Nummer 2


Indianen/Interview | maart 1993


Ik, Rigoberta Menchu (Nahuel Maciel)<< Nummer 2

Rigoberta Menchu kreeg in 1992 de Nobelprijs voor de Vrede. Het ergste verdriet om de tragedie in haar leven heeft ze omgebogen tot strijd: Rigoberta Menchu, Quiché-Indiaanse, Guatemalteekse, vertelt de geschiedenis van Amerika, met pijn en zonder glorie.

Rigoberta Menchu werd geboren in het dorp Chimel in Guatemala. Zij vertegenwoordigt meteen de geschiedenis van de Indiaanse volkeren van het hele continent, die slachtoffer zijn van de aanvallen van een maatschappij die andere culturen niet tolereert. Rigoberta Menchu is de stem die zich verheft met de klacht van deze eeuwenoude volkeren. Haar leven is een getuigenis, zij is de overlevende getuige van de volkerenmoord op mensen van haar gemeenschap en haar familie, die er slachtoffer van zijn geweest. Haar jeugd speelde zich af in de bergen, ze leerde er van de volwassenen, van haar ouders. Op achtjarige leeftijd begon ze te werken op een boerderij als dagloonster, daarna kwam de thuisarbeid, en de tragedie van haar famile: de verbanning. En vandaag is ze Nobelprijswinnaar van de Vrede 1992, en is ze levend deel van nog een andere prijs, de meest belangrijke voor haar: aanwezig te blijven in de herinnering van haar volk, als vrouw die het leven ten volle wil beleven.

- Wat betekent het voor u Quiché-Indiaanse te zijn en een eeuwenoude identiteit te hebben?

Rigoberta Menchu: Het betekent veel, iets dat haast niet te beschrijven is, vooral nu we op het einde gekomen zijn van de 20e eeuw. Gedurende de voorbije 500 jaar hebben de Indiaanse volkeren onderdrukking gekend, marginalisering, veel miskenning en veel vernietiging. Vooral de vernietiging van onze identiteit is erg geweest, we zijn slachtoffer geweest van verschillende experimenten via de programma's van assimilatie. Een eeuwenoude identiteit bezitten is zo groots, dat ik elke dag opnieuw vaststel dat het onmogelijk is die te doden, hoeveel vernietigingskracht de heersende machten ook gebruiken. Bovendien denk ik dat ze omwille van deze betekenis onze eisen zullen moeten aanvaarden, onze rechten op een eigen identiteit en op volledige deelname aan de beslissingen die onze toekomst bepalen. Dit geldt voor mij niet enkel voor Guatemala, maar voor heel Amerika: we overleven niet enkel als volkeren, maar we leven ook samen als volkeren en dit samenleven betekent Quiché zijn, Guarani, Mapuche, uiteindelijk Indiaans zijn.

- De geschiedenis van de Indiaanse volkeren vertoont veel gelijkenis met de persoonlijke geschiedenis van de Indiaan zelf. Wat is uw tragedie geweest?

Rigoberta Menchu: Het is moeilijk dit samen te vatten, vooral omdat ik de laatste jaren veel harde maar ook goede ervaringen heb meegemaakt. Wij denken dat de individuen deel uitmaken van de grootse geschiedenis van het volk waartoe ze behoren. Toch moet ik toegeven dat de dood van mijn ouders, zoals die van mijn broers en die van mijn dorpsbewoners, hard is geweest voor mij. Er zijn weinig overlevenden van mijn wijk in Chimel. Die tragedie betekende dat ik de grond waar ik geboren ben moest verlaten, de grond van Chimel, mijn vaderland. Daarna heeft zich in mij de wil versterkt - niet met nostalgie maar met hoop - om mij de gebeurtenissen te herinneren, de religies, het stukje aarde, het huis. Mijn vader, Vicente Menchu, werd levend verbrand voor de Spaanse ambassade op 31 januari 1980. Juana Tum, mijn moeder, werd gefolterd en verkracht op 19 april 1980. Ze hebben haar opgehangen en haar tentoongesteld tot ze stierf, nooit heeft ze een graf gekregen. Mijn ene broer werd eveneens gemarteld en werd levend verbrand, en de andere werd neergeschoten met zijn vier kinderen en zijn vrouw. Ik verloor vrienden. Al deze feiten hebben zo'n sterke invloed gehad dat ze de waardigheid van het leven aantasten, de ervaring van iemand. Ze doen ons de zin van het leven in vraag stellen. Ik heb ook waardevolle mensen gekend. Daarom kan ik ondanks alles toch delen in de hoop, en dat maakt het mogelijk dat alles zinvol blijft. Ik ontmoet voortdurend een nieuw bewustzijn dat een gemeenschappelijk patroon vertoont: solidariteit, liefde, respect, de zin zelf van het leven. Het leven kan voor mensen veel betekenissen hebben, daarom vind ik mijn leven de moeite waard en voel ik me fier over de betekenis die het leven nu voor mij heeft. Ik geloof dat ik in weinig jaren veel heb moeten leren. Soms denk ik dat wat ik beleefd heb erg lang heeft geduurd, maar anderzijds zijn het met moeite 33 jaren geweest uit de geschiedenis van een volk dat eeuwenoud is. Alhoewel het genoeg geweest is voor iemand die als kind had willen spelen, als jongere had willen dansen, die een vrolijke tijd had willen meemaken, samen met anderen die men graag heeft, in het dorp waar men geboren is. Die tragedie heeft mij iets geleerd: we zouden zo ver kunnen komen dat we ons schuldig voelen aan onze eigen achterstelling. We kunnen het gevoel krijgen dat we bijgedragen hebben aan onze traagheid, aan het feit dat we niet op tijd zouden komen. We kunnen onszelf bovendien wijsmaken dat onze onverschilligheid medeplichtig is aan onze eigen kwellingen. Bovendien kunnen we geloven dat we te laat gekomen zijn om onze ouders weer te doen opstaan, dat we te laat gekomen zijn om hun pijnen te helen. Maar ik heb geleerd, en daaruit bestaat de strijd, dat het alsnog vroeg genoeg is. Dat er alsnog tijd is om onze kinderen te redden.

- In uw jeugd was u christen. Hebt u dat geloof op vandaag nog?

Rigoberta Menchu: Jazeker. Maar mijn gelovig zijn steunt op andere criteria, wellicht op veel bredere criteria. Het feit dat ik voor het eerst gelegenheid kreeg om verschillende kerken te leren kennen en verschillende oude Indiaanse godsdiensten, geeft me de basis om te blijven geloven dat er een gelijkaardige hoop en geloof in het leven bestaat.

- Is uw activiteit als christen niet in tegenstrijd met uw Quiché-identiteit?

Rigoberta Menchu: Ik denk dat het geloof het geloof is. Het wordt een probleem als het geloof gebruikt wordt om te verdelen, op de ene of andere manier. De institutionele kerk heeft gedurende 500 jaar onrechtvaardigheden geduld, de Indiaanse godsdienst en de eigenheid genegeerd. Dan zijn zij die het geloof van de anderen negeren toch diegenen die ongeloofwaardig geworden zijn. Daarom staan twee zaken tegenover mekaar: aan de ene kant het instituut en zijn politiek, aan de andere kant het volksgevoel, het geloof in het leven, in de mens zelf. Wat mijn geval betreft, mijn moeder behoorde tot de maya-godsdienst, mijn vader was katholiek. Ikzelf herinner mij eenvoudig het geloof van mijn ouders. Zij gaven me een zeer brede kijk door. Ik weet dat ze in dat geloofsproces beiden God ontmoet en de mensheid ontdekt hebben. Dat is mijn visie, die zegt dat het geloof niet vecht met het leven, die me zegt dat het geloof de motor is van de gedachten en de dagelijkse bezigheden van de volkeren, die me zegt dat het geloof deel uitmaakt van hun identiteit, hun kracht, van de dagen van hun leven.

- Een onvermijdelijke vraag: wat denkt u over het vieren van de 500 jaar?

Rigoberta Menchu: Op de eerste plaats, en samen met veel andere stammen van Indianen, afro-Amerikanen en van andere Latijns-Amerikaanse identiteiten, en zelfs vanuit veel andere delen van de wereld, hebben we gezegd dat we niets te vieren hebben. Waarom zouden we de dood moeten vieren van wie verdween gedurende die 500 jaar? We zouden oorlogen moeten vieren, de trieste geschiedenis van ons continent en niet enkel van wat het in het verleden meemaakte, maar ook de betekenis ervan voor wat op vandaag nog gebeurt. In Latijns-Amerika worden de mensenrechten nog steeds erg hard verkracht, blijft men de identiteit van de Indianen en van het hele volk miskennen. Dit alles gebeurt vanuit een absolute intolerantie van hen die de macht hebben, en ik verwijs niet enkel naar zij die bevelen, maar ook naar zij die gehoorzamen. Nooit hebben ze toegestaan dat onze gronden vruchtbaar waren of iets voortbrachten zonder druk van de barbaren, of buitenlanders, want dat is wat ik met barbaren wil zeggen. Daarom hebben we niets te vieren, we kunnen geen feest vieren omwille van het bloed van zij die ons ontvielen tijdens de herhaalde strijd voor de mensenrechten. Voor ons is dit het ogenblik om de mens te herontdekken, het volk, zijn herinnering. Het lijkt een leugen maar het is een brutaliteit en een belediging te beweren of zich in te denken dat wij, de Indianen, dankbaar zouden moeten feesten voor de komst van onze verkopers van onze eigen dood. Tot waar reikt hun cynisme? We moeten de geschiedenis herzien, want de officiële geschiedenis heeft altijd de eisen genegeerd die in werkelijkheid hebben bestaan.

- Denkt u dat het ogenblik gekomen is van de zelf-ontdekking van onze volkeren?

Rigoberta Menchu: Zonder enige twijfel. Ondanks die 500 jaar, toch moeten we onszelf ontdekken. Ik denk dat de noodzaak bestaat tot ontmoeting tussen de volkeren, Indiaanse of niet, om vast te stellen dat we gemeenschappelijke ideeën hebben, gemeenschappelijke verwachtingen, die het ons mogelijk moeten maken om met vreugde het avontuur van het leven aan te kunnen. Daarom denk ik dat het heel belangrijk is dat we bij deze viering onze stem laten horen tegen 500 jaar van stilte en marginalisering. De stilte verbreken is ook bijdragen tot het herschrijven van de geschiedenis, juister en waarheidsgetrouw. Ik denk heel sterk dat de eenheid en de ontmoeting geen abstractie is. De revolutionaire emancipatie heeft Indo-Spaans Amerika verenigd. De belangen van de handelaars van de dood zijn onderling tegenstrijdig, die van de volkeren niet. Ik geloof nog meer dat de vreedzame toasts uitgebracht door de diplomatie, onze volkeren niet zullen verenigen. De historische stem van de vrijheid van de massa zal dat in de toekomst wel doen.

- De nationale staat ziet de Indiaan meer met de ogen van een toerist dan met die van een medeburger. Hij ziet hen meer als een museumstuk dan als mensen met rechten.

Rigoberta Menchu: Dat is een andere van onze eisen. We wensen niet langer bestudeerd te worden, betast, beroofd van ons prestige, ontkend door academici. We willen geen studie-object zijn, maar deel van de geschiedenis die moet worden begrepen en gedeeld. We zijn mensen met ervaringen die gedeeld moeten worden, niet opgeborgen in een archief. Ik wil van de gelegenheid gebruik maken om iets te vragen waartoe ik nooit de kans heb gehad: wij voeren strijd om onze historische rijkdommen, de archeologische stukken, terug te krijgen. Men heeft die meegenomen en ze zijn nu in nationale of private musea te bekijken, in musea die toegangsgeld vragen om onze historische schatten te bewonderen, in musea die rijkdom verzamelen op de rug van ons verleden. En dat ze ons niet komen vertellen dat zij zorg dragen voor het patrimonium van de mensheid, want dat is niet zeker, de geschiedenis geeft hen ongelijk. Zij vernietigen en als zij dat niet doen palmen ze in, wat neerkomt op een andere vorm van vernietigen. Ik weet dat uw vraag meer betrekking heeft op de wetten. Ik denk dat we ons niet tevreden moeten stellen met het opvorderen van het recht van de Indiaan op onderwijs, cultuur, vooruitgang, liefde en de hemel. We moeten, categoriek, het recht op grond beginnen op te vorderen. Noch de rede, noch de wetenschap kunnen daarbij een mythe zijn, noch de rede noch de wetenschap kunnen de eeuwige behoeften die bestaan in de mens voldoen.

- Het leven van de volkeren van dit continent is getekend door 500 jaar op weg zijn en de inbreng van andere realiteiten en culturen.

Rigoberta Menchu: Ja, inderdaad. Men moet vertrekken van het feit dat culturen geen star gegeven zijn. De Indiaanse culturen zijn aanwezig geweest, goed of slecht, gedurende die 500 jaar. We zijn aanwezig geweest als volk in evolutie, als volkeren die een dynamsche cultuur en identiteit ontwikkelen. Ik denk dat er grootse dingen zijn die de eeuwenoude herinnering van onze cultuur bewaken: de meerderheid van de Amerikaanse Indianen spreken bv. hun eigen talen, en de taal is iets alomvattends, het is tegelijkertijd het grootste identiteitsgegeven, en een machtig element om een ideaal te versterken en in de praktijk te brengen. Wij Indianen zijn ons bewust van het feit dat er een culturele verscheidenheid bestaat in Amerika, dat er verschillende culturen en uitdrukkingen van identiteit bestaan, verschillende oorsprongen, en dat elk volk een plaats moet krijgen. Juist door dat bewustzijn hebben onze Indiaanse volkeren een grote intuïtie, denk ik, tot onderlinge verstandhouding, om de talen te vertaan en ons te verrijken met andere visies. Het is de etnocentrische maatschappij die de culturele verscheidenheid niet aanvaardt. Daarom is ze egoïstisch. Het is ook deze etnocentrische maatschappij die zich meester acht over de waarheid - daarom is ze fanatiek -, die een beschaving absoluut maakt - daarom is ze intolerant en autoritair -, en die zich meester acht over het leven. Daarom omringt ze zich met de dood.

- U hebt grote hindernissen moeten overwinnen: Indiaanse zijn, vrouw zijn, en boven al vrouw zijn in Guatemala...

Rigoberta Menchu: Ja. Ik hernner me mijn gevangenneming in 1988. Ik kwam voor de eerste keer terug naar Guatemala. Ik kwam terug omdat de Guatemalteekse regering me vriendelijk had uitgenodigd, maar diezelfde regering nam me gevangen op het ogenblik dat ik voet aan de grond zette. Over die gevangenneming publiceerde de pers zeer racistische uitdrukkingen afkomstig van de Guatemalteekse autoriteiten. Die zegden bv. dat ik een opleiding had gekregen in Oost-Duitsland, en dat ik dank zij die training had leren denken en spreken. Zij kunnen nooit aanvaarden dat een Indiaan kan spreken en denken door zichzelf. Het feit om Indiaanse te zijn en vrouw, houdt duidelijk veel discriminaties in. En daar moet dan nog een derde element aan toegevoegd worden: ik ben geboren in armoede, in miserie. Ik kende harde arbeid: de katoenpluk, de koffie-oogst, ik was huisbediende in Guatemala. Daarom is de minachting, de discriminatie en de marginalisering die we ondervinden zo groot, even groot als de onderwaardering.

- U hebt ook moeten kiezen tussen het vormen van een gezin of het voortzetten van de strijd samen met uw volk. Is dat niet een beetje zich afsluiten van het leven?

Rigoberta Menchu: Zoals ik het beleef niet. Misschien zullen de dingen wel veranderen met de tijd. Er zal een tijd komen waarin de dingen anders zullen zijn. Misschien zullen we niet allemaal gelukkig zijn met ons hele bestaan in een goed huis, maar we zullen op zijn minst onze grond niet meer verzadigd zien met het bloed en het zweet van onze broers. En vanaf dat ogenblik zal mijn moment gekomen zijn om mijn leven ten volle te beleven.

vertaald door Greta Craeymeersch uit El Cronista (Argentinië)