Nummer 16


Nationale arbeidsraad | december 1995


Vlaanderen krijgt zijn deel niet (Thomas Du Plessis)<< Nummer 16

Het Belgicistisch establishment heeft begin november eens temeer zijn waar gelaat getoond in de Nationale Arbeidsraad. Onder de druk van de 'Vlaamse publieke opinie' - enkele Vlaamse politici inbegrepen - wordt al sinds enkele jaren gepoogd een juiste kijk te krijgen op de geldstromen van Vlaanderen naar Wallonië. Vakbonden, werkgevers, middenstand en Boerenbond, waarvan de hele top ook in de NAR zetelt, konden niet achterwege blijven, al was het maar om de schijn te redden.

Dus werd ook hier, vanaf 1993, zogezegd gepoogd een duidelijk beeld te krijgen van de transfers. De hele discussie begon met de vaststelling dat er geen objectieve cijfergegevens voorhanden waren. Die werden in 1994 bijeengebracht in een lijvig boekwerk dat... in oktober 1995 reeds beschikbaar was. En toen kwam het spel op de wagen.

Na een eerste bespreking begonnen de bonzen van de NAR met de preambule dat de verkregen cijfers inzake bijdragen en uitgaven voor de takken van de sociale zekerheid en opgesteld per arrondissement, onvolledig en onjuist waren. Vervolgens werd erop gewezen dat uit die cijfers zeker geen politieke conclusies moesten getrokken worden en dat de NAR zich daartoe "ook niet zou lenen".

Statistische gegevens mogen dan al zijn als een bikini bij een mooie vrouw en het belangrijkste verhullen, liegen kunnen ze niet. Zo blijkt uit de gegevens over 1993 dat Vlaanderen 65% van de inkomsten voor de sociale zekerheid levert, Wallonië 26% en Brussel 9%. Gaat men dat vergelijken met wat de inwoners van de gewesten uit die sociale zekerheid terugkrijgen, dan zijn de discrepanties gewoon verbluffend te noemen, zelfs al ontbreekt de sector 'arbeidsongeschiktheid' bij de ziekte- en invaliditeitsverzekering. Vlaanderen is verliezer over heel de lijn, terwijl Brussel nog enigszins binnen de normen valt en Wallonië over heel de lijn met 'de buit' gaat lopen.

Financiert Vlaanderen voor 65% de sociale zekerheid, dan krijgt het in de sector werkloosheid 51% of 14% minder dan wat het bijdraagt; in de sector rust- en overlevingspensioenen krijgt het 58% terug of 7% te weinig; in de sector pensioenrenten krijgt het zelfs maar 48% of 17% te weinig. Voor invaliditeit komt Vlaanderen uit op 50% of 15% beneden de norm. Voor de beroepsziekten zijn de cijfers nóg schrijnender: voor een bijdrage van 65% vloeit slechts 36% terug. Voor arbeidsongevallen en kinderbijslag komt Vlaanderen op een al even pover resultaat van 56% uit.

Het zal wel toeval zijn dat Wallonië over heel de lijn ver boven zijn bijdrage van 26% zit. Voor werkloosheid halen onze Waalse broeders 39% binnen of 13% meer dan hun bijdrage. Voor rust- en overlevingspensioenen komen zij aan 33% of 7% boven hun gemiddeld bijdragepeil. Voor pensioenrenten komen zij uit op hetzelfde cijfer van 33% en voor invaliditeit op 40% of 14% meer dan de bijdrage. In de sector beroepsziekten worden alle records geklopt, met 62% of 36% meer dan werd bijgedragen. Voor arbeidsongevallen en kinderbijslag bedragen de cijfers 37 en 34% of 11 en 8% boven het bijdrageaandeel.

Afgezien van de pensioenrenten waar het uitkomt op meer dan 19% blijft Brussel binnen de perken van zijn 9% bijdrage. Voor werkloosheid krijgt het 10% terug; voor rust- en overlevingspensioenen exact 9%; voor invaliditeit 10%; voor beroepsziekten met 2% duidelijk minder dan de bijdrage en voor arbeidsongevallen en kinderbijslag ten slotte wordt 7 en 10% behaald.

De NAR moest zelfs toegeven dat de verstrekte cijfers per arrondissement alleen betrekking hebben op de arrondissementen die het best scoren (de beste verhouding te zien geven tussen het aandeel aan RSZ-bijdragen en het aandeel uitgaven dat zij uit het stelsel halen). Het gaat daarbij om Nijvel, Halle-Vilvoorde en Antwerpen. Niet opgenomen werden Limburg, Oostende, Brussel en praktisch geheel Wallonië Van eerlijkheid gesproken.

Het is in het licht van deze gegevens dan allicht ook niet verwonderlijk dat de Leuvense professor Roger Blanpain onlangs de sociale partners en de NAR in het bijzonder de mantel uitveegde. De professor vindt dat de NAR, die niet verkozen noch gemandateerd werd, optreedt als wetgever zonder daartoe de nodige legitimiteit te bezitten. Een opmerkelijke uitspraak waartegen het hele establishment trouwens onmiddellijk en voor een keer eenparig reageerde en des te opmerkelijker, daar NAR-voorzitster Jo Walgrave op de rechtsfaculteit in Leuven jarenlang de rechterhand van professor Blanpain is geweest.