Nummer 21


Terugblik | september - oktober 1996


Victor J.Brunclair (1899-1944): een rusteloos wereldverbeteraar (Christian Dutoit)<< Nummer 21

"Een politicus zonder partij, bezeten door de drang tot wereldverbetering en maatschappelijke rechtvaardigheid", zo typeerde Paul De Wispelaere de activist Victor J. Brunclair in een monografie die vijfendertig jaar geleden verscheen. Brunclairs levenswandel is een beetje vergelijkbaar met die van Gaston Burssens (zie een vorig nummer van Meervoud). Hij stond even ver van de partijpolitiek, en misschien was hij af en toe wel wat wereldvreemd, maar hij schuwde geen polemiek. Ook niet als dit verregaande consequenties kon hebben. Hij overleed in 1944 in een Duits concentratiekamp...

De in Antwerpen in 1899 geboren Victor J. Brunclair is een typisch product van het Antwerps flamingantisme van tijdens de eerste wereldoorlog: een milieu rond vrijzinnige, jonge artiesten, voornamelijk dichters maar ook plastische kunstenaars, toneelmensen en beroepsrevolutionairen. Net als Paul van Ostaijen en Gaston Burssens debuteerde hij in het vrijzinnige studententijdschrift ('student' stond toen ook voor atheneumleerling van de hoogste jaren) Goedendag, met zowel gedichten als polemische stukken over activisme en politiek in het algemeen. Het waren zeker geen gezwollen stellingen over moedertje Vlaanderen, hoewel zijn eerste stukken uiteraard emotioneler waren dan stellingen die hij later zou innemen.

Activist

In de discussie tussen 'passieven', dus zij die het einde van de oorlog liever afwachtten en de Vlaamse eisen even onder de mat veegden, en de 'actieven' of activisten, koos hij bijna vanzelfsprekend voor deze laatste groep. In 1916 en 1917 pleegde hij naast gedichten een aantal strijdbare stukken in het reeds genoemde Goedendag, meestal onder schuilnamen zoals J. Fikkens, Fikky, Geert Bardemeyer of Lirio. "De geschiedenis leert ons de algeheele verloochening van het Vlaamsch element in België, verloochening, die ongetwijfeld bekamping mag heeten", aldus Brunclair in één van zijn eerste gewrochten. Toch was hij toen zeker niet blind voor het feit dat de activisten ietwat geïsoleerd van de grote massa opereerden. Hij bepleitte een offensieve strategie om de gewone Vlaamse man (en vrouw) te overtuigen van het gelijk van de activisten: "Zoolang de massa tegen haar leiders gekant is, moet de vooruitstrevende partij zich bepalen bij een kloek afweren der aanvallen, die uitgaan van haar tegenhangers." Toch was hij optimistisch : "Eens toch wordt onze Vlaamsche Beweging een reusachtig streven, het opgaan van ons gansche ras, in onverbroken eendracht, naar de herleving, de wedergeboorte van ons zuchtend Vlaanderen."

In een later standpunt zou hij wel pleiten voor een dialoog met de 'passieven', al was het maar om de verwezenlijkingen van tijdens de wereldoorlog veilig te stellen voor na de oorlog : "Omzichtigheid noopt tot het inachtnemen van alle mogelikheden. Zo wij ons verstokt desolidair en onverzoenlik vijandig aanstellen tegenover de passieven, is ons bij een gebeurlike schipbreuk van de te verwezenliken plannen een onvermijdelike scheuring beschoren, en zij die zwegen, dansen de kannibaledans op de omgebeukte gebouwen, die wij optrokken. (...) Daarom worde een passief niet pestbesmettelik en als uit den boze geschuwd." (De spelling nemen wij over uit Goedendag van 1916 en 1917. Ook anderen, zoals Paul van Ostaijen, gebruikten toen een of andere vorm van progressieve spelling).

Brunclair schreef trouwens ook over andere zaken dan de Vlaamse beweging. Zijn aandacht ging o.m. uit naar de Catalaanse beweging van die jaren: "De Cataloniër, nuchter en nijverig als hij is, en bezield met streng-praktiese handelsgeest, koestert een diepgewortelde verachting voor de vadsige, idealisties-luie Castiljaan", aldus een opmerkzame Brunclair.

'Ethisch' activisme

Het activisme was voor Brunclair meer dan een politieke beweging. Maar beter dan hijzelf kunnen we niet omschrijven wat hij daarmee bedoelde. In 1922 blikte hij terug, in De Ploeg: "In essens was het aktivism verwant met gelijknamige verschijnselen over de grenzen: voor de Geest meezeggingsrecht opvorderen in de mensheidsbestemming.

Innig verweven met de kentering op wijsgerig en ethies gebied, die geloof in aksie wil bewaarheiden, was het een afsttanddoen van het vooroorlogse taalflamingantisme, met zijn amechtige emfaze en zijn rumoerige blauwvoeterij. Op rechtsgrondslagen ontwikkelde zich het aktivisme, en spijts zijn nederlaag voor de macht van wapenfeiten heeft het ethies diep wortel geschoten.

Maar kijk de vooroorlogse stromingen zweten door. Twee ekstremen dien wij uit onze geesteshouding te weren. Het 'De Taal is gans het volk' flamingantism dat bij sommigen in gezwollen pneustijl zo bombastiesbol uiting krijgt, en het kernloos kosmopolitism van de ontwortelde 'wereldburgers'. (...) Kultureel vervlakken deze Brummelkarikaturen tot eenvormig universalism, al enkeling.

In de volkerenliga willen wij Vlaanderen kultureel opstuwen, niet door assimilatie van vreemde geestesgoederen, tenzij autochtoon verwerkt, maar door het wekken van zijn vitale krachten als gemeenschap."

Clarté

Victor Brunclair werd in 1919 secretaris van de Antwerpse groep van Clarté. Er waren ook groepen in Brussel, Gent, Mechelen en Oostende. Clarté was een beweging die haar wortels had in Frankrijk tijdens de oorlog: de secties werden er opgericht door de anti-militaristische intellectueel Henri Barbusse als militantengroepen van marxistische intellectuelen, die zich vooral als doel stelden de bevordering van het culturele peil van de arbeidersklasse en de verspreiding van het historisch materialisme onder de intellectuelen. In Vlaanderen waren er Clartégroepen in Gent, Brussel, Antwerpen, Mechelen en Oostende. Er was een 'algemeen Vlaams' tijdschrift, Opstanding, en een afzonderlijk blad van de Antwerpse groep, De Nieuwe Wereldorde. Ook de jongeren hadden een eigen tijdschrift : Staatsgevaarlik (waarvan slechts vier nummers verschenen, alle in 1919).. In feite waren de Vlaamse groepen een amalgaam van pacifisten, oud-activisten, minderheidssocialisten en anarchisten. Ze waren in elk geval niet dogmatisch en recruteerden vooral in kringen van jongeren en kunstenaars. Een bekende Clarté-militant was Herman van den Reeck, die in 1920 tijdens een 11-juliviering te Antwerpen werd vermoord. Andere bekenden waren Geert Pijnenburg (Geert Grub), Gaston Burssens en René de Clercq. In Staatsgevaarlik publiceerden zij doorgaans onder schuilnaam.

In pre-Gramsciaanse geest stelde Brunclair in het groepsblad Opstanding : "Het wereldburgerschap is slechts te bereiken via nationale kultuuraktie. Waar deze reéle basis ontbreekt, wordt de eigendommelijke zelfstandigheid ingeboet, de psychische volksgestalte misvormd."

Hij waarschuwde voor een overdreven aandacht voor het zuivere taalflamingantisme: "Het is pijnlijk vast te stellen, hoe behoudens het verhangen der taalbordjes, verder de brui wordt gegeven aan de ekonomische nooden, waarmee ons volk belast is, en meer en meer versterkt zich onze indruk, dat met de vooroorlogse filologen-uitspanning ongraag wordt afgebroken".

Tegen de Blauwvoeterij

Merkwaardig is dat iemand als Joris van Severen zou verwijzen naar de teksten van Brunclair in Opstanding, en er zich bij aansluiten. In Pro Flandria stelde Van Severen dat het nu wel genoeg was geweest met die blauwvoeterij en dat deze verworden was tot "zielloos en onvruchtbaar romantisme". Die romantiek moest bestreden worden, omdat zij "de karikatuur is van de echte mystiek die alle grote volksbewegingen doorvlamt". Van Severen was op dat ogenblik kersvers volksvertegenwoordiger voor de Frontpartij in het arrondissement Roeselare-Tielt, de bakermat van de blauwvoeterij !

Ruimte

Ook in het literaire wereldje liet Brunclair zich niet onbetuigd. Hij debuteerde als dichter in Ruimte, dat kort na de oorlog ontstond onder redactie van Herman Vos, vrijzinnig politicus van de Frontpartij die later zou overstappen naar de Belgische Werklieden Partij. Het eerste nummer bevatte een voorwoord van Vos, en ook verzen van Wies Moens, Van Ostaijen en Anton Jacob. Moens en de in die jaren zeer linkse Jacob zouden in de jaren dertig evolueren naar nieuwe-ordestellingen. Maar ook al in de periode van Ruimte (1920-'21) kwam het tot een breuk tussen de klassieke expressionisten (Van Ostaijen, Brunclair en Burssens) en de romantische expressionisten (Marnix Gijsen, Moens en Mussche). Toch liet enfant terrible Brunclair zich moeilijk in een hokje duwen.

Van Ostaijen moet over Brunclair ooit gezegd hebben dat hij aan een touw hing te bengelen boven de kloof die beide groepen scheidde. "Of het touw sterk genoeg zal blijken te wezen?" vroeg hij zich af.

Brunclair werkte nog mee aan tal van andere tijdschriften, en schreef ook een roman, die niet meteen doorgaat als een meesterwerk van de Nederlandse literatuur. Hij vertaalde ook de Driestuiversopera van Bertold Brecht.

Tegen Hitler: Het Heilige Handvest

Aan de hand van zijn gedichten werd Brunclair wel eens verweten een clown of grapjas te zijn. Zelf vatte hij zijn kunstenaarsschap echter bloedernstig op. Zijn prozateksten waren vaak erg scherp polemisch, soms wel eens agressief.

Brunclair zag met lede ogen aan hoe een groot deel van de Vlaamse beweging in uiterst rechts vaarwater terecht kwam. Of liever: hij vond dat het VNV zichzelf door zijn opstelling buiten de eigenlijke Vlaamse ontvoogdingsbeweging had gesteld. In De Dag schreef hij in 1935: "Met Godsvrede staat of valt het nationalisme en als V.N.V. in dit verband andere programverklaringen wil doen ingang vinden, treedt het op als doodgraver van het nationalisme."

Het VNV kon duidelijk op geen enkele sympathie rekenen van Brunclair, die nochtans, zo blijkt uit zijn geschriften, aan de radicale kant van de Vlaamse beweging stond. Hij vond zelfs dat het beter was opnieuw te beginnen, maar dan met 'klare wijn', omdat het Vlaams-nationalisme na een tijperk van hoogbloei (de jaren twintig) reddeloos in verval was geraakt..

In 1937 publiceerde Brunclair een essay onder de titel Het Heilige Handvest. Deze publicatie, die bekroond werd met een prijs van de provincie Antwerpen, ligt aan de basis van zijn latere aanhouding door de Gestapo en zijn dood in een concentratiekamp. Brunclair zet zich in zijn geschrift af tegen 'volksverbonden' kunst van rechtse regimes of van de 'proletkult' van communisten. "De Germanen hebben ons in cultuuraangelegenheden, om het zo uit te drukken, een pad in de korf gezet. Ze hebben ons altijd willen overtuigen van hun meerderwaardigheidscomplexen, en dit door betogen en prestaties die nooit aan de creatieve intuïtie, altijd aan het bewust en stelselmatig rationalisme ontsprongen. De Geest is er geïnfeodeerd aan een staatsstelsel dat enkel betracht de puinen van een op rationalisme en Herrenmoral gevestigde cultuur, te bolwerken. De Germanen zijn Ersatz-meesters en camoufleerders van tekorten. Gretchen is bloedarm en Germania is maar mooi als ze een stormhelm draagt. Mussolini, Hitler, Stalin, regimebouwers door bloedstorting, hoe zult gij u tegenover het hoogste gebod der mensenliefde verantwoorden? Doe ons het paradijs geen tweede maal verliezen, daar waar gij het denkt te vinden."

Duidelijke taal, dat wel.

Ulenspiegel

Bij het uitbreken van de oorlog werkt Brunclair mee aan een eigenaardig project: het blad Ulenspiegel. Het blad was in feite de voortzetting van Het Vlaamsche Volk, dat op zijn beurt de opvolger was van de Roode Vaan. Maar het communistisch weekblad werd begin 1940 verboden... door de Belgische staat! Daarom werd een nieuw tijdschrift opgericht, in feite geleid door de Kommunistische Partij, maar voor de buitenwereld 'onafhankelijk'. De feitelijke man achter de schermen was niemand minder dan oud-activist en communist Jef Van Extergem, die evenals Brunclair zijn leven zou eindigen in een Duits concentratiekamp. Maar in 1940 lagen de rollen nog anders. De verantwoordelijke uitgever van Ulenspiegel was Frans van Haver, een oud-Fronter. Het blad kon verschijnen onder Duitse censuur - het werd zelfs van 8 juni tot 17 augustus 1940 een 'Volksdagblad voor Vlaanderen' - omdat de Sovjetunie een niet-aanvalspakt had ondertekend met Hitler-Duitsland.

De KP wou in die dagen niets met de 'imperialistische' oorlog te maken hebben, en haalde om de Duitsers te vleien fel uit naar de 'plutocratische' Engelsen en Amerikanen. Brunclair was hoofdredacteur, maar bepaalde niet de lijn van het blad. Van Extergem vond hem wellicht de geschikte man om het blad naar buiten uit te leiden, ook al omdat hij voor de oorlog nog had meegewerkt aan het Vlaams-nationalistische dagblad De Schelde, waar hij de rubriek verzorgde 'Door mijn luidspreker'.

De naam van het blad was ontleend aan de naam van een Antwerps café waar democratische nationalisten (waartoe Brunclair zichzelf rekende) af en toe een verversing pleegden te gebruiken. Brunclair was overigens iemand die graag een goed glas bier dronk, en naar het schijnt beschikte hij net als de latere Antwerpse socialistische burgemeester Lode Craeybeckx (ook al een ex-activist) over een schier onuitputtelijke voorraad jodenmoppen, die hij dan met een meesterlijk imitatietalent van de rochelende Rotterdamse tongval ten beste gaf.

Begin 1941 moest de publicatie worden stopgezet, omdat de Propaganda-staffel zich wat te veel ging bemoeien met de inhoud en Ulenspiegel kreunde onder de censuur.

Aanhouding en dood

De communisten doken onder in het verzet. Brunclair echter was zich van geen kwaad bewust. Hij had altijd ver gestaan van de partijpolitiek. Hij gaf zelfs nog een dichtbundeltje uit 'Openbare Spreekcel'), en kreeg een job als secretaris van de Opera.

In 1942 huwde hij en ontmoette hij nog tal van collega's, o.m. Gaston Burssens.

Brunclair werd op 9 december 1942 door de Gestapo aangehouden op basis van dreigbrieven die de directie van de Opera zou ontvangen hebben. Al vlug bleek dat Brunclair met heel die zaak niets te maken had, maar de lui van de Gestapo begonnen nieuwsgierig te worden naar het verleden van Brunclair en zijn vooroorlogse geschriften. Zij vonden het onbetamelijk dat Brunclair, de activist van 14-18, helemaal geen deutschfreundlich maar eerder duitsvijandig individu was.

Hij werd naar de gevangenis aan de Begijnenstraat van Antwerpen gebracht, vandaar naar de gevangenis van Hoei, en vervolgens naar het kamp van Vught in Nederland. Daar ontmoette hij nog andere kunstenaars die door de Duitsers gevangen waren genomen, o.m. Nico Rost. Deze laatste getuigde dat Brunclair niet in het minst teneergeslagen was. In september 1944 werd hij tenslotte naar het kamp van Sachsenhausen in Duitsland gedeporteerd. Een jaar later overleed hij, in het gevangenenkamp van Lagelund in Sleeswijk-Holstein. Zijn zoontje heeft hij nooit gezien.

Klare wijn

Victor J. Brunclair is vandaag nauwelijks nog gekend. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat hij altijd een beetje een eenzaat is geweest. Hij voelde zich aangetrokken tot het activisme, het Vlaams nationalisme en de socialistische stroming, maar bleef steeds kritisch staan tegenover ontsporingen binnen deze bewegingen. Daarom had hij ook weinig vrienden in de politiek. Zijn ongezouten uitspraken en polemische stellingnames maakten hem ook niet geliefd in sommige artistieke kringen. Pas achteraf bleek hoe profetisch de bezweringen van Brunclair waren in verband met het uitglijden van bepaalde Vlaamse nationalisten naar totalitaire regimes. Hij heeft zijn beginselvastheid van de jaren dertig met de dood bekocht. Hij weigerde water in de wijn te doen, en bleef steeds een beginselvast Vlaming, maar hij wilde wel klare wijn. De teksten die hij als jonge activist schreef zijn, in tegenstelling tot pennegewrochten van heel wat van zijn tijdgenoten, nog steeds brandend actueel en doen helemaal niet démodé aan. Het Sienjaal dat hij toen gaf, was er een van een vrij Vlaanderen, maar ook een schoon Vlaanderen, met vrije mensen, vrije kunstenaars als herauten tegen de eenheidsworst (een term die hij toen reeds gebruikte) en de bekrompenheid van geest.