Nummer 19


Nieuws ut het derde gewest en zijn riante omgeving | juni 1996


(Euro-)Brussel-kroniek (Sara Rampelberg)<< Nummer 19

Taalwetten te Brussel: tussen droom en daad...

VUBpress gaf recent in de reeks "Brusselse thema's" de studie "De toepassing van de taalwetgeving in de Brusselse gemeentelijke instellingen" uit van Anja Detant, vorser aan het Centrum voor de Interdisciplinaire Studie van Brussel.

In het boek van Detant worden het ontstaan en de naleving van de taalwetgeving in Brussel grondig bestudeerd en besproken. De auteur zet de moeizame totstandkoming op Hertoginnendal (1963) uiteen en heeft het vervolgens over de tekortkomingen binnen de wet zelf (voornamelijk lacunes en onduidelijkheden), de minimalistische toepassing van de richtlijnen binnen de Brusselse gemeenten en OCMW's door de Franstaligen, de verschillende omzeilingstactieken die aan Franstalige zijde gehanteerd worden en het gebrekkige controlemechanisme (de vice-gouverneur is aangesteld voor de controle in Brussel, maar beschikt niet over onderzoeksbevoegdheid en kan enkel benoemingen na klacht schorsen, hetgeen voor het betrokken personeelslid geen enkel gevolg heeft, zolang de Brusselse voogdij-overheid geen vernietigingsbesluit tekent; de Vaste Commissie voor Taaltoezicht is nationaal bevoegd en heeft in de praktijk weinig afdwingbaar gezag in Brussel). Daarnaast wordt apart ingegaan op de situatie bij de Brusselse politiecorpsen, waar de taalwetgeving door de Franstaligen als voornaamste reden genoemd wordt waarom er grote onderbezetting heerst.

De twee basisprincipes voor de taalwetgeving in gemeenten en OCMW's zijn betrekkelijk eenvoudig: tweetaligheid van alle ambtenaren en een minimum aandeel voor elke taalgroep van 25% van het ganse personeel, en pariteit op het niveau van afdelingschefs. Laat de wet dan nog enige ruimte tot interpretatie, de jurisprudentie van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht, en de praktijk van de vice-gouverneur zijn zeer standvastig.

Het "onduidelijke karakter" van de taalwet is dan ook voor een groot stuk te wijten aan de onwil van de Franstaligen om tot een gelijkberechtiging van Vlamingen en Franstaligen in Brussel te komen. Niet voor niets noemde Anja Detant de taalwetgeving op de persvoorstelling van haar boek een compromistekst. Dit is echter helemaal geen goede basis gebleken voor een correcte toepassing ervan. De Franstaligen hebben van de vaagheid van de wet geprofiteerd om ze zo beperkt mogelijk toe te passen. Ze beroepen zich op de feitelijke bevolkingsverhoudingen binnen Brussel om de 1/4-3/4 verhouding tussen Vlamingen en Franstaligen in gemeentelijke dienst te negeren of scheef te trekken, en noemen de Vlamingen een "overbeschermde minderheid".

Toch blijkt uit de cijfergegevens dat de Vlaamse vertegenwoordiging binnen de Brusselse administraties best meevalt. De 1/4-3/4 wervingsverhouding wordt in de meeste gemeenten en OCMW's gerespecteerd, zij het dat een onevenwicht meestal in het voordeel van de Franstaligen speelt.

Trucjes en omzeilingsmaneuvers

Meer problemen leveren de tijdelijke en contractuele personeelsleden, waarvan de Franstaligen beweren dat ze niet onderhevig zijn aan de taalwetten. Deze hebben overigens een steeds groter aandeel verworven in het totale personeel. Nochtans zijn de vice-gouverneur, de Raad van State en de Minister van Binnenlandse zaken hier unaniem : de taalwetgeving geldt voor iedereen in gemeentelijke dienst, ook voor tijdelijk en contractueel personeel. Vooral bij de gesubsidieerde contractuelen valt een sterk overwicht aan Franstaligen op. Schorsingen zijn hier legio, maar zelden komt het tot sancties, gezien de bevoegde instantie, de bevoegde ministers van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, d.i. voor de gemeenten de heer Charles Picqué en voor de OCMW's Rufin Grijp en Didier Gosuin, zelden tot vernietiging van de benoemingen in kwestie besluiten. Vaak laat men gewoon de termijn verstrijken.

De Franstaligen kennen nog andere trucjes om de balans (onopvallend?) in hun voordeel te laten doorslaan. Zo worden in sommige gemeenten zuiver Franstalige v.z.w.'s opgericht, die zich bezighouden met sport, cultuur, toerisme, informatie... Deze v.z.w.'s moeten nochtans aan de taalwetgeving voldoen, aldus de vice-gouverneur. Soms "vergeten" tijdelijk aangenomen ambtenaren (die door een versoepelde maatregel een jaar de tijd krijgen om Nederlands te leren) hun taalexamens af te leggen. Soms worden dezelfde (Nederlandsonkundige) mensen door verschillende opeenvolgende "tijdelijke" aanstellingen op eenzelfde post gehouden. Of men bemoeilijkt het nastreven van de pariteit door een oneven aantal functies te creëren.

Ook hier rijst echter het probleem van (gebrek aan) controle en sancties.

Artsen zijn geen ambtenaren

In de openbare ziekenhuizen leidt de minimalistische interpretatie van de taalwetgeving aan Franstalige zijde tot ware taalwantoestanden. Volgens de Franstaligen zijn artsen immers geen ambtenaren en hoeven ze dus niet tweetalig te zijn. Zo komt het dat 90% van de artsen Franstalig is, terwijl 30% van de patiënten uit Vlamingen bestaat. De rekening van de Brusselse ziekenhuizen mogen de Vlamingen natuurlijk wel meebetalen; dienstverlening krijgen ze er allerminst voor in de plaats.

Ook de situatie bij de Brusselse politiecorpsen baart zorgen. Politiediensten kampen met grote personeelstekorten (vooral in Etterbeek, Schaarbeek en Elsene) en de vinger wordt algauw gewezen naar de taalwetgeving die een vlotte aanwerving van agenten zou bemoeilijken. Het Vast Wervingssecretariaat dat de taalexamens afneemt krijgt veel kritiek : er zouden te weinig examens zijn, de administratie verloopt traag en de examens zouden te moeilijk zijn. Van zijn kant klaagt het VWS over de beperkte opkomst bij de examens (slechts 40% van de ingeschrevenen daagt op). De slaagpercentages liggen laag maar toch is het opvallend dat er bij de Vlamingen gemiddeld 10% meer kandidaten slagen dan bij de Franstaligen. Deze laatsten beweren dan ook dat de Vlamingen bevoordeeld worden. Detant stelt dat een Vlaming in Brussel algauw een mondje Frans leert. Maar met een "mondje Frans" slaag je nog niet voor een taalexamen. Zou het niet kunnen dat het niveau van het Nederlands dat onderwezen wordt op de Franstalige scholen gewoon een stuk lager ligt dan dat van het Frans in het Nederlandstalig onderwijs? Een heroriëntering van het vak Nederlands in het Franstalig onderwijs zou waarschijnlijk al heel wat taalproblemen voorkomen. Er spelen trouwens nog andere zaken dan de taalexamens een rol in het beperkte succes van het politieambt : een weinig aantrekkelijk loon en gebrek aan waardering voor een toch niet te onderschatten taak. Toch schijnen vele Franstaligen gewonnen voor een versoepeling van de taalwetgeving om kandidaat-agenten te motiveren. Zo vindt Charles Picqué dat eentalige politieagenten aangeworven moeten kunnen worden om de heersende onveiligheid in de stad tegen te gaan. Ook Georges Désir stelde in dit verband dat veiligheid belangrijker is dan taalkennis.

Het aanwervingssysteem bij de politie wordt voorgesteld alsof het gaat om een keuze tussen respect voor de taalwetten en veiligheid. De gemeente Elsene spande echter de kroon met haar interpretatie van tweetaligheid voor politieagenten. Ze plaatsten een advertentie voor de aanwerving van hulpagenten "ayant une bonne connaissance du français et de l'arabe".

Anja Detant besluit dat de taalwetgeving op zich een goede zaak is voor de Vlamingen in Brussel, maar dat door onduidelijkheden in de wet zelf en door het gebrek aan efficiënte controlemechanismen het Brussels landschap voorlopig nog niet echt Vlaamsvriendelijker geworden is. Ook de onwil van sommige Brusselse burgemeesters (die zich vastklampen aan de zogeheten gemeentelijke autonomie) om de taalwetgeving na te leven heeft de correcte toepassing van de taalwetten sterk gehinderd. Het valt misschien te overwegen de taalwet te herzien en "de gaatjes te stoppen" zodat dergelijke misbruiken vermeden kunnen worden.

Ook valt het te overwegen de vice-gouverneur meer slagkracht te geven en juridische sancties te verbinden aan inbreuken op de taalwet. Zolang de heer Picqué beslist of schorsing van een benoeming een vernietiging wordt zullen er nog heel wat schorsingen verlopen... en blijft de vice-gouverneur een Don Quichotte tegen Franstalige windmolens.

Vlamingen legitimeren deze gang van zaken

De vraag rijst dan ook wat de rol is van de Vlaamse excellenties in de Brusselse regering. Die hadden zich bij het begin van deze legislatuur sterk gemaakt : de toepassing van de taalwetten staat ingeschreven in het Brussels regeerakkoord, en er is ook vastgelegd dat de Brusselse regering om de drie maanden een stand van zaken moet voorleggen. De verwachting was gerechtvaardigd dat er nu schot in de zaak zou komen, en dat ze de druk op de Franstaligen zouden opvoeren. Zonder de Vlamingen kan Brussel immers niet bestuurd worden, zo wordt steevast beweerd. Toch schijnt er allemaal niets van in huis te komen. De Vlamingen in de Brusselse regering hebben de driemaandelijkse rapportering tot een farce laten verworden, er is geen enkele positieve beleidsdaad uitgevoerd om op één of ander vlak ook maar het minste geringste te veranderen aan de huidige onwettige gang van zaken, en ook het parlementair debat dat hierover gehouden moest worden is volledig in het water gevallen.

Blokker Dominiek Lootens had namelijk een veertigtal interpellaties ingediend om de gang van zaken aan te klagen en ook Brigitte Grouwels (CVP) heeft een duit in het zakje gedaan om de regering aan de tand te voelen, maar de meeste interpellaties werden doorverwezen naar een commissievergadering die dan uiteindelijk in de grootste verwarring en achter gesloten deuren gehouden is. Deze vergadering die zogenaamd een "globaal debat" moest houden over de toepassing van de taalwetgeving op alle niveaus werd niet eens bijgewoond door Rufin Grijp en Charles Picqué, nochtans beiden verantwoordelijk voor de voogdij over respectievelijk de OCMW's en de gemeenten. Over deze laatste kon dan ook niet gediscussieerd worden, zodat dit onderdeel werd uitgesteld tot een volgende vergadering. Zoals in democratische regimes gebruikelijk is werd er ook geen verslag opgemaakt. De enige aanwezige minister, Didier Gosuin, samen met Grijp bevoegd voor het toezicht op de OCMW's zei nog eens dat er geen enkel probleem was met de naleving van de taalwetgeving, dat alles berust op een verschillende interpretatie door Franstaligen en Vlamingen. Dat hij zèlf de rechtsprocedures van de vice-gouverneur al jaren boycot was niet aan de orde. Wel zouden twee professoren worden aangeduid om het één en het ander uit te klaren. Wellicht heeft de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie nog een paar miljoenen teveel om enkele geleerde heren (Kris Deschouwer?) nog een jaar te laten studeren. Van een tweede driemaandelijks rapport was alvast geen sprake meer.

De Vlaamse ministers moeten nu niet meer komen klagen en zagen dat er in Vlaanderen aan hun gezag getwijfeld wordt : met hun struisvogelpolitiek verdienen ze geen greintje respect meer.

Taalwet wijzigen

We noteren nu dat de Volksunie enkele wetsvoorstellen zal indienen in de Federale Kamer om alle dubbelzinnigheden uit de taalwet weg te werken en vooral om een betere sanctionering van overtredingen mogelijk te maken.

Het gaat enerzijds om een 'interpretatieve wet' die verduidelijkt dat de taalwet voor gemeenten en OCMW's ook van toepassing is op contractueel personeel en op v.z.w.'s aan dewelke gemeentelijke taken worden opgedragen. Zoals de VU zelf stelt is dit strict gezien niet nodig, aangezien de rechtsinstanties daar nu reeds van uitgaan. Anderzijds worden strafrechtelijke sancties toegevoegd aan het huidige instrumentarium. Tot op heden geldt - enkel in geval van klacht - dat de onwettige rechtshandeling nietig is. Het VU verbindt hieraan ook een gevangenisstraf en een geldboete. Dit verschaft de parketten meteen de mogelijkheid een actief vervolgingsbeleid te voeren. Ook moet de vice-gouverneur meer armslag krijgen.

Volgens Sven Gatz zijn voor deze aanvullende bepalingen geen bijzondere meerderheden vereist. Ze kunnen dus reeds van kracht worden als alle Vlaamse partijen ermee instemmen.

Bert Anciaux, die eveneens aanwezig was bij de toelichting van deze voorstellen, kondigde tevens aan dat er binnenkort nog meer initiatieven volgen omtrent Brussel, zowel wat betreft de leefbaarheid van de hoofdstad als wat betreft de taalwet op Gewestniveau (die wezenlijk verschilt van de gemeentelijke taalwet). De VU-voorzitter stelde trouwens het handhaven van de taalkaders in het Brussels gewest als breekpunt voor een verdere steun van de VU aan de Gewestregering.

Nochtans is er voor deze laatste méér nodig dan politieke wil : de taalkaders, waar krachtens het huidige politiek akkoord de aanwezigheid van één derde Nederlandstaligen gegarandeerd is, worden door de franstaligen immers langs juridische weg bestreden. Bij de brandweer zijn deze taalkaders al vernietigd door de Raad van State, die oordeelde dat het Nederlandstalig werkvolume er onvoldoende gemotiveerd was. Intussen lopen er nieuwe klachten (nopens schriftvervalsing bij het opstellen van de taalkaders - ten voordele van de Vlamingen - door Chabert). Wordt vervolgd...

"Het aantal franstaligen in de Rand blijft al twintig jaar ongeveer stabiel"

Tot deze wetenschappelijke vaststelling kwam professor Kris Deschouwer van de VUB in een interview met de regionale zender Ring-TV. De reportageploeg van de Vlaams-Brabantse zender trok voorzichtigheidshalve toch maar even na of deze wetenschappelijke bevinding kon getoetst worden aan de wetten van de rekenkunde. Daartoe werd voor elke randgemeente het aantal Franstalige gemeenteraadsleden van 1976 vergeleken met dat van thans. In totaal zetelen er in Vlaams-Brabant buiten de faciliteitengemeenten al 44 Franstaligen in de gemeenteraden, 21 meer dan in 1976. In slechts twee gemeenten is hun aantal stabiel gebleven, en in Vilvoorde, de enige gemeente waar een achteruitgang te noteren viel, bleek dit voornamelijk te wijten aan het feit dat de franstaligen er in gespreide slagorde waren opgekomen. Catastrofaal is de situatie in de zes faciliteitengemeenten, waar nu nog slechts 2 Vlaamse schepenen zijn.

Kloof

Sedert de consecratie van het derde gewest neemt de vervreemding tussen Brussel en Vlaams-Brabant hand over hand toe. Om de communicatie te herstellen heeft VLD-er Leo Goovaerts in het Vlaams Parlement een voorstel van decreet ingediend dat TV-Brussel de mogelijkheid biedt in Halle-Vilvoorde op de kabel te komen, terwijl Ring-TV in Brussel te bekijken zou zijn. Enigszins merkwaardig is het dat een VLD'er nu met zulk een voorstel komt, daar waar de voorzitter van TV-Brussel, de Heer Freddy Neyts (echtgenoot van) ooit actievoerders die bij de plechtige start van zijn zender pamfletten verspreidden ten bate van een breder zendbereik, gelastte zich uit de voeten te maken.

Een puik voorstel dus toch, maar de voorstellen van Goovaerts waren nog niet koud, of media-minister Van Rompuy liet al weten dat er geen sprake van kon zijn het decreet op de regionale televisie te wijzigen. Van Rompuy heeft daarvoor niet eens gewacht op enige samenspraak met zijn fractie, wat natuurlijk getuigt van een groot respect voor de soevereiniteit van de parlementaire instelling.

Een ander vreemd geluid kwam er van Etienne Van Vaerenbergh (VU) die bevreesd is voor "identiteitsverlies" van de zenders, en vooral voor "tegeneisen" van Télé-Bruxelles om ook in de rand te mogen opereren. Nochtans biedt het voorstel juist garanties voor het behoud van de identiteit van beide zenders, daar men niet het nieuwsgaringsgebied uitbreidt, maar enkel het zendbereik. De identiteit komt juist wel in het gedrang als de voorstellen van Van Rompuy het zouden halen, en er voortdurend programma's uitgewisseld zouden worden.

Wat ook absoluut onwijs is, in hoofde van zowel Van Vaerenbergh als Van Rompuy, is de koppeling van het zendbereik van TV-Brussel en Télé-Bruxelles : de Franse gemeenschap heeft geen enkele zeggenschap over de Vlaamse kabel, daarentegen is de Vlaamse Gemeenschap wel "thuis" in Brussel. Dat er moeilijkheden te verwachten zijn in verband met het op de buis brengen van een nieuwe Vlaamse zender in Brussel (in casu Ring-TV), zoals er al eerder moeilijkheden rezen i.v.m. Nederland 3, die trouwens nog steeds niet terug op de Brusselse kabel is, zegt meer over de precaire institutionele verhoudingen, of moeten we zeggen, het gebrek aan slagkracht van onze Vlaamse (dit keer nationale) ministers te Brussel.

Op dit punt is het precies Brussels Gewestraadslid Guy Vanhengel (VLD) die de kat de bel aanbond, om de discussie op gang te brengen, en alle wegen te bewandelen die kunnen strekken tot het aanbieden op de Brusselse kabel van alle Nederlandstalige zenders. Hij deed namelijk een oproep tot de Vlaamse gemeenteraadsleden van alle Brusselse gemeenten, om de druk op de kabelmaatschappijen, waar de gemeenten steeds meer invloed over verwerven, op te voeren. Desgevallend moet ook dit beginsel vastgelegd worden in een decreet.