgaande bijdragen boden een meer ideologische invalshoek op de problematiek van multicultuur en antiracisme. Ideeën spuien is nu eenmaal een hoofdtaak voor de Vlaamse beweging. Verschillende Vlaams-nationale verenigingen hebben de handschoen opgeraapt en brengen binnen de Vlaamse beweging de discussie op gang. Sommige zijn dat stadium zelfs al voorbij en legden reeds contacten met migrantenorganisaties. Een stand van zaken.

In de Vlaamse Volksbeweging (VVB) beweegt er wat: Julien Borremans, provinciaal VVB-voorzitter van Oost-Vlaanderen beet de spits af met een Vrije Tribune in De Standaard. Daarin stelde hij onomwonden dat de Vlaamse beweging afstand moet nemen van extremistische ideeën m.b.t. de vreemdelingenproblematiek zoals die door het Vlaams Blok worden verwoord.

De VVB van Mortsel richtte in oktober een avond in met als spreker Guido Tastenhoye, die uitgenodigd werd om in te gaan op de vraag: "Moeten migranten Vlamingen worden?" Het Mortselse publiek leek - een aantal sceptici daargelaten - het genuanceerde antwoord van Tastenhoye - "het is wenselijk" - met het nodige pragmatisme te benaderen.

Voor een talrijk opgekomen publiek organiseerde ondergetekende - in het kader van de VVB-Brussel-werking - een debat tussen Ludo Abicht (voorzitter van het progressieve Masereelfonds), Peter De Roover (algemeen voorzitter van de VVB), Luc Pauwels (hoofdredacteur van het nieuw-rechtse tijdschrift TeKoS) en Antoon Roosens (redacteur van Meervoud). De lezing van laatstgenoemde vindt u eerder in dit dossier. Uit de discussie achteraf scheen een algemene consensus tot stand te komen over het territorialiteitsbeginsel, met dien verstande dat er voor Abicht nog ruimte is voor een eigen identiteitsbeleving bij migranten, mits het respecteren van het Vlaamse wettelijk kader. Luc Pauwels stelde wel als voorbehoud dat de aantallen migranten een cruciaal gegeven zijn in het assimilatieproces, en dat derhalve een terugkeerbeleid niet bij voorbaat mag worden uitgesloten. Een bijzonder interessant gegeven bracht Ludo Abicht nog aan met betrekking tot deze aantallen: van de naar schatting 129 miljoen Joden die er wereldwijd zouden moeten zijn, blijven er maar een 13 miljoen zich als Jood identificeren. De overigen zijn volledig geassimileerd in de dominante cultuur. In het gesprek met de zaal kwam weer bij sommigen een zekere scepsis naar voren met betrekking tot de mogelijkheid tot integratie. De neerslag van deze discussie, die zal worden uitgegeven als VVB-schrift zal verder nog dienen als leidraad bij het verder uitspitten van het thema binnen de VVB.

Bij het Nationalistisch Verbond - Nederlandse Volksbeweging, toch enkele honderden leden sterk, is deze discussie al grotendeels achter de rug. Woordvoerder Jaak Peeters mocht de standpunten van het Verbond toelichten in het Jezuïetenblad Kultuurleven. Eerst en vooral stelt Peeters dat dit een zuivere gemeenschapsaangelegenheid is: tussen de wereldgemeenschap en het individu staat de cultuurgemeenschap, met voornamelijk de taal als "wereld van betekenissen" waarlangs het individu op een concrete maniet kan "mens worden". Deze specifieke cultuur, in casu de Nederlandse, heeft haar rechten: van migranten mag verwacht worden dat ze dit respecteren. "Ze kunnen in redelijheid niet eisen dat Vlaanderen zich aan hèn aanpast (...). Maar in de mate dat immigranten metterdaad bewijzen dat het hun ernst is met hun wil tot ingroeien in onze Vlaamse gemeenschap, komen hun alle politieke en maatschappelijke rechten toe die aan geboren Vlamingen worden toegekend, inclusief stemrecht, óók voor het Vlaamse parlement. Vanaf het moment dat ze definitief en onomkeerbaar de wissel naar Vlaanderen en de Nederlandse cultuur hebben getrokken, zijn ze niet langer 'immigranten', maar volwaardige burgers van onze cultuurnatie." Het Nationalistisch verbond had reeds herhaalde contacten met een migrantenvereniging met afdelingen in heel Vlaanderen. De bedoeling is te komen tot een gemeenschappelijke verklaring, gestoeld op voornoemde principes. Vooralsnog wordt er van migrantenzijde geaarzeld om hierop in te gaan. De schrik voor het Vlaams Blok, en de beeldvorming over Vlaanderen die door het Blok tot stand is gekomen, schijnt daar niet vreemd aan te zijn. De contacten worden echter voortgezet.

Nog tastbaarder zijn de contacten die gegroeid zijn tussen het Vlaams-nationaal jeugdhuis De Klomp in Overijse, en het Marokkaans jeugdhuis Rzoezie in Mechelen. Op een eerste heenbezoek naar Mechelen werden de doelstellingen van beide jeugdverenigingen uit de doeken gedaan: het Mechels jeugdhuis - enkel voor jongens toegankelijk - legt zich vooral toe op bijscholing en vorming gericht op sollicitaties. Er worden ook Koran-lessen ingericht om te voorkomen dat de jongeren in fundamentalistisch vaarwater zouden terechtkomen. De gasten uit de Druivenstreek deden dan de specifieke sociale en taalproblematiek in Vlaams-Brabant uit de doeken, en gaven tekst en uitleg over hun visie op de Vlaamse beweging. Een tegenbezoek aan de Klomp was vooral van sportieve aard. De uitslag van de voetbalmatch die werd gespeeld liet echter aan duidelijkheid niets te wensen over: het is erg gesteld met de conditie van de Vlaamse jeugd. De score was 3-10 voor Rzoezie. Binnenkort wordt er naar Mechelen gegaan voor een 'revanche'.

Van de andere kant van het politieke spectrum worden andere geluiden gehoord. Zo is er een zwart (geadopteerd) Vlaminkje lid van een Limburgse VNJ-afdeling (Vlaams Nationaal Jeugdverbond). Dit wordt gedoogd. Alleen mag deze kleine er niet bijzijn op de traditionele 'hoogdagen' als IJzerbedevaart en Zangfeest. Zonder commentaar...

Geluiden over het Vlaams integratie-'beleid'

Te oordelen aan wat er op beleidsvlak gebeurt, wordt het de hoogste tijd dat de Vlaamse beweging op dit vlak kritisch van zich laat horen. Zo het verwerven van de taal in alle officiële verklaringen als één van de sleutels tot integratie geldt, schijnt het gevoerde beleid zich daaraan nauwelijks wat gelegen te laten. Terzake getuigt de beslissing van onderwijsminister Luc Van den Bossche om een reeks onderwijsprojecten 'Nederlands voor migranten' om budgettaire redenen stop te zetten van een ongelooflijke desinteresse voor de migrantenproblematiek.

In Brussel, waar het migrantenprobleem zich het allerscherpst stelt, en waar dit bovendien een uitgesproken communautaire dimensie heeft, doordat op zijn minst 95% van de vreemdelingen in het Frans integreren, wordt de toon aangegeven door een integratiecentrum 'Le Foyer', onder leiding van mevrouw Loredana Marcchi. Deze dame, van Italiaanse komaf, die al 20 jaar in Vlaanderen woont, spreekt een danig geradbraakt Nederlands. (Ten tijde van het 4de Congres van de Brusselse Vlamingen zorgde dit voor een penibele situatie, waarbij co-voorzitter Mia Doornaert, voorwaar een geëngageerd voorstander van de multiculturele samenleving, tot zeker vijfmaal toe aan mevrouw Marcchi moest vragen haar standpunten te herhalen, waarna het nog niet geheel duidelijk was wat ze nu eigenlijk bedoelde). In geschriften hamert mevrouw Marcchi (ter vergoelijking van de eigen taalkundige tekortkomingen?) er voortdurend op dat de Vlaamse gemeenschap overdreven veel aandacht schenkt aan het taal-aspect van integratie.

Dit vertaalt zich ook in het taalbeleid dat door de Foyer - en dus door alle integratie-initiatieven van de Vlaamse Gemeenschap te Brussel wordt gevoerd.

Wie zou er durven aan twijfelen dat de kennis van het Nederlands een intrinsieke meerwaarde heeft voor de arbeidsmarkt en dus voor de migranten een aantrekkelijk perspectief biedt? Men zou dus verwachten dat de Vlaamse Gemeenschap van dit gegeven een paradepaardje maakt en op zeer grote schaal, en met professionele omkadering de Nederlandse taalverwerving propageert. Maar de initiatieven die ontplooid worden onder de noemer Coördinatie Nederlands voor Migranten (een 'filiaal' van de Foyer) zijn gestoeld op louter vrijwilligerswerk: er wordt niet gewerkt aan een aan de doelgroep aangepaste pedagogie, en de bezoldiging van de 'leerkrachten' is dermate laag dat van hen moeilijk bijzondere kwalificaties kunnen verwacht worden. Mensen die dan toch enige ervaring verwerven vanuit de praktijk komen dan weer niet in aanmerking om eventuele kader- of coördinerende functies in te vullen. Dat ligt dan niet zozeer aan de Foyer zelf, als wel aan de nepstatuten waarmee men noodgedwongen werkt.

Op een bijeenkomst, nu alweer twee jaar geleden door Vic Anciaux ingericht (zie Meervoud, december 1993) werden in de werkgroep Onderwijs een aantal concrete zaken gezegd, waar sindsdien niets mee gebeurd is. Een leerkracht Nederlands die op eigen houtje wat promotie gevoerd had, kreeg een enorme respons, maar uiteindelijk moesten vele geïnteresseerden geweigerd worden, omdat de personeelsomkadering de toevloed niet kon opvangen. Er werd ook gewezen op de volledige versnippering van het beleid. Naast de Coördinatie Nederlands is er ook Brusselleer, en worden in tal van trefcentra ok nog cursussen ingericht. Het is onmogelijk om een overzicht te krijgen van alle initiatieven die worden op touw gezet.

Op dezelfde bijeenkomst werd ook aangedrongen op een extra-taaljaar voor vreemdelingen in het Nederlandstalig onderwijs. De vraag is zelfs of dat volstaat. Moet er niet gedacht worden aan een heel uitgebouwd netwerk van 'overgangsklassen', zelfs per nationaliteit, zodat de verschillende groepen vreemdelingen op de meest aangepaste manier in het Nederlands ingroeien, zodat de kwaliteit van het Nederlandstalig onderwijs in zijn geheel onaangetast blijft.

Dit zijn zaken die niet onder de bevoegdheid vallen van de Brusselse instanties. Maar zij zouden de discussie moeten voeren, en aan Vlaanderen het nationaal belang hiervan aantonen, zodat hiervoor de nodige middelen vrijkomen.

Inmiddels schijnt de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) haar 'integratiebeleid' echter geheel te hebben afgestemd op de allermarginaalste groepen via allerlei 'sociale projecten', straathoekwerk, enz. wat voor gevold heeft dat Vlaamse instellingen meewerken aan de verfransing van de vreemdelingen.