Nummer 198


Geschiedenis | juni 2014


Victor Brunclair (1899-1944): dansend op een vulkaan ( )<< Nummer 198

Over Victor J. Brunclair verscheen onlangs een biografie van de hand van Dieter Vandenbroucke, en dat is een verheugend feit. Want de naam Brunclair is niet zo gekend. Anders dan zijn tijdgenoten zoals Pol Van Ostaijen of Lode Craeybeckx verdween hij kort na de Tweede Wereldoorlog een beetje onder het stof. Toen in september 1945 de pers zekerheid kreeg over het lot van Brunclair – hij stierf in een buitenkamp van het concentratiekamp van Neuengamme, in Ladelund (bij de grens met Denemarken) –werd de Antwerpse auteur geëerd als een van de weinige Vlaamse culturele slachtoffers van het naziregime.Dit epitheton werd hem vooral toebedeeld door zijn in 1937 door de provincie Antwerpen bekroonde essay ‘Het heilige handvest’. Daarin gaf Brunclair uiting aan zijn aversie voor het nazisme en elke vorm van totalitarisme. Hij beschreef Mussolini, Hitler en Stalin als ‘regimebouwers door bloeduitstorting’.

Toch bleef zijn essay ook na de oorlog contro- versieel. Dat ondervond Gaston Burssens. Eind september 1945 werd hij door de voorlo- per van de BRT, het NIR, aangezocht om een lezing te geven over zijn overleden vriend. Daar werd hij min of meer gecensureerd: het citaat over Mussolini, Hitler en Stalin kon niet door de beugel, want de belediging van Stalin kon niet door de beugel. Tenslotte was de So- vjet-Unie bondgenoot van de geallieerden ge- weest. Deze anekdote lijkt onbelangrijk op zich, maar illustreert de levenswandel van Brunclair. Door zijn scherpe pen had hij al bij al niet zoveel vrienden. Als polemist was hij
ontegensprekelijk talentvoller dan als dichter.

In de 19e eeuw stond het arme Vlaanderen bekend voor zijn grote emigratiestromen naar het industriële Wallonië. De Waalse familie van Victor Brunclair maakte de omgekeerde beweging. Heel wat arme Walen werden aangetrokken door de expansie van de Antwerpse haven. Er ontstond een uitgebreide Waalse gemeenschap vnl. in de randge- meenten. De dochter van de Waalse immi- granten Isabelle Colette (Namen) en Julien Brunclair (Hengouwen), met name Hortentia Brunclair, beviel in 1899 op achttienjarige leeftijd van een zoon: Victor Brunclair. Victor kreeg de naam Brunclair omdat Victors vader weigerde te huwen en spoorloos was. Zijn moeder stierf jong. Hij werd weeskind en werd opgevoed door zijn grootmoeder Isabelle in de volkswijk Seefhoek. Terwijl de Franssprekende Vlaamse elite hun kinderen naar priva- te Franssprekende scholen stuurden, werden de arme, maar begaafde kinderen zoals Vic- tor naar een volkse, lagere Nederlandstalige school gestuurd. De sociale taalgrens was een grenslijn tussen de Franssprekende elite en de Nederlandstalige, arme arbeiderskin- deren uit de Seefhoek. Victor zag als Intel- ligente, arme jongen de sociale tegenstel- lingen en werd als reactie op de burgerlijke elite vrijzinnig, anti-Belgisch en antiklerikaal. Hij werd daarin geholpen door de inplanting van de socialisten, in de Seefhoek. Volgens de auteur schoven de socialisten in Antwer- pen in de jaren einde van de 19e eeuw op in de richting van wat men als flamingantisch socialisme kan worden omschreven. Daarbij kwam hulp uit onverwachte hoek. In de Seefhoek werd een leidende rol opgenomen door een eveneens geïmmigreerde Waalse arts uit Dinant, met name: Modest Terwagne. De dokter van de armen zoals hij genoemd werd dankte zijn populariteit aan het feit dat hij zeer snel Nederlands leerde en zich zowel op congressen als in de Kamer ontpopte als vurige verdediger van de Vlaamse belangen. Jan Chapelle, redacteur van de Werker schreef in 1906: “Als een ellendige taalstrijd vatten we de Vlaamse beweging niet op. In onze opvatting wordt van eerst af elke neiging tot rassenstrijd uitgestoten. Voor ons is de Vlaamse strijd onderdeel van de klassen- strijd”. Als jonge tiener groeide Brunclair hij op met flaminganten zoals de latere burgmeester van Antwerpen Lode Craeybeckx, August Vermeylen, Lode Baekelmans die weg wilden van de romantische taalstrijd van de Vlaamse beweging. Vlaamse jongeren radi- caliseerden onder invloed van de universitaire kwestie (vernederlandsing), de weigering het leger te splitsen in Waalse en Vlaamse regi- menten...Hij kwam op school in de ban van het boek “De kleine Johannes” van de Nederlandse psychiater Frederik van Eeden eigendomsrecht op de grond en de productiemiddelen de oorsprong vormen van wat hij als een maatschappelijk ziekteproces om- schreef. Van Eeden pleitte voor een ethisch- communistisch alternatief voor het kapita- lisme. Tijdens de oorlog zou door jonge stu- denten uit het Antwerpse de ‘Johannneskring” worden opgericht. Een debatclub waarvan V. Brunclair lid werd en zijn isolement zou door- breken. Onder de vrijzinnige jongeren van Antwerpen leefde een groot enthousiasme voor het “Aktivismus” van Kurt Hiller. Deze stroming was pacifistisch en idealistisch en werd na de oorlog overgenomen door de Franse Clartégroep. In de lente van 1915 verscheen in het tijdschrift De Jonge Tijd het eerste publieke geschrift van V. Brunclair onder de schuilnaam ‘Bonafied’. Uit zijn poëzie blijkt een zwartromantisch wereldbeeld. Het was ivoren torenpoëzie, die hij weldra zou verlaten voor een poëzie waarin de wisselwerking tussen kunst en maatschap- pij sterker zou aanwezig zijn. Brunclair zou ook aansluiitng vinden bij het Activisme. In 1916 publiceerde hij een eerste artikel in Ons Land naar aanleiding van de kleine activis- tische doorbraak in Antwerpse socialistische kringen. In dat artikel betreurde V. Brunclair dat er nog steeds sociaal democraten waren die vasthielden aan hun kosmopolitisch stand- punt. Met de dichter Pol Van Ostaijen, die Brunclair sterk beïnvloedde, kwam hij tot de conclusie dat “echt wereldburgersschap pas te bereiken viel via nationale cultuuractie. Een kosmopolitisch internationalisme dat niet tot op het merg doordrongen is met de levens- sappen van het nationalisme vergaat onver- mijdelijk aan beenderziekte”. Eén van de eerste Antwerpse socialisten die daarin mee- ging was Jef Van Extergem die als secretaris van de Socialistische Jonge Wacht (SJW) samen met een aantal socialisten de Vlaamse Sociaal- Democratische Arbeidersgemeen- schap (VSDAG) oprichtte die ijverde voor een “actief flamingantisme” die de socialistische grondbeginselen niet uit het oog verloor. Brunclair kende Van Extergem toen hij mede- student was aan de Handelsleergangen, en herinnerde zich hoe deze laatste ooit op de vuist ging met een Deense leerling. “Er heeft toen bloed gevloeid in den binnenkoer. Na- tuurlijk vreemd bloed. Jef van Extergem had genoemden Deen in de oorlel gebeten”,
aldus Brunclair.

Victor Brunclair kwam na de eerste wereld- oorlog oorlog aan zijn trekken in het tijdschrift “Vlaamsche Arbeid” van Jozef Muls. Daarin schreef hij zijn beste stukken. Met zijn eerste artikel in de reeks “Jongere Kunst” mengde V. Brunclair zich in een discussie die de geschie- denis zou ingaan als het expressionisme- debat. De eerste ronde van dit debat was begonnen met een essay van Marnix Gijsen over Karel Van de Woestijne. Een van de leidinggende figuren van de literaire “Nu en Straks”- beweging. Volgens Gijsen sprak uit het Van de Woestijne werk een individualis- tische poëzieopvatting die door activistische jongeren niet kon worden onderschreven. Brunclair sloot zich aan bij Gijsens kritiek. Hij was het ook roerend eens met Van Ostaijen en kwam tot de conclusie dat echt wereldburgerschap pas te bereiken viel via nationale cultuuractie: “Een cosmopolities internationa- lisme dat niet tot op het merg doordrongen is met de levenssappen van het nationalisme vergaat onvermijdelijk aan beenderziekte”. Hij inspireerde zich ook op de Franse socialisti- sche politicus Jean Jaurès, van wie de uit- spraak komt: “Een beetje internationalisme verwijdert de mens van zijn vaderland, doch veel internationalisme voert hem naar dat vaderland terug”. De rode draad in zijn bijdrage, en zijn hele leven, was een zoektocht van V. Brunclair naar de juiste verhouding tussen kunst en politiek. Brunclair kende aan de lite- ratuuren aan de kunst in het algemeen- een belangrijke wereldverbeterende rol toe, maar dit engagement mocht de autonomie van de kunstenaar niet beperken. Op een congres over moderne kunst hield Brunclair een lezing over de verhouding kunst en politiek. Hij kant- te zich tegen ‘gemeenschapskunst’ die afdaalt tot het volk met pedagogische bedoelingen en koos voor de kunst die seismografisch de be- roering optekent die de massa’s doorwoelen. De literatuur, niet als voertuig voor een maat- schappijleer, maar als getuigenis van het sa- menhorigheidsgevoel tussen enkeling en col- lectiviteit. De kunstenaar houdt het volk een spiegel voor. Voor V. Brunclair belichaamde Charlie Chaplin het beste deze verhouding tussen kunst en maatschappij. Chaplin was voor hem de “zuivere” kunstenaar, bewogen, kritisch maar vrij van ideologie en politiek. V. Brunclair zou hem levenslang bewonderen. In die zin verzette hij zich ook tegen de greep van totalitaire regimes op de kunstschepping. Merkwaardig is ook dat Brunclair belangstel- ling had voor de Catalaanse beweging. Van zijn hand verscheen een artikel in La Revista onder de titel La jove Flandes literària.

Vlak voor de tweede wereldoorlog (1938) werd V. Brunclair deeltijds secretaris bij de Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS) te Antwerpen. De ijverige en ambitieuze Brunclair zou erin slagen zijn stempel te drukken op het KNS- beleid. Hij had bijv. een belangrijk aandeel in de opvoering – de eer- ste in Vlaanderen- van Bertolt Brechts be- roemde toneelstuk de Driestuiversopera. Met deze opera kreeg hij heel katholiek en ex- treem-rechts Vlaanderen over zich heen. De Gazet van Antwerpen schreef dat deze ‘hoop stinkenden drek’ niet door de beugel kon. In 1941 werd hij deeltijds secretaris van de Koninklijke Vlaamse Opera (KVO) van Ant- werpen. Niet zonder moeite,want er bestond een ‘dossier’ van Brunclair bij de Duitsers die wisten dat Brunclair had meegewerkt (als re- dactiesecretaris) aan het door de KP geleide en gefinancierde blad Ulenspiegel,dat onder Duitse censuur gedoogd werd wegens het niet aanvalspact tussen Duitsland en de So- vjetunie, en dat tot in 1941. Het was het eer- ste Antwerpse blad dat tijdens de bezetting toestemming kreeg om opnieuw te verschij- nen. In Ulenspiegel werd flink gefulmineerd tegen de geallieerden, vooral de ‘Engelsche plutocraten’. Wij citeren even een stukje van Brunclair: “Heeren van Londen! Kleine misdadigers op groote schaal. Wat voert gij daar uit over ’t Kanaal? Speelt gij onder herberg- zame luchten, Grotesk en bewust de veilste der kluchten, Verraadt gij uw land een tweede maal?” Tijdens het proces na de oorlog over Ulenspiegel stelde verantwoordelijke Frans van Haver dat de scherpste anti-Engelse uit- vallen in het blad uit de pen van Brunclair vloeiden. Het streven naar sociale erkenning, geldproblemen en het absolute individualisme van de kunstenaar, waarvan hij dacht dat hij hierdoor boven de politieke werkelijkheid stond, deden hem tijdens de bezetting ont- sporen en hem ook lieten hem flirten met de collaboratie. En niet zomaar wanneer hij kan- dideerde (tevergeefs) voor de post van oor- logsburgemeester (in Kapellen waar hij ge- woond had). Hij leek niet te beseffen dat deze functie essentieel was voor de uitbouw van een fascistische repressiestaat in Vlaanderen. Ook cultureel dreef hij af door in teksten allerhande elementen van de bloed- en bodem- theorie te gebruiken en zo cultureel te colla- boreren. Tegelijk schreef hij in de belangrijk- ste tekst die hij publiceerde “Het heilige Hand- vest” een anti-Duits en antifascistisch pamflet. Merkwaardig is echter dat hij (om den brode?) in oktober 1937 een voorstel deed om letter- kundige of politieke kronieken te schrijven voor een nationaalsocialistisch en anti-semitisch dagblad (Het Nationale Dagblad). Wat hem echter de das omdeed bij de Duitse be- zetter was, in een gesprek in de KVO waar hij werkte, de uithaal aan het adres van de Vlaamse SS-er Reimond Tollenaere die in 1942 sneuvelde in Rusland. Hij vond luidkeels dat Tollenaere zijn verdiende loon had gekre- gen. Op het moment dat hij zijn woorden uit- sprak hoorde een ‘luistervink’ van de inlichtin- gendienst van de Vlaamse SS Brunclairs uit- haal. Brunclairs afkeer voor Tollenaere was niet toevallig. Voor hem stond Tollenaere symbool voor alles wat er misgelopen was met het vlaams-nationalisme. Deze uithaal zou Brunclair duur te staan komen samen met zijn anti-Duitse en anti-fascistische teksten uit brochures die bij huiszoekingen werden gevonden ( bijv. Brunclairs vertaling van de Driestuiversopera van B. Brecht dat door de nazi’s werd beschouwd als ‘entartete’’ kunst van een marxistisch toneelschrijver). Hij werd opgepakt en opgesloten in Hoei, het Neder- landse Vught om zo gedeporteerd te worden naar Neuengamme waar hij in een dwang- arbeidskamp in Ladelund (Noord-Duitsland) stierf van uitputting in 1944, in de
vochtige veengebieden van Ladelund (waar antitank- grachten moesten gegraven worden).

Wie ooit de geschiedenis schrijft van de so- ciaal flamingantische beweging ,in de bewo- gen eerste helft van de vorige eeuw, zal moei- lijk omheen de dichter en essayist en de be- vlogen en open man Victor Brunclair kunnen. Niet dat zijn literair werk zo indrukwekkend was. Maar toch waren zijn pennenvruchten niet zonder belang. Victor Brunclair was een extreme individualist en stond op een abso- lute artistieke vrijheid in woord en geschrift. Hij verwierp de louter estetische “kunst om de kunst”, maar ook de kunst als apologie van politieke ideologieën. Hij sprak over de ‘seis- mografische’ functie van de kunstenaar. Hij droomde van een vrij Vlaanderen, een geëmancipeerd Vlaams volk. Hij zag ont- goocheld hoe zijn oude strijdmakkers onder- deel werden van het Belgisch regime of hun Vlaamse ontvoogdingsstrijd verkwanselden door collaboratie met een vreemde bezetter tegen het eigen volk. Hij polemiseerde graag, hij beoefende de kunst van het redetwisten over belangrijke maatschappelijke en artis- tieke kwesties. Hij genoot ervan, maar vergat dat hij met zijn absoluut individualisme danste aan de rand van de vulkaan. Tot hij in de kra- ter stortte.

Dieter Vandenbroucke schreef niet alleen een prachtig en rijk gestoffeerd verhaal over een boeiende man. Maar hij maakte er een standaardwerk van voor wie de periode van het interebellum,
en vooral het democratisch flamingantisme in die periode, beter wenst te begrijpen.

Miel DULLAERT