Nummer 196


Diplomatiek Commentaar | mei - april 2014


Europa tussen Amerika en Rusland (Mark Grammens)<< Nummer 196

Precies zoals het leven van alledag is de wereldpolitiek niet altijd rechtvaardig. Toen er met de val van de Berlijnse Muur in 1989 een einde kwam aan de Koude Oorlog, vergde de vredeslogica die van velen onder ons bezit had genomen, dat niet slechts het Warschau-pact, het samenwerkingsverband van de Oost-Europese staten onder leiding van Sovjet-Rusland, ontbonden werd, maar ook dat andere product van de Koude Oorlog, de NATO, door Caroline de Gruyter (de uitstekende Europa-correspondent van NRC-Handelsblad) omschreven als “een Koude Oorlogsinstelling die sinds de val van de Muur bezig is een reden van bestaan te zoeken,” (in NRC, 5 april). De NATO bleef bestaan en rukte gewoon op naar het Oosten. Alles was veranderd, of leek veranderd, maar die verandering gold slechts voor Oost-Europa. Of toch: ook hier veranderde er iets: de NATO veranderde onder Amerikaans bevel van een alliantie die de landen gelegen aan de Europese kant van de Atlantische Oceaan tegen mogelijke agressie zou beschermen, in een wereldwijde militaire machine. Na de aanval van een aantal vliegtuigen op de Verenigde Staten (11 september 2001) werd de NATO ingezet in de “strijd tegen het terrorisme”, waar de Britse commentator Timothy Garton Ash (ondermeer in De Standaard, 29 januari 2004) ooit van gemaakt heeft “de oorlog tegen een abstract zelfstandig naamwoord”. De strijd tegen het terrorisme was slechts een aanleiding voor Amerika om voor zichzelf “de volledige vrijheid te bedingen om zich van God noch gebod iets aan te trekken” (Vrij Nederland, 1 december 2001). Die strijd bestond uit de verovering van Irak, dat met het terrorisme niets te maken had, en de bezetting van Afghanistan, dat voor niemand een bedreiging vormde, door leden van de NATO, waaronder België. De hearts and minds van de Afghanen werden niet veroverd, maar het land is vernietigd. Het was een uitzichtloze, nutteloze missie, maar de NATO had wel weer een bestaansreden, en kon van daaruit doorgaan op de weg van een stille, tersluikse verovering van het door de Sovjetunie achtergelaten OostEuropa.

Inmiddels ging Amerika ermee door de wereld te organiseren naar zijn beeld en gelijkenis. Met tienduizenden tegelijk werden jonge militairen uit Zuid-Amerika, Azië, het Midden-Oosten (vooral Egypte), en Afrika, uitgenodigd voor “stages” in de Verenigde Staten, en werden daar getraind in de wapenkunde, in het neerslaan van opstanden, in het efficiënt folteren van gevangenen, en in gewetenloosheid. Ook in serviliteit aan de Verenigde Staten.

Er was geen verschil meer tussen de strijd tegen het terrorisme en de strijd voor de wereldheerschappij van de Verenigde Staten van Amerika. Peter Hennessy, hoogleraar eigentijdse geschiedenis aan de Londense universiteit, schreef recentelijk in het katholieke weekblad The Tablet (5 april) dat studie en onderzoek hem geleerd hadden dat de Verenigde Staten na de capitulatie van de Sovjetunie en de ontbinding van zowel de Sovjetunie als het Warschau-pact, de Koude Oorlog hoegenaamd niet hebben stopgezet. Hij spreekt van feitelijke Low Cold War (Lage Koude Oorlog, wat betekent Koude Oorlog op een laag pitje) die sindsdien door Amerika wordt gevoerd tegen Rusland, als opvolger van de Sovjetunie. Hennessy vertelt dat de Amerikaanse spionageactiviteiten in deze periode van de Lage Koude Oorlog (tussen de val van de Muur in Berlijn en de aanhechting van de Krim bij Rusland) over de hele wereld fors zijn toegenomen. De Amerikaanse strategie is meer dan ooit, nog méér dus dan tijdens de echte Koude Oorlog, afgestemd op de ambitie om de dominante supermacht te blijven waar ze het al is, en het te worden waar ze nog tegenstand ondervindt. Met dat doel hebben de Amerikanen een wereldwijd net gespannen om alles af te luisteren wat digitaal is, inclusief de privé-mobieltjes van “bondgenoten” als Merkel en Hollande. Op dit ogenblik is 46 procent van alle uitgaven voor bewapening in de wereld voor rekening van de Amerikanen (Le Monde, 26 maart).

In onze cultuur heeft het streven naar wereldheerschappij iets diabolisch. In talloze thrillers zetten de “goeden”, van Sherlock Holmes tot Hercule Poirot, zich in om de bozen die de wereldheerschappij nastreven, te ontmaskeren en te liquideren. Daardoor hebben wij moeite om Amerikanen, die in de historische verbeelding nog doorgaan als de vrijheidslievende bevrijders van Europa, te associëren met een heerschappijgedachte die we gewoon zijn met sinistere figuren te verbinden. Velen onder ons kennen de Verenigde Staten als een betrekkelijk aangename samenleving, met uitschieters van levenslustige geleerdheid in Boston en Californië.

Zo kwam het dat wij blind bleven voor de Europese consequenties van een agressieve Amerikaanse wereldpolitiek die al dateerde van vòòr New York opgeschrikt werd door de zelfmoordaanvallen van 2001. Hoewel er afspraken bestonden dat de NATO niét naar het Oosten zou uitbreiden, gebeurde dit toch, culminerend in het pleidooi van toenmalig president Bush op de NATO-conferentie van april 2008 in Boekarest om Oekraïne en Georgië uit de invloedssfeer van Moskou te rukken en deze landen zowel lidmaatschap als een veiligheidsgarantie van de NATO aan te bieden. Slechts het heftige en gemeenschappelijke verzet van Angela Merkel en Nicolas Sarkozy deed de NATO hiervan afzien, maar in ruil gaven de Europese leden van het bondgenootschap toe dat Europa de betrokken landen met propaganda en geld rijp zou maken om het door Amerika beoogde doel te bereiken. (Angela Stent, die adviseur voor Russische zaken was van de presidenten Clinton en Bush, zegt in een interview in NRC-Handelsblad, 12 april, dat Bush “Oekraïne na Israël en Egypte het meeste Amerikaanse geld gaf”.) Dit leidde tot ongeduld en overmoed, eerst in Georgië (dat uiteindelijk zijn anti-Russisch beleid betaalde met het verlies van stukken grondgebied) en vervolgens in Oekraïne, waar een opstand, die alles bij elkaar wel erg beperkt bleef, de pro-Russische president op de vlucht deed slaan, de democratische orde verstoorde en het land tot een speerpunt van de anti-Russische agressie van Amerika maakte. Tot hiertoe heeft dit slechts geleid tot het verlies van de Krim, en een onhoudbare toestand van vijandschap tegen een land waarmee Oekraïne op alle mogelijke manieren verbonden is, militair, economisch, historisch, zelfs kerkelijk, en ook taalkundig.

De frustratie van de Russen is gewettigd. Het eenzijdig opgeven van de Koude Oorlog door Rusland heeft geen vrede gebracht en heeft de Amerikaanse arrogantie slechts versterkt. Het heeft veel opgegeven en zo goed als niets daarvoor in ruil gekregen. De morele stoef, die na Amerika, nu ook in Europa te horen valt, en die geleid heeft tot een aanmatigend opleggen van zogenaamde sancties aan Rusland voor misdragingen die in de Amerikaanse buitenlandse politiek schering en inslag zijn (denk een Irak), is niet te verteren. Waar haalt Amerika, en de NATO in het kielzog van Amerika, het recht vandaan om andere landen te “bestraffen”? Wordt het geen tijd dat we, uit veiligheidsoverwegingen, de Amerikanen duidelijk maken dat God niet altijd met hen is (Vietnam!) en dat zij alles behalve een door God gezegend land zijn? Wordt het niet tijd dat in onze scholen niet slechts over de holocaust wordt verteld, maar ook over de genocide door de veroveraars van Amerika bedreven op de inlandse indianen-volkeren, die teruggedrongen werden in reservaten,waar ze als dieren in een zoo te kijk worden gesteld voor hun veroveraars? Het is niet in het Europese belang, en het zal dat nooit zijn, dat Amerika, onze suzerein, geen tegenmacht meer ontmoet in Europa. Louter Europees eigenbelang vergt respect voor de enige tegenmacht van Amerika die zich in Europa aandient.

Mark GRAMMENS