Nummer 197


Overpijnzingen | mei 2014


Leo Picard (1888-1981); Een non-conformistische flamingant (Nico Van Campenhout)<< Nummer 197

Leo Picard werd te Antwerpen geboren op 4 november 1888 als vijfde in een middenklassegezin met zes kinderen. Hij doorliep de middelbare school in het Koninklijk Atheneum van zijn geboortestad, net zoals zijn twee oudere broers, de jurist Hendrik (1883-1946) en de arts Antoon (1884- 1949), beiden later overtuigde Vlaams-nationalisten. In en rond die onder- wijsinstelling werd ook zijn blijvende belangstelling voor de Vlaamse bewe- ging gewekt. Na een conflict niet het laatste in zijn leven! - verliet Picard deze school en behaalde hij zijn einddiploma van de klassieke humaniora via de Centrale Examencommissie.

Vervolgens startte Picard vanaf 1905 een hobbelig studieparcours van bijna een decennium, dat onder meer werd onderbroken door een zeereis van enkele maanden naar Zuid-Amerika. In 1914, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, moest hij alleen nog zijn scriptie schrijven, vooraleer hij aan de Gentse universiteit het diploma van doctor – vergelijkbaar met de huidige master - in de geschiedenis zou hebben behaald. Die eindverhandeling over De zwarte goederen in de Franse tijd in de provincie Antwerpen kwam er echter nooit. Picard hield aan de intense en persoonlijke omgang met de promotor van zijn thesis, de internationaal befaamde hoogleraar geschiedenis Henri Pirenne (1862-1935), wel een grote en blijvende appreciatie over voor deze mediëvist, sociaal-economisch historicus en auteur van onder andere een meerdelige Histoire de Belgique. Dat de van huis uit Franstalige Pirenne een overtuigde en prominente representant was van de “Ame belge”, belette niet dat de flamingant Picard hem levenslang bleef beschouwen als zijn voornaamste intellectuele leermeester. Ondertussen had Leo Picard zich geëngageerd in de vrijzinnige Vlaamsge- zinde studentenbeweging aan de Gentse universiteit. Dat hij in 1904 - na aanhoudende interne spanningen - het liberaal gezinde studentengenootschap ’t Zal Wel Gaan verliet en zich aansloot bij de meer maatschappijkritische dissidenten van Ter Waarheid, vormde de voorbode van zijn intentie - bijna 10 jaar later - om zich aan te sluiten bij de socialistische Belgische Werkliedenpartij (BWP). Intussen had hij in Brussel, waar hij als vrij student cursussen literatuur- en kunstgeschiedenis bij August Vermeylen (1872- 1945) en “een cours pratique d’histoire” volgde, levenslange vriendschap gesloten met de Vlaming Eugène Cantillon (1893-1942), die tijdens de Eerste Wereldoorlog naar Nederland zou uitwijken, en met de Nederlan- ders Frederic Carel Gerretson (1884-1958) en Derk Hoek (1887-1976), die omstreeks 1910 eveneens aan de Université Libre de Bruxelles studeerden.

Op 7 mei 1914, enkele maanden nadat hij zijn latere echtgenote Martha Van Vlaenderen (1891-1984) had leren kennen, startte Leo Picard met een (oorlogs)dagboek, dat - met hiaten - loopt tot 3 november 1915. Tot aan het einde van zijn lange leven maakte Picard sindsdien bijna systematisch (dagboek)aantekeningen over wat hij dacht, deed en beleefde, en dat was nogal wat. In het dagboek uit de periode 1914-1915 doet hij - behalve heel uitvoerig en heel open over de liefde voor zijn verloofde - vooral verslag over de oorlogsverwikkelingen en met name over het activisme en de Flamenpolitik.

Kort na de bezetting van vrijwel heel België trad Picard bij het begin van de herfst van 1914 toe tot de radicaal-activistische Gentse en later ook ruimere groep Jong-Vlaanderen. Hij betoonde zich aanvankelijk een felle pangermanist, die de aansluiting van Vlaanderen en België bij Duitsland hartstochtelijk bepleitte. Vanaf eind februari 1915 was hij ook hoofdredacteur van De Vlaamsche Post, de krant van de Jong-Vlamingen. Na aanhoudende onenigheid binnen Jong-Vlaanderen, waarbij de uit Nederland afkomstige protestantse dominee Jan Derk Domela Nieuwenhuys Nyegaard (1870- 1955) zijn belangrijkste opponent was, keerde Picard, die inmiddels veel gematigder was geworden inzake de toekomst van Vlaanderen en België, zijn voormalige geestesgenoten begin september 1915 de rug toe.

Midden september 1915 verhuisde Picard naar het Nederlandse Leiden. Zijn verloofde, regentes Martha Van Vlaenderen (1891-1984), reisde hem korte tijd later na. Op 9 februari 1916 trouwden zij in Den Haag, waar zij inmiddels woonden. Gezien het feit dat zij allebei vrijzinnig waren, betrof het hier enkel een burgerlijke huwelijksplechtigheid. Dankzij de Duitse kunsthistoricus Friedrich Wichert (1878-1951), die Nederlands sprak en die verbonden was aan de Duitse legatie in Den Haag - met als bijzonder- ste opdracht de naar Nederland uitgeweken Vlamingen en de Nederlandse Groot-Nederlanders voor “de Duitse zaak” te winnen -, kon Picard in de herfst van 1915 aan de slag als ‘broodschrijver’ voor de diplomatieke vertegenwoordigingen in Nederland van Duitsland en zijn bondgenoten Roemenië en Turkije. Hij zou dat blijven doen tot aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Ook de Groot-Nederlander Gerretson, die via zijn Duitse contacten en zijn invloedrijke connecties in de hogere, in belangrijke mate Deutschfreundliche kringen van de Nederlandse (protestantse) politiek, het activisme sterk ondersteunde en stimuleerde, verleende daarbij een steuntje in de rug. Het echtpaar Picard-Van Vlaenderen, dat intussen een dochter Lily (1917-1996) had en later nog een zoon Hein (1925-1988) kreeg, zou in Nederland blijven wonen tot 1945. Voor zijn betrokkenheid bij het activisme werd Picard in 1921 door het Gentse Hof van Assisen bij verstek activisme werd Picard in 19 veroordeeld tot levenslang.

 

Vanaf eind 1918 was Picard redacteur van het Haagse liberale dagblad Het Vaderland. Behalve over buitenlandse politiek, geschiedenis en geschiedschrijving en in mindere mate over uiteenlopende maatschappelijke of culturele onderwerpen, schreef hij tijdens het interbellum in deze krant en in tal van andere Vlaamse en Nederlandse bladen en tijdschriften vaak en veel over de Vlaamse beweging. Daarbij ontpopte hij zich tot een criticus van het Vlaams-nationalisme als ideologie en oordeelde hij dat een zelfstandige Vlaams-nationalistische partij, zoals de in 1919 opgerichte Frontpartij, waarin zijn beide hiervoor genoemde broers militeerden, overbodig was. Picard meende enerzijds dat – behalve via diverse maatschappelijke organisaties - via de traditionele politieke partijen moest worden gewerkt aan een integraal Nederlandstalig Vlaanderen en anderzijds dat de Vlamingen hun numerieke meerderheid in België niet mochten opgeven door een federalistische omvorming van de staat.

Van de andere kant pleitte Picard tijdens de late jaren 1930 en tot de laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog voor een diplomatiek compromis en later een vrede door overleg met Nazi-Duitsland. Hoewel hij met die houding destijds - ook in kringen van ‘het establishment’ - aanvankelijk verre van alleen stond, zowel vóór als tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd deze stellingname hem met name door tal van collega-journalisten, bij Het Vaderland en elders, erg kwalijk genomen, ook al omdat hij er zolang aan vasthield. Desondanks hield Picard - zoals dat wel meer gebeurde in controversiële zaken - tot het eind van zijn leven vol dat hij het in deze aangelegenheid bij het rechte eind had (gehad)… Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef Picard overigens schrijven voor het door de Duitsers gecensureerde Het Vaderland. Omdat hij - geheel in overeenstemming met zijn (vaak) rebelse levenshouding - desalniettemin tweemaal publiekelijk zijn ongenoegen uitte over de Duitsers en de met hen collaborerende Nederlanders, belandde hij in 1942 en 1943 evenveel keren in de gevangenis, met name in het zogeheten Oranjehotel in Scheveningen. Op last van de Duitsers werd Picard door Het Vaderland uiteindelijk ontslagen, maar hij kreeg wel een financiële compensatie voor het verlies van zijn job. Dat Picard tijdens de Duitse bezetting was blijven werken als journalist, leidde er in 1946 toe dat de Nederlandse justitie hem een publicatieverbod van twee jaar oplegde.

Inmiddels was Leo Picard in 1945 echter terug naar België verhuisd, waar hij - als vrijzinnige sociaaldemocraat! - eerst lid en later hoofd van de buitenlandredactie van de Vlaamsgezinde katholieke krant De Standaard werd. Tot aan zijn pensionering bij dit persorgaan in 1956 - en nog veel langer - dacht en schreef Picard zoals de decennia voordien: allerminst conventioneel en vooral non-conformistisch. Wat West-Europa aangaat, was hij vanuit een geopolitieke benadering ten tijde van de Koude Oorlog - wat destijds verre van evident was - voorstander van een soort “derde weg” tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Sovjetunie, zij het zonder het communisme als ideologie of als praktijk te verdedigen, maar uitgaande van de realiteit dat een conflict met het nabijgelegen Rusland en zijn Oost- Europese satellietstaten voor de West-Europese landen eenvoudigweg geen optie was. Niet het minst omwille van de beschikbaarheid van nucleaire wapens bij de beide toenmalige, rivaliserende grootmachten. Net zoals ten opzichte van het nationaal-socialistische Duitsland vóór en tijdens de Tweede Wereldoorlog koos Picard vanaf de jaren 1950 dus ook ten opzichte van de USSR en zijn Oost-Europese buurstaten achter het IJzeren Gordijn voor een appeasement-politiek. In 1956 maakte Picard, die sinds de jaren 1920 een groot reiziger was, trouwens een groepsreis naar de Sovjetunie en het eveneens communistische China.

Wat de Vlaamse beweging betreft, bleef Picard na de Tweede Wereldoorlog, en tot het eind van zijn leven, een consequente tegenstander van een zelfstandige Vlaams-nationalistische partij én van het federalisme. Wat dat laatste aangaat onder andere ook omdat door een uitholling van de Belgi sche staat de greep van de politiek op de economie en de mogelijkheden tot (bij)sturing ervan volgens hem ernstig zouden worden verzwakt. Leo Picard bleef tot op hoge leeftijd essays en recensies publiceren, onder andere in het links-flamingantische tijdschrift De Nieuwe van de door hem bijzonder gewaardeerde Mark Grammens (°1933) en in De Standaard (der Letteren).

Leo Picard zal worden herinnerd als een soms controversiële, maar altijd boeiende Vlaamsgezinde opiniemaker, maar ook als historicus en auteur van onder meer de tweedelige Geschiedenis van de Vlaams(ch)e en de Groot-Nederlands(ch)e beweging (1937 en 1959), die gepubliceerd werd door Uitgeverij De Sikkel van zijn (jeugd)vriend Eugène De Bock (1889- 1981). Daarbij putte hij zowel uit de toen in aantal nog eerdere beperkte historische studies over dat thema als - volgens sommige critici té frequent uit zijn geheugen en zijn ervaringen. Overigens, in zijn briefwisseling en in zowat al zijn schrifturen toonde Picard zich een historicus in hart en nieren, die tussen andere kanttekeningen door voortdurend historiografische citaten aanhaalde en geschiedfilosofische opmerkingen optekende.

Leo Picard was nagenoeg altijd (hyper)kritisch en af en toe dwars of tegendraads, “altijd in de contramine” zoals zijn vriend Eugène Cantillon het ooit uitdrukte. Geen gemakkelijke man of een volgzame meeloper dus, wel iemand die voortdurend alert was en die altijd en graag! bereid was tot discussie en polemiek. Allicht was het precies deze ingesteldheid die van Picard een Vlaams journalist en publicist van internationale signatuur maakte. Leo Picard overleed in Gent op 26 november 1981.

Nico VAN CAMPENHOUT