Nummer 18


Sociale zekerheid | april 1996


Brussel en de communautarisering van de sociale zekerheid (Bernard Daelemans)<< Nummer 18

Over de implicaties voor Brussel van een communautarisering van de sociale zekerheid werd nader ingegaan op een debat dat georganiseerd werd door de Vlaamse Volksbeweging en het Vlaams Komitee voor Brussel.

Daar werd prof. Danny Pieters aan de tand gevoeld over de mogelijkheidsvoorwaarden van het inschakelen van de Brusselse Vlamingen in een algemeen-Vlaamse sociale zekerheid. Pieters was voorzitter van de werkgroep die in opdracht van de vorige Vlaamse regering een studie maakte, getiteld Federalisme voor onze sociale zekerheid. Als geboren Ukkelaar die jarenlang in Laken woonde heeft Pieters bij het opstellen van zijn studie ter dege rekening gehouden met de Brusselse Vlamingen. Het model dat hij dan ook vooropstelt vergelijkt hij met het Nederlandstalig onderwijs : de gemeenschappen zijn in Brussel niet bevoegd ten aanzien van personen, maar ten aanzien van instellingen (vb. scholen en ziekenhuizen). Net zoals de schoolplicht zou er ook een algemene federale verzekeringsplicht kunnen worden uitgevaardigd, waarbij de Brusselaars de vrije keuze hebben voor het Vlaamse of het Franse stelsel, net zoals men kan kiezen voor een Nederlands- of Franstalige school. Elk stelsel zou dan zijn eigen conventionering (afspraken met betrekking tot diensten, tarieven en terugbetalingstarieven) hebben met de Brusselse instellingen van bijvoorbeeld ziekenzorg. Men kan het vergelijken met andere soorten verzekeringspolissen, waarbij men al naargelang de polis een verschillende terugbetaling krijgt. Net zoals twee mensen thans een verschillende dekking kunnen hebben voor een huis dat afbrandt of een auto die gestolen wordt, naargelang de verzekeringspolis. Men gaat dus uitdrukkelijk niet van Brussel verder een "vierde gemeenschap" maken: de Vlaamse sociale zekerheid zal dezelfde zijn voor alle Vlamingen. Het systeem van Pieters zou gefinancierd worden via de fiscus en niet langer via werkgeversbijdragen. Dit is van belang, omdat anders Vlaams- of Frans-verzekerden het slachtoffer kunnen worden van een "criminele discriminatie" op de arbeidsmarkt. Om dezelfde reden acht Pieters het model enkel uitvoerbaar voor de zgn. "kostencompenserende sociale zekerheid" (kinderbijslag en ziekenzorg) en niet voor de "kostenvervangende" (werkloosheidsuitkeringen en pensioenen). De splitsing van deze laatste sectoren is volgens Pieters niet mogelijk tenzij in een "fundamenteel ander staatsverband". Verder meende Pieters nog dat bij de conventioneringsonderhandelingen met de gezondheidsinstellingen en artsen enige druk kan uitgeoefend worden om te komen tot correctere taalverhoudingen, iets wat door beide andere sprekers sterk betwijfeld werd. Volgens Brigitte Grouwels (Brussels Gewestraadslid voor de CVP die tevens zitting heeft in het Vlaams parlement) stelt men door conventionering met bepaalde in gebreke blijvende instellingen te weigeren juist de Vlamingen die hoe dan ook in dergelijke instellingen terecht komen in de kou. Joost Rampelberg meent dat een verbetering van de situatie in de Brusselse ziekenhuizen er maar kan komen door het opdrijven van het Vlaamse gezondheidsaanbod.

Joost Rampelberg ging verder niet in op de voorstellen van Pieters, tenzij om te benadrukken dat er fundamenteel verschillende gedragspatronen bestaan tussen Nederlands- en Franstaligen bestaan, en dit zowel bij patiënten als artsen. Een Vlaams "verzorgingspatroon" houdt in nadruk leggen op begeleiding van mensen, eerder dan op technische vormen van geneeskunde : een vaste band met een vaste huisarts die steeds beschikbaar is, een voorkeur voor thuiszorg, eerder dan hospitalisatie, een meer preventieve instelling, in plaats van een spitstechnologie. Die verschillende instelling is in Brussel bij de mensen zeker ruimer aanwezig dan enkel bij de Nederlandstaligen. Rampelberg schat dat ruim dertig procent van de Brusselse bevolking een dergelijke ingesteldheid bezit.

Rampelberg zag echter geen bezwaar in het splitsen van de volledige sociale zekerheid. Hij verwees hierbij naar de denkwegen die er bestaan om een eigen Vlaamse pensioenregeling uit te werken voor Vlaamse ambtenaren, niet gestoeld op een partitie- maar op een recapitalisatiestelsel.

Brigitte Grouwels stelde dat de modernisering van de sociale zekerheid aan de orde is, in het licht van maatschappelijke verschuivingen die zich voordoen (zoals de toenemende vergrijzing van de bevolking en het toenemend aantal tweeverdieners en alleenstaanden), en dat er daarom nood is om een bevoegdheidsherschikking door te voeren, die zou leiden tot meer homogene bevoegdheidspakketten, zoals de Vlaamse regering reeds in haar regeerakkoord had gesteld en tevens tot uiting komt in de schrikkelnota van Van den Brande. Wel meende zij dat in het federale parlement geen meerderheid is om nu stappen te zetten, en dat ook mutualiteiten en vakbonden zich ertegen verzetten. (Daarbij merkte Pieters op dat met name de mutualiteiten zich vooral "pro forma" verzetten, maar zich al volop aan het voorbereiden zijn op een bevoegdheidsoverdracht). Over de Brusselse invulling van de Vlaamse sociale zekerheid is nog geen studiewerk verricht door de studiedienst van de CVP. Zij wees overhaaste beslissingen van de hand, maar besefte ook dat de 200.000 Brusselse Vlamingen de Vlaamse drang naar meer autonomie niet kunnen tegenhouden, en pleitte daarom voor een degelijke voorbereiding van het dossier (een opdracht dus die zij vooral zichzelf meegaf, waarbij we er niet aan twijfelen dat zij die in het Vlaams parlement ook secuur ter harte zal nemen). Waar ze beslist op wees was dat er allerdings geen bijkomende bicommunautaire instellingen in het leven worden geroepen. Die bieden de Vlamingen geen enkel voordeel. De Franstaligen zijn trouwens volop bezig een aantal sectoren, zoals de bejaardenhuizen, ééntalig uit te bouwen. Verder had Grouwels wel een aantal vragen voor prof. Pieters. Zo de vraag of Vlaamse artsen zich dan bij beide systemen moeten conventioneren. Hetgeen bevestigend werd beantwoord. Verder of de sociale zekerheid wel kan vergeleken worden met het onderwijs, dat toch typisch taalgebonden is. Hierop werd zowel door Pieters als door Rampelberg geantwoord dat medische zorg zeer duidelijk taal- en cultuurgebonden is. Dat is ook niet verwonderlijk vermits er nu al twintig jaar een gescheiden opleiding is voor artsen, waarbij de Vlaamse medische wereld zich ook meer richt op de angelsaksische wetenschappelijke literatuur, Franstalig België daarentegen op de Latijnse literatuur. Verder wou zij nog weten of er dan geen sociale shopping zou komen. Pieters repliceerde hierop dat het feit dat men de invoering van een vaste subnationaliteit ongewenst acht tot onvermijdelijk gevolg heeft dat sociale shopping mogelijk wordt. Maar men kan geen sociale zekerheid à la carte hebben, dus Vlaams voor de kinderbijslag en Frans voor de gezondheidszorg. Wel kan men het ongebreideld wisselen van het ene naar het andere bemoeilijken door beperkingen in de tijd vast te leggen. Anderzijds maakte hij zich geen illusies. De eerste tien jaar zullen beide sociale zekerheidsstelsels sterk op elkaar lijken. Mensen zijn ook heel erg behoudend op dit vlak en zullen niet zomaar veranderen. Uit internationale vergelijkingen is ook moeilijk op te maken welk stelsel uiteindelijk voordeliger is. Uit de zaal kwam nog de vraag of een massale toestroom van Franstaligen naar de Vlaamse sociale zekerheid niet voor extra-transfers zou zorgen. Pieters zei hierop dat het niet noodzakelijk zo is dat een Vlaamse sociale zekerheid guller hoeft te worden omdat het draagvlak theoretisch groter is : men kan even goed een spaarzamere sociale zekerheid verwezenlijken. Overigens zou een grote toeloop naar de Vlaamse sociale zekerheid als een positief politiek feit begroet kunnen worden.

Aangezien de maatschappelijke discussie omtrent de Brusselse aspecten van de Vlaamse sociale zekerheid zich nog in een beginstadium bevindt, werden in dit debat ongetwijfeld nog vele zaken onvoldoende uitgespit. Maar Brigitte Grouwels was toch al "gerustgesteld" door de denkwegen van prof. Pieters. Het blijkt perfect mogelijk alvast een Vlaamse gezondheidszorg in Brussel te realiseren. Voor andere takken van de sociale zekerheid moet de denkoefening worden overgedaan. Misschien is die inderdaad slechts mogelijk in een "andere staatsordening", waarbij de Brusselse gewestelijke status aan de orde komt. Wordt vervolgd...