Nummer 20


Schotland/Alba | augustus 1996


In de Highlands stijgt de verkiezingskoorts (Paul Van Cappellen)<< Nummer 20

De conservatieve meerderheid in het Britse Lagerhuis is zo nipt geworden dat de regering Major zowat elk moment ten val kan komen. Het staat nu reeds vast dat Labour de komende verkiezingen zal winnen. De partij beloofde de Schotten een eigen parlement en gedeeltelijk zelfbestuur. Het is echter niet zeker dat dit stemmen zal opleveren in de traditionele Labour-burcht die Schotland is. Mogelijk spelen deze beloften in de kaart van de Schotse nationalisten van de SNP die ervan overtuigd zijn dat de huidige dynamiek binnen afzienbare tijd tot onafhankelijkheid zal leiden.

De schaamteloze minachting van de Tory-regering in Londen voor de publieke opinie in Schotland en Wales de laatste jaren is alvast een garantie dat men er voor verandering zal stemmen. Niet dat de Conservative Party zetels kan verliezen in deze districten, ze heeft er daar amper, maar de vraag is hoe de Schotten zich het best zullen willen indekken tegen een herhaling van de uitsluiting bij de politieke besluitvorming zoals ze die de laatste jaren hebben mogen ervaren. De oprichting van een eigen parlement in Edinburgh is al zo'n garantie, maar de huidige Labour-plannen maken het voor Londen mogelijk om de raad van vandaag op morgen weer op te doeken. Bovendien zullen alle bevoegdheidsconflicten tussen Westminster en Edinburgh beslecht worden door het Britse House of Lords.

Daarnaast zijn niet alle Schotten vergeten dat hun mening ten tijde van de Labour-regeringen ook niet steeds gewaardeerd werd. Labour mag zich intussen met voorzitter Tony Blair wel vernieuwd hebben, de vraag is of daarmee het electoraat in de High- en Lowlands overtuigd kan worden. Niet iedereen is gelukkig met de vernieuwing die vooral een verrechtsing is geweest, en heel wat plaatselijke afdelingen van de Labour-partij in Schotland voelen zich niet geroepen om mee te vernieuwen, zelfs niet als het enkel om een zuiver kosmetische operatie zou gaan. In de lokale besturen die door Labour worden bestuurd is het beheer nog even stroef als voorheen en doen de mandatarissen en partijkaders graag aan nog meer cliëntelisme en vriendjespolitiek dan in ons eigen verzuilde land.

Bovendien zou het Schotse Parlement volgens de Labour-plannen enkel bevoegd zijn voor een aantal beperkte beleidsdomeinen zoals onderwijs, lokale overheden, gezondheidszorg, vervoer, industrie, opleiding en leefmilieu. Daarvoor zou Schotland van Londen een forfaitaire som ontvangen in proportie tot haar bevolkingsaandeel, en zal het parlement nog wat opcentiemen kunnen heffen. De belangrijkste bevoegdheden zoals economie, financiën, buitenlandse zaken, sociale zekerheid, defensie (de Schotten zijn niet zo happig op de vele militaire oefenterreinen van de Royal Navy en de Air Forces in hun land) en het beheer van de Schotse Noordzee-olievelden en uiteraard de inkomsten ervan blijven echter in Westminster. Daarmee blijven ze niet alleen in de handen van beheersorganen die anders samengesteld zijn dan de politieke opinie in Schotland, het is ook onwaarschijnlijk dat Londen nog rekening zal houden met de specifieke Schotse noden en eisen zodra er een Schots parlement is. Door de reductie van het aantal Schotse parlementsleden in Westminster - een gevolg van de oprichting van de raad in Edinburgh - zal de Schotse stem bovendien nog minder gehoord worden in Londen.

Het verkiezingssysteem voor het Schotse parlement zal volgens de plannen trouwens volledig op maat van Labour geschreven zijn. Drieënzeventig van de 129 afgevaardigden zullen volgens het Britse systeem van een verkozene per kieskring aangeduid worden en de 56 anderen volgens een proportionele uitslag in acht kiesomschrijvingen. Het Britse first-pas-post-systeem benadeelt momenteel sterk de Schotse nationalisten wier stemmen over heel Schotland verspreid zijn. De Liberal Democrats, die sterk staan in een aantal rijkere agrarische gebieden, en Labour, dat zijn kiezers in de steden geconcentreerd ziet, plukken er de vruchten van. Bij de laatste Westminsterverkiezingen behaalden de Liberal Democrats bijvoorbeeld 10 parlementsleden met slechts 10% van de stemmen; Labour kreeg meer dan 60% van de verkozenen met amper 47 % van het electoraat achter zich; en de Scottish National Party moet het stellen met drie afgevaardigden voor maar liefst meer dan 20% van de stemmen. Bij een tussentijdse verkiezing vorig jaar in mei wist de SNP er nog wel een zetel bij te veroveren, en ook bij de laatste Europese verkiezingen deden de nationalisten het niet slecht, maar de macht van een partij is nu eenmaal niet gebaseerd op het morele gewicht van haar achterban. In de eerste plaats tellen het aantal verkozenen en eventueel of je in de meerderheid zit of niet.

Als Major niet vervroegd ten val komt zijn er ten laatste in april komend jaar, wanneer zijn ambtstermijn afloopt, verkiezingen. De electorale koorts begint dus overal in Groot-Brittannië te stijgen. Vandaar de harde houding van de conservatieven inzake het Britse rundsvlees en de monetaire unie. Als de SNP echter haar onafhankelijkheidsstreven bovenaan de echte politieke agenda wil zetten zal ze er nog heel wat zetels moeten bijwinnen. Hoop is er alvast genoeg. Alle opiniepeilingen van de laatste twee jaar wijzen op een groeiende aanhang voor de nationalisten, al blijft Labour de grootste partij. De Liberal Democrats en de Tories daarentegen hinken ver achterop.