Nummer 2


Terugblik | maart 1993


Roza de Guchtenaere (1875-1942): een vrijzinnige Vlaamse feministe (Christian Dutoit)<< Nummer 2

Vanaf dit nummer willen we in MEERVOUD geregeld korte bijdragen wijden aan figuren of feiten uit het verleden. Er is heel wat historisch onderzoek gedaan rond de Vlaamse beweging, maar wij willen een eigen accent leggen, zonder historisch-wetenschappelijke pretenties te hebben: wij zullen proberen figuren van onder het stof te halen die om een of andere reden op de achtergrond zijn geraakt. In een eerste bijdrage hebben we het over een merkwaardige vrouw: Roza de Guchtenaere, een militante, vrijzinnige feministe, die leefde voor de Dietse zaak.

Roza de Guchtenaere werd in 1875 te Ledeberg bij Gent geboren, en opgevoed in een militant vrijzinnige omgeving. Het moet een vrijgevochten gezin geweest zijn, want in die tijd was het niet voor de hand liggend dat meisjes studeerden. In katholieke middens werd dit met een scheef oog bekeken. Toch werd zij lerares. Zij zou trouwens heel haar leven principieel anti-godsdienstig blijven. Zo zou ze altijd weigeren een kerk te betreden. Later werd ze iets vriendelijker tegenover godsdienst: via haar relaties met ds. Domela Nieuwenhuis Nyegaard, de Fries-Gentse activist (zie verder), of omdat haar broer Gustaaf getrouwd was met de koster van Domela's kerk in Gent, werd haar oordeel milder.

In haar vrije tijd was ze een zgn. Goede Tempelierster, fervent propagandiste van de geheelonthouding (van alkohol welteverstaan).

Het moet ongeveer iets voor de eeuwwisseling geweest zijn dat zij actief medewerkster werd van het Algemeen Nederlands Verbond: in 1900 was ze in elk geval hoofdbestuurslid. In dit Verbond zou zij haar heel-Nederlandse of 'Dietse' ruggegraat krijgen.

Activiste

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak moest zij aanvankelijk niet veel weten van het anti-Belgisch gedoe van de in Gent actieve radicaal activistische groep Jong-Vlaanderen ("die arme koning"). Haar medelijden met de vorst was echter van korte duur, ze draaide bij en werd propagandiste van het radicale activisme. De baardige protestantse dominee Domela werd haar activistische raadsheer.

Als vrijzinnige ging ze b.v. redevoeringen houden voor het anti-klerikale Willemsfonds, en als lerares van het meisjesatheneum van Gent hield ze in 1915 een spreekbeurt, waarbij ze fel uitviel tegen het stadsbestuur dat niets deed voor de vervlaamsing van het onderwijs in Gent.

Het Athenée des Jeunes Filles (Nieuwebosstraat, Gent) had zowel een middelbare afdeling als een regentaat. Bij het uitbreken van de oorlog werd het Athenée gesloten door de Waalse directeur, die naar Nederland vluchtte. De bestuursraad benoemde een nieuwe directeur, maar de vrijmetselaarsloge (die de school had opgericht) bleef een oogje in het zeil houden. Tijdens de vakantiemaanden van 1915 werd er een heuse zomeruniversiteit georganiseerd, de Hoogere leergangen voor vrouwen, waar Roza de Guchtenaere spreekbeurten gaf... in het Nederlands.

In 1916 werd zij lerares aan de rijksnormaalschool van Laken, een Vlaamse gemeente die toen nog geen deel uitmaakte van de stad Brussel maar die flink aan het verfransen was. Zij leerde er een asociale verfransingsdruk kennen die daar nog meer doorwoog op de lagere klassen dan in het Gentse.

Eind 1917 kwam ze terug naar Gent, en werd er directrice van de Rijksmiddelbare Normaalschool van Gent (de eerste Nederlandse normaalschool te Gent, hoewel de meisjes uit de Athenée des jeunes filles kwamen). Hippoliet Meert (die ze kende van het ANV) was toen Directeur-Generaal voor het Middelbaar Onderwijs, en hij zorgde voor haar benoeming.

Intussen was zij ook actief in de vredesbeweging. Er werden eind 1917 overal in Vlaanderen vredesmeetings georganiseerd die vaak veel volk trokken. In Gent b.v. lokte de jonge, radicale socialist Jef Van Extergem niet minder dan 1500 toehoorders. Op 17 november hield de Guchtenaere een eigen vredesmeeting: alleen vrouwen mochten op haar meeting 'tegenspreken'.

In 1918 werd ze ook lid van de Nationalistische Vrouwenbond, o.l.v. Sylvia De Cavel, een gepensioneerde regentes, die streng over haar leden waakte.

Elke maandagavond werd vergaderd rond thema's als: de emancipatorische rol van de vrouw, de belangstelling van de vrouw voor sociale en politieke problemen, de positie van de vrouw in de economie; ook kunst en literatuur. Binnen de groep bestond ook een koor. Tijdens de weekends hielpen de activistische vrouwen propagandamateriaal bussen. Ze droegen gele blokjes met een zwarte leeuw.

De Vrouwenbond telde in Gent 130 leden: huisvrouwen, leerkrachten en scholieren, maar ook textielarbeidsters.

Roza de Guchtenaere kreeg bein 1918 ook de leiding van de Vlaamse Volksbond, die zich met jeugdwerk bezighield. Eén van haar taken bestond erin zich te ontfermen over 700 prostituées die de Duitsers bijeenbrachten in een opgeëist bejaardentehuis op de Lousbergskaai te Gent (die de Gentenaars omdoopten to Chemin des dames). Roza de Guchtenaere stond onder invloed van de Duitse feministe Adele Schreiber-Krieger, die in mei 1917 een studiebezoek aan ons land bracht, het goed vond en besloot er te blijven. Zij kwam evenwel in aanvaring met deze Duitse, omdat die in 1918 voorstelde een wervingsbureau op te richten voor vrouwen die dan in de Gentse fabrieken voor de oorlogsindustrie konen werken. Zij wilde hieraan niet meewerken.

In de gevangenis

Op 17 november 1918 werd Roza de Guchtenaere gevangen genomen. Men voerde haar naar Adinkerke, waar ze ongeveer twee maanden eenzaam opgesloten zat. Niemand zag naar haar om. Op 27 januari 1919 werd ze dan naar Gent overgebracht, en voor het eerst ondervraagd. Op 13 februari werd ze naar Brussel gevoerd, en moest met andere gevangenen, twee aan twee geboeid, van het Noordstation naar het Rouppeplein, terwijl ze beschimpt werden door opgehitste franstalige patriottards.

In april 1919 volgde haar proces. Zij nam een heel trotse houding aan, en weigerde zich voor de rechtbank te laten verdedigen. Ze bleef wèl het activsme verdedigen: "Zij (de activisten, nvdr) hebben eene proef genomen, die schitterend gelukt is, en waardoor zij bewezen hebben dat het Vlaamsche Volk niet onmondig is, dat het geene voogden noodig heeft, dat het zichzelf besturen kan. Dat heeft een berg van argumenten tegen ons ideaal vernietigd".

Vijftien jaar dwangarbeid was de straf, die uitgesproken werd op Goede Vrijdag 18 april 1919 voor de krijgsraad te Brussel. Zij verklaarde dat ze niet in beroep zou gaan tegen het vonnis van de krijgsraad en noemde haar rechters 'onwettig, kwaadwillig en onkundig'. Boudewijn Maes, die tijdens de oorlog fel anti-activistisch was, en ook moeilijkheden had met de Duitsers, schreef na haar veroordeling een vlammend artikel in het dagblad van de Frontpartij Ons Vaderland (29 april 1919); hij noemde haar "een edel Vlaams figuur". (Later werd Maes parlementslid voor de Frontpartij, nog later communist).

Begin 1921 kon Roza de Guchtenaere reeds in voorlopige vrijheid komen, op voorwaarde echter dat ze een document zou tekenen waarin ze zou verklaren niet meer aan politiek te zullen doen. Zij weigerde dit echter (in tegenstelling tot vele anderen, die wèl tekenden). De socialist Emile Vandervelde was op dat ogenblik minister van Justitie in een regering van Nationale Unie, dus van katholieken, liberalen en socialisten. Persoonlijk was hij tegenstander van amnestie, maar wel bereid voorwaardelijke vrijstellingen toe te kennen. Hij werd enigszins onder druk gesteld van Antwerpse socialisten die wèl voor amnestie waren: bijvoorbeeld Willem Eekelers en Camille Huysmans, en ook meer in het algemeen van de linkerzijde binnen de socialistische beweging. De eerste amnestiemotie in het parlement werd bijvoorbeeld ingediend door de franstalige Jacquemotte in april 1919, de man die later aan de wieg zou staan van de Communistische Partij van België.

Pas eind 1921 kwam de Guchtenaere uiteindelijk vrij.

Feminisme

In de gevangenis schreef ze een boekje: "Over Ina Boudier Bakker's De Moderne vrouw en haar tekort". Het is een repliek op een anti-feministisch boek van de Amsterdamse kunstenares Boudier Bakker. In een voorwoord schrijft Dr. J. Aleida Nijland (Amsterdam) dat het boekje pas in 1922 kan verschijnen, omdat Roza tijdens haar gevangenschap het recht niet had iets te publiceren.

De Guchtenaere laat zich niet van de wijs brengen door het anti-feministisch geschrijf uit het Noorden: Boudier Bakker heeft haar groot talent ten dienste gesteld "om aan de vrouwenemancipatie, door een fantastische en begoochelende belichting van de waarheid, te kunnen verwijten dat zij de maan niet met de tanden heeft weten te grijpen".

In haar boekje pleit ze o.m. voor verplicht onderwijs voor meisjes. "Dat de leerplicht nog verder zal uitgestrekt worden en er in goed-ingerichte doe-scholen vakonderwijs zal gegeven worden aan jongens en meisjes tot 18 jaar toe, schijnt ons geen belachelijke utopie." Ook zet ze zich af tegen het feit dat vrouwen in een beperkt aantal 'vrouwelijke' beroepen terecht komen. "Nog verkeerder is de tusschenkomst van de overheden, die de gehuwde vrouwen uit sommige betrekkingen weren en daardoor niet anders bereiken dan voor die reeks van vrouwelijke beambten de kansen op het huwelijk te verminderen. Ik weet bijvoorbeeld bepaald goed dat, zoo ik een Nederlands jong meisje was, ik het zou vertikken om voor onderwijzeres te studeeren, hoe groot mijn roeping er ook mocht voor zijn, omdat ik me daartoe bij voorbaat een groter kans zou geven een oude vrijster te worden. Alleen zij, die het voornemen koesteren nooit verliefd te zullen worden en nooit naar een huwelijk te verlangen - de kloosterzusters bv. - kunnen naar dergelijke ambten nog lust voelen."

Rond anticonceptie is ze wat voorzichtiger: "Daarmee is niet gezegd dat ik de beperking van het moederschap niet mede noem een 'woekerend misgewas van dezen tijd', alhoewel ik elk volk dat nog soldaten drilt het recht ontzeg over die beperking een oordeel uit te spreken. Is het niet beter dat de kinderen ongeboren blijven dan dat ze de prooi worden van het oorlogsmonster?"

Uit die periode stamt ook haar uitgebreide briefwisseling met Domela, die wijselijk Gent verlaten had en predikant geworden was te Beetsterzwaag in Friesland.

Amnestiebeweging

Vaak was ze spreekster op amnestiemeetings voor dr. August Borms en Jef Van Extergem. Zij stak vlammende redevoeringen af ten voordele van amnestie, aan de zijde van de Brusselse kunstenaar en communist War van Overstraeten, en de fronters Rik Borginon en de reeds genoemde Boudewijn Maes.

Ze was ook herhaaldelijk te gast op de jaarlijkse begroetingsdag voor oud-activisten in Nederland. Een aantal activisten was in 1918 inderdaad naar het Noorden gevlucht, met name een aantal socialistische activisten. Ieder jaar was er een ontmoetingsdag in Zeeland of in Noord-Brabant, en dat was telkens een gelegenheid waar de 'radicale batterijen' opgeladen werden...

Op 8 mei 1927 werd in het gekende Vlaams Huis van Brussel een Centraal Comité voor Amnestie opgericht. Initiatiefnemer was nog maar eens Boudewijn Maes, die ook eerste secretaris werd. Als voorzitter werd de flamboyante Ward Hermans gekozen, Roza de Guchtenaere werd 'hulpsecretaresse'.

Ward Hermans was in die periode gekend als een 'religieus socialist'. Hij had felle polemieken gevoerd met de zéér katholieke ex-activist, om niet te zeggen pilaarbijter Lodewijk Dosfel. Volgens de jonge Hermans was er minder gevaar voor oorlog met een dictatuur van de arbeidende gemeenschap dan met de kapitalistische dictatuur. "Gaf morgen de dictatuur van het proletariaat de overtuiging en de zekerheid dat onder haar gezag het militarisme zou hebben uitgediend, dan zouden wij die dictatuur aanvaarden als een Tweede Verlossing der Menschheid".

Vanaf 1927-28 echter begon Hermans langzaam maar zeker naar rechts op te schuiven, en dat zou zijn relatie met Roza de Guchtenaere uiteraard fel vertroebelen.

In juli 1928 pleegt Hermans immers een reeks artikelen in De Schelde, het dagblad van de Frontpartij, onder de titel: "Kan men als Vlaams-nationalist communist zijn?" Neen, nog niet bijkans, was zijn antwoord: "De nationalist is van oordeel dat de tegenstellingen der klassen kunnen uit den weg geruimd worden door een gezonde nationale politiek... Het nationale solidarisme is een utopie voor den communist en de door een onbeteugeld egoïsme aangewakkerde klassenstrijd is een anti-nationaal element volgens den nationalist."

Roza de Guchtenaere polemiseerde met Hermans in verschillende blaadjes, zoals De Voorpost. Zij was ervan overtuigd dat een communist wel degelijk een nationalist kon zijn. Sovjet-Rusland bewees immers dat de nationale autonomie van de volkeren door federalisme kon bewerkt worden binnen een communistisch staatsbestel. Hermans: "De jongeren moeten eindelijk eens leeren inzien dat de nationaal-revolutie geen sociaal-revolutie is op zichzelf, dat de voorstelling van de communisten als zou de Vlaamsche strijd in de eerste plaats een sociale strijd zijn, volkomen valsch is."

Ward Hermans had zijn zwenking genomen, en zou zich in de Tweede Wereldoorlog hopeloos compromitteren met het nationaal-socialisme.

Van Extergem-hulde

In juni 1928 kwam Jef Van Extergem uit de gevangenis. Van Extergem was een Vlaams-republikein èn communist. Hij had tijdens de Eerste Wereldoorlog een belangrijke rol gespeeld in het socialistsch activisme, en werd dan ook - hoewel hij nog piepjong was (tussen 16 en 20 jaar) - tot liefst 20 jaar gevangenis veroordeeld. Zijn revolutionair flamingantische èn socialistische houding, en zijn ijveren voor vrede werden hem zwaar aangerekend. Na August Borms was dit trouwens de activist die het langst in de gevangenis verbleef.

Probleem was dat Van Extergem inmiddels communist was geworden, en zijn mening ook luid van de daken schreeuwde. Toen hij dus op 18 juni 1928 uit de gevangenis werd ontslagen, werd er een 'Hulde' ingericht. De Frontpartij weigerde echter mee te doen, omdat er ook communisten meededen en Van Extergem zich niet zou storen aan de zgn. 'godsvrede'.

Roza de Guchtenaere was het volstrekt oneens met deze houding van de Frontpartij. Al was zijzelf gewonnen voor godsvrede, toch vond ze dat iemand die zoveel jaren van zijn jonge leven had opgeofferd in de gevangenis het recht had om op zijn eigen hulde zijn eigen mening te verkondigen. Zij stelde zich dan ook persoonlijk aan het hoofd van het huldecomité.

Het Van Extergem-huldecomité kreeg financiële steun uit verschillende middens: van ex-activisten zoals dr. Jacob en de anarchist Geert Pijnenburg, van communisten, fronters en socialisten. De eigenlijke hulde, die doorging op 24 juni 1928 in het Rubenspaleis te Antwerpen, werd een enorm succes. De zaal zat bomvol, met heel uiteenlopende mensen: naast Roza de Guchtenaere o.m. Oscar De Gruyter (van het Volkstoneel voor Vlaanderen), Piet Vermeylen (de latere minister van Justitie!), War Van Overstraeten (trotskist en later kunstschilder), de Luikse Lucien Lahaut (de communist die in 1950 vermoord werd), Nederlanders en Walen. Zelfs de bekende Franse auteur Henri Barbusse, stichter van de Clarté-groepen, stuurde een boodschap. Na de hulde trok een betoging door de straten van Antwerpen, achter de portretten van Borms en Van Extergem. Er liepen zelfs een paar honderd Waalse arbeiders mee!

De Voorpost, De Nieuwe en De Dietsche

In die tijd werkte Roza de Guchtenaere mee aan tal van publicaties. Zij verzorgde kopij voor het blad De Noorderklok, dat in Kapellen bij Antwerpen verscheen en progressief-vrijzinnig van inslag was, maar radicaal nationalistisch. Probleem was dat het blad leegliep: een van de mannen achter de schermen, Bert De Visscher, sloot aan bij de Communistische Partij. In Gent lag ze mee aan de grondslag van het blad De Voorpost, dat wilde concurreren tegen de naar rechts opgeschoven Wies Moens. Roza de Guchtenaere was het duiveltje-doet-al van het blad, weer eens samen met Boudewijn Maes.

In 1932 werd De Voorpost opgevolgd door De Nieuwe Voorpost en nog later De Dietsche Voorpost (uitgever telkens de Guchtenaere). Deze bladen verschenen maandelijks, of gedurende een aantal jaargangen om de twee weken.

De Voorpost-bladen wilden een nieuw activisme, een Diets activisme tegen België voorbereiden. De Guchtenaere ageerde tegelijkertijd fel tegen de verrechtsing: zij noemt het solidarisme een anti-nationaal beginsel in Vlaanderen.

Midden de jaren dertig werd ze wat gematigder: voor haar blijft Dietsland streefdoel nummer één. "Als de Dietsche saamhoorigheid op het schaakbord van de Europeesche politiek gesteld wordt, kan dit opgelost zoowel in een democratische conjunctuur als in een autoritaire constellatie, ja zelfs - horresco! - in een communistisch West-Europa." (november 1935).

Het blad De Dietsche Voorpost, dat in de kop de leuze 'Delenda Belgica Neerlandia Una' voerde, bleef steeds trouw aan de 'godsvrede' tusen gelovigen en vrijzinnigen, progressieven en conservatieven, hoewel het blad binnen de Vlaamse beweging, die in die jaren flink naar rechts was opgeschoven, duidelijk linkser stond.

Tegen het VNV

Het blad was behoorlijk anti-Verdinaso, en stond sceptisch tegenover het VNV van Staf De Clercq: het verdacht het VNV ervan open te staan voor fascistische en solidaristische infiltraties. Bovendien was deze partij niet 'Dietsch', maar enkel "tegen het kapitalisme, het militarisme, het marxisme, het kommunisme" (januari 1936). Een Jeroom Leuridan uit West-Vlaanderen was een goede Dietser, zeker in vergelijking met 'Belgicist' Staf De Clercq. Bijzonder bitsig werd het blad toen er een akkoord kwam tussen VNV en Rex van Léon Degrelle.

Van VNV-zijde werd de bal teruggekaatst: De Dietsche Voorpost zou een mantelorganisatie zijn van 'het wereldcommunisme'. Er werd zelfs een plakbrief uitgegeven tegen Roza de Guchtenaere, waarin ze van sympathie voor het goddeloze communisme wordt beschuldigd. Roza reageert woedend in haar eigen blad: "De richting, die door mijn blad wordt uitgestippeld, is de beste logenstraffing van de praatjes en gevolgtrekkingen, die over mijn levensbeschouwing worden verspreid."

Ook A.L. Faingnaert, een naar Nederland uitgeweken activistische kleermaker die een geschiedeniswerk over het activisme had geschreven, deed mee aan de hetze. In Het Vlaamsche Land schreef hij op 29 augustus 1937: "Dat men het bolsjewistisch gevaar in de Dietsche Voorpost tracht te verdoezelen is begrijpelijk voor wie de neigingen van zekeren opsteller kent."

De ruzie met het VNV werd nooit bijgelegd. In 1939 schreef VNV-dagblad Volk en Staat: "Wij kennen geen publicatie die zoo laag en vuil-insinueerend, zoo grof en zoo beledigend het V.N.V., zijn leider Staf de Clercq en ons dagblad Volk en Staat aanvalt."

Nu, zo laag bij de gronds waren de aanvallen niet noodzakelijk. De Dietsche Voorpost viel bv. het VNV aan omdat die partij blij was met de overwinning van Franco in de Spaanse burgeroorlog. De Dietsche Voorpost: "Wij hadden wel gedacht, dat de gemuilbande Vlaamsch-nationale pers met geen woord zou hebben gerept over de afschaffing van het Katalaansch statuut door den nationalistischen generaal Franco. In deezen zijn de VNV-bladen zoo gelijkgeschakeld als hun gewezen bondgenoot Degrelle. Een treffend voorbeeld wat volksch nationalisme van staatsch streven scheidt."

Ward Hermans, die intussen naarstig boekjes schreef tegen Joden en bolsjewisten en op goede voet stond met een aantal vooraanstaande Duitse nazi's, werd nu ook smalend een 'duitschkiljonist' genoemd.

Ook Raf Verhulst had het aan de stok met De Dietsche Voorpost: hij schreef over "een medewerker, die zich achter uw rok en uw ziektesponde verscholen houdt." Nogmaals reageert Roza: "Ten andere, al ben ik 'n vrouw en ziek, toch voel ik mij nog sterk en geestesgezond genoeg om m'n eigen ideëel-politieke boontjes te doppen." (5 juli 1937)

Toch verdween de naam van Roza de Guchtenaere als uitgeefster begin 1939. In een 'Ter Verantwoording' werd gezegd waarom: "De gezondheidstoestand van mej. Roza de Guchtenaere dwingt helaas tot een scheiding, die wij zeer betreuren. Het weze hier echter gezegd, dat de stichtster van dit orgaan het ideëel verder met ons eens blijft, dat (uit bepaalden hoek werd mej. de Guchtenaere's naam misbruikt tot doeleinden, die van het Dietsche slechts den naam voorwenden) geen meningsverschil oorzaak is van dit aftreden." Die toelichting was wel nodig, omdat er in die tijd zoveel aan radicale scherpslijperij werd gedaan dat een plotse verdwijning van haar naam zeker tot allerlei speculaties zou hebben geleid. Nieuwe 'hoofdopsteller' werd de beruchte ex-activist dominee Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nyegaard, 'België's felste vijand wellcht'.

Dit zou het einde van Roza's politieke activiteit betekenen.

Roza de Guchtenaere stierf op 8 april 1942. Zij was van bij het begin van de oorlog ziekelijk, en heeft dus geen enkele politieke rol meer gespeeld.

Betekenis

Wat is nu de politieke betekenis geweest van Roza de Guchtenaere? Een grote rol in de partijpolitiek heeft zij beslist nooit gespeeld, hoewel ze zeker niet anti-parlementair ingesteld was. In 1932 stond haar naam bij de verkiezingen op een dissidente radicale lijst in Gent. Ze behaalde echter amper 290 stemmen (let wel: er was toen nog geen vrouwenstemrecht!).

In de niet-partijpolitieke Vlaamse beweging van het interbellum klonk haar naam echter als een klok. Zij werd geroemd om haar beginselvastheid, die reeds bleek bij haar proces in 1919. Ze was niet enkel beginselvast als Vlaamsgezinde of als overtuigd Dietse, maar ook als vrijzinnige. In die zin heeft ze altijd de godsvrede, dus het pluralisme hoog in het vaandel gedragen, in een periode waar dat niet zo makkelijk was. Hoewel ze zelf nooit communiste geweest is, heeft ze er altijd voor gepleit ook mensen van de georganiseerde linkerzijde bij de Vlaamse beweging te betrekken. Dit gold natuurlijk nog meer voor socialistische of communistische ex-activisten, of om het even wie actief was in de beweging voor amnestie.

Zij verzette zich tegen de verrechtsing van de Vlaamse beweging, omdta ze inzag dat die ideologieën de bovenhand kregen en de louter-Vlaamse standpunten in de verdrukking duwden. Het 'onverfranst, onverduitst' was voor haar zeker geen holle slogan. Een nieuw activisme zou geen andere belangen dan die van 'Heelnederland' mogen dienen.

Merkwaardig is dat ze zich erg scherp opstelde tegen de 'groten' van die tijd, zoals Ward Hermans, Wies Moens en Staf de Clercq, die ze 'Belgicisme' of 'Duitschkiljonisme' aanwreef. Ze was veel milder voor de gewone militanten, ook al zaten die in bv. de communistische partij.

Al bij al speelde ze een opmerkelijke rol, in een tijd dat het nog niet zo vanzelfsprekend was om als vrouw aan politiek te doen. Zeker niet in het toch overwegend conservatieve Vlaanderen. Maar voor haar was dat logisch: de Vlaamse en de Dietse bewegingen waren emancipatiebewegingen, en daarin moest ook plaats zijn voor andere dan louter-nationale thema's, voor zover het Dietse ideaal tenminste niet uit het oog werd verloren.

Het is in elk geval pertinent onjuist om de radicale Dietsgezinde groepjes van het interbellum meteen te catalogeren onder de verzamelnaam 'extreem-rechts', zoals nogal eens ten onrechte gebeurt. Ze werden inderdaad bevolkt door scherpslijpers, maar die stonden een stuk verder van het nationaal-socialisme verwijderd dan bepaalde 'gematigde' VNV'ers.

Dit zal trouwens blijken tijdens de bezetting: het zullen de 'Dietsers' zijn die het eerst afstand zullen nemen van de collaboratie en van het dansen naar de pijpen van de nationaal-socialisten. Maar dat is stof voor een ander verhaal.