Nummer 21


Het Sienjaal | september - oktober 1996


De brievenbusfunctie van een politiek project (Jef Turf)<< Nummer 21

De groep rond Maurits Coppieters en Norbert De Batselier heeft met de publicatie van "Het Sienjaal" belangrijk werk verricht. Hun poging om de kantlijnen te tekenen van een radicaal-democratisch Vlaams samenlevingsproject komt op een ogenblik dat het zelfstandig Vlaanderen een haalbaar politiek perspectief is geworden. Het debat over welk Vlaanderen in Europa en in de Wereld wordt bijgevolg zeer dringend.

Momenteel zijn twee strekkingen geïnteresseerd in een zelfstandig Vlaanderen: een progressieve en een neoliberale strekking. De eerste is van oordeel dat het Vlaamse volk, net als elk ander volk, het recht op zelfbeschikking moet krijgen, en meent bovendien dat het wegvallen van de Belgische staatsstructuren de kans op een democratische, solidaire samenleving vergroot. De Batselier heeft dat begrepen, de SP blijkbaar niet, evenmin als medeauteur van "Het Sienjaal", Freddy Willockx. De tweede strekking ziet integendeel in een zelfstandig Vlaanderen de kans om maximaal profijt te halen uit de versnelde inschakeling van Vlaanderen in het globale neoliberale vrije-marktconcept, met zijn autoritaire en antisociale begeleiding. Het is niet toevallig dat ook Verhofstadt precies dit moment uitkiest om de flamingantische kaart te trekken.

Zonder weerwerk lijdt het geen twijfel dat het toekomstig Vlaanderen zal starten onder het neoliberale vaandel. Daarvoor zorgt het neoliberaal beleid, net zoals in alle West-Europese staten: flexibel, deregulerend, delocaliserend, privatiserend en besparend op de sociale uitgaven, met overal als resultaat toenemende werkloosheid, armoede, ecologische catastrofes en de cultus van de onmiddellijke individuele bevrediging door wie het zich kan permiteren.

De neoliberale hegemonie is reëel op politiek vlak: ze bepaalt het Belgisch CVP-SP beleid, ze is overwegend aanwezig bij het Vlaams beleid van Luc Van den Brande: de spelregels van het globaliserend multinationale spel worden klakkeloos aanvaard. Wat goed is voor het kapitaal, moet ook maar goed zijn voor de mensen. Het is hier niet de plaats om te beschrijven wat de catastrofale en levensbedreigende gevolgen van dit neoliberaal beleid zullen zijn op termijn. Meestal geeft men er zich geen rekenschap van dat, zonder georganiseerde weerstand, we regelrecht afstevenen op een extreem autoritair regime als middel om de te verwachten onvoorstelbare chaos te bedwingen. Het is daarom NU dat de basis van weerwerk gelegd moet worden. Onze specifieke verantwoordelijkheid is dat te doen voor Vlaanderen. "Het Sienjaal", hoe beperkt ook, vol tekortkomingen en tegenstrijdigheden, biedt in elk geval de ruime mogelijkheid om de discussie voor een democratische oplosssing op een behoorlijk niveau aan te vangen.

Net als de auteurs van "Het Sienjaal" gaan we uit van de maakbaarheid van de samenleving. Er bestaat geen objectieve wetmatigheid die bv. Maastricht onvermijdelijk maakt. Maastricht is een politieke keuze, die wordt ingevuld door beleidsdaden, met behulp van politieke partijen die beweren de openbare opinie te vertolken. De maakbaarheid veronderstelt dat men de contouren kent van het soort samenleving waar men naartoe wil, dat men een strategie heeft om er te geraken en een tactiek om vanuit de gegeven omstandigheden een begin te maken met de verwezenlijking ervan. "Het Sienjaal" geeft een ruwe schets van de contouren, van het soort Vlaanderen met zijn relaties tot de wereld dat men wil. Als strategie geldt de samenwerking en bundeling van de progressieve politieke partijen en organisaties van het middenveld, en als tactiek de contracten tussen die verschillende krachten rondom concrete programmapunten.

De kar niet voor het paard spannen

De strategische keuze van "Het Sienjaal" hecht een groot belang aan de politieke partijen. De SP, de VU en AGALEV komen zelfs voor in het stuk als doorslaggevende elementen, zonder dewelke heel het plan niet haalbaar is. Maar terzelfdertijd relativeert de tekst sterk de impact van de politieke partijen: "'De politiek', in de gebruikelijke betekenis van het woord, bevindt zich al lang niet meer in het centrum en heeft dus ook maar een beperkt sturend vermogen. En zelfs waar de politieke instellingen nog enige macht uitoefenen wordt die macht steeds minder door parlementair-representatieve organen gecontroleerd en gestuurd, wel door een gespecialiseerd netwerk van lobbyisten die over heel wat meer macht en kennis beschikken dan eender welke parlementariër op nationaal en Europees vlak" (p. 44-45). Of nog "We moeten nederig erkennen dat de politiek, zoals deze op dit ogenblik georganiseerd is, niet meer in staat is om op alle vragen en verwachtingen een antwoord te bieden" (p.152).

Deze vaststellingen over de teloorgang van de traditionele politiek beletten de auteurs van "Het Sienjaal" niet te sneren naar wie uit deze vaststellingen de voor de hand liggende conclusies heeft getrokken, namelijk dat men vandaag liefst geen hoop moet stellen op de bestaande politieke partijen om enige verandering te bewerkstelligen: "Het is een verontrustende vaststelling dat heel wat vurige en ongeduldige herauten van een progressieve krachtenbundeling een ronduit negatieve, afwijzende houding aannemen tegenover de politieke partijen. Zij noemen zichzelf graag dakloos en verkondigen gratuit dat er in geen geval nog iets te redden valt door de politieke partijen zoals ze nu zijn. Aan hen vragen wij: wie zullen, wie moeten het dan wèl doen?" (p.20) Of hoe een domme redenering tot een intelligente vraag kan leiden...

Het is tekenend dat zelfs mensen met onverdacht democratische overtuiging toch nog blijven zweren bij de politieke partijen "zoals ze nu zijn". Ik vrees dat deze ontkenning van de realiteit één van de grootste bedreigingen is die rust op de mogelijkheid van een democratisch alternatief. Daarmee bedoel ik niet dat politieke partijen geen enkele rol meer te spelen hebben op de weg naar een andersoortige samenleving. Het is zelfs waarschijnlijk dat politici die vandaag blindelings de neoliberale koers volgen, de uitvoerders zullen worden van een radicaal-democratisch beleid. Maar men mag de kar niet voor de paarden spannen: partijen zullen slechts een rol kunnen vervullen aan het einde van de weg, niet bij 't begin, wanneer zij voor de keuze zullen gesteld worden: verdwijnen of van politiek veranderen. Daartoe bestaan een aantal aanswijsbare redenen.

Partijen remmen vernieuwing

Een eerste reden ligt in de aard van politieke partijen zelf. Hun piramidale structuur is een krachtige rem tegen elke vernieuwing aan de basis. Deel uitmaken van de leiding gaat gepaard met allerhande persoonlijke materiële en immateriële voordelen wat de inertie van de leiding nog versterkt. Ik heb mezelf vaak afgevraagd waarom interessante jonge mensen die politiek actief worden, aangekomen op een bepaald niveau van de partij-hiërarchie, plots het geweer van schouder veranderen en zich moeiteloos aansluiten bij de conservatieve leiding. Ik heb nooit een ander antwoord gevonden dan doodgewone materiële belangen, zekerheid van inkomen en voordelen. De gladde weg naar corruptie en bedrog is nooit ver weg, zoals de recente geschiedenis van elke partij bewijst. Hoe zou men anders kunnen verklaren dat dat een voorzitter van een socialistische partij, die zijn weg maakte als progressief, blijkbaar zonder problemen als Europees commissaris de heraut kan worden van het strakke neoliberale concurrentieprincipe?

Wellicht nog meer doorslaggevend voor het immobilisme van politieke partijen is hun verplichting het electorale spel mee te spelen, wat altijd gebeurt binnen het kader van de conservatieve hegemonie. Omdat men partij is in ons type van parlementair stelsel, is men verplicht macht te verwerven via electorale invloed. De partijen richten zich hoe langer hoe meer, tot hetzelfde publiek, waardoor hun onderlinge programmatische verschillen verdwijnen: iedereen schuift op naar het centrum. Daardoor gaat het onderscheid tussen de partijen verloren. Zij worden onderling uitwisselbaar. Wat ook de samenstelling is van de regering, homogeen socialistisch (Spanje, Frankrijk), homogeen conservatief (Duitsland, Spanje), een paarse coalitie (Nederland) of een grote coalitie (België), het beleid is identiek, op enkele nuances na. Alleen die nuances dienen nog als lokaas voor de brave kiezer. Fundamenteel heeft hij geen keuze meer. Voeg daar nog aan toe dat de barnumkieskampagnes veel geld kosten, en dat men het geld toch moet kunnen halen waar het is, en het beeld van de conservatieve hegemonie doorheen alle politieke partijen is compleet.

Overal ter wereld wordt bovendien de democratie ondergraven door verkiezingen te laten degenereren tot spectaculaire shows, waarvan de uitsluitende bedoeling is de kiezer een rad voor de ogen te draaien. Electorale periodes zijn geen uitdrukkingen van de volkswil, het zijn hindernissen die de partijen moeten nemen met veel geweld van nooit gehouden beloften. Het zijn zeker geen momenten van democratische besluitvorming. Wat in de VS en in Rusland verworden is tot een macaber spel, is in essentie aanwezig in elke "democratische" verkiezingsstrijd. Wie derhalve een kiesstrijd wil ingaan met "normale" middelen, is er alvast aan voor de moeite.

In zijn boek "De nee-zeggers of de politieke gevolgen van het economisch liberalisme", schrijft de Nederlandse PVDA'er Thys Wöltgens over de groep die zich onderaan de maatschappelijke ladder bevindt en van de overheid niet veel bescherming of hulp meer hoeft te verwachten. "Ze heeft twee mogelijkheden om haar politieke gevoelens tot uitdrukking te brengen: ze kan de democratische legitimatie van de oveheid aantasten door weg te blijven van de stembus, of ze kan proberen een ander sociaal-economische ordening op de agenda te krijgen". Daar waar geen stemplicht is, laten de kiezers het trouwens massaal afweten. De politieke heerschappij berust er op minderheden tussen 15% en 50% van de bevolking.

Gezien de politieke partijen verworden zijn tot instrumenten van de kapitalistische hegemonie, moet men er, alvast op korte termijn, geen innoverende rol van verwachten. "Wie zullen, wie moet het dan wel doen?" is geen retorische vraag. Van het antwoord hangt af of een radicaal democratisch alternatief op Vlaams niveau (wat zelfstandigheid impliceert) al dan niet mogelijk is.

Wie moet het doen

Op die kernvraag bestaat er geen antwoord wanneer men zich beperkt tot de oude partijpolitieke redenering. Men kan beginnen met enkele voorwaarden te onderzoeken waaraan stellig voldaan moet worden om de neoliberale politieke hegemonie te doorbreken. Men kan er alvast een drietal aanduiden. Vooreerst moet de politieke wereld in crisis zijn, wat betekent dat het volhouden van het neoliberaal beleid op zware weerstand stuit bij de achterban. De crisis moet zo ernstig zijn, dat het gewoon alterneren van politiieke meerderheden met eenzelfde programma geen haalbare kaart meer is. Dit betekent een toestand waarbij, om het met een variant op Marx te zeggen, de heersende kaste niet meer KAN en het volk niet meer WIL verder leven onder onveranderde omstandigheden.

Een dergelijke crisis veronderstelt dat het middenveld, bestaande uit de grote sociale organisaties en drukkingsgroepen, niet langer te paaien is door hun traditionele politieke beschermheren. Dit kan slechts gebeuren door een complex proces met als kenmerk het afwijzen van de hegemonie van de overheersende neoliberale opvattingen. Hierbij verschijnt dan een derde belangrijk element: hoe groeien in de openbare opinie nieuwe opvattingen? Zeker niet door een soort spontane generatie, waarbij de mensen aan de hand van hun ervaring tot de gepaste conclusies komen en de sociale consensus waarop het beleid steunt verwerpen. Om zulks te verhinderen beschikt het beleid over machtige middelen, zowel repressieve als ideologische en culturele dwangmiddelen.

Antonio Gramsci (1891-1937) heeft een aantal operatieve begrippen ontwikkeld die ons ook vandaag kunnen helpen bij het zoeken naar gepaste verweermiddelen. Leo Michielsen vatte zijn opvattingen als volgt samen : "De heersende klasse, aldus Gramsci, is per definitie heersend in de economische sfeer door het bezit van de productiemiddelen. Maar zij is het ook in de superstructuur en niet op één maar op DUBBEL VLAK: 1) zij domineert door middel van de dwanginstrumenten van het staatsapparaat: wetten, politie, justitie, gevangenissen, leger. 2) Maar de bourgeoisie heerst niet aleen door de directe dwang van de staat. Hoe verder het kapitalisme zich ontwikkelt, hoe dichter het net wordt van instellingen die de ideologie van de heersende klasse doet binnendringen bij de onderdrukte klassen. Academieën, scholen, kerken, liefdadige instellingen, culturele genootschappen, partijen, en ook de pers, de film, radio (en TV, toegevoegd door JT) verspreiden de cultuur, de "waarden", de zienswijze, de levensstijl en de levensbeschouwing, de politieke ideeën, de morele opvattingen, de wereldbeschouwing... kortom DE IDEOLOGIE VAN DE HEERSENDE KLASSE. Ze verspreiden deze ideologie dermate dat de onderdrukte klassen er diep van doordrongen geraken. De ideologie van de heersende klasse wordt universeel, doet de intellectuele en morele leiding van de bourgeoisie als vanzelfsprekend aanvaarden, en ontwikkelt een CONSENSUS van de onderdrukten met het meesterschap van de heersers."

Loopgravenoorlog

Vertrekkend vanuit deze analyse kwam Gramsci tot de slotsom dat revolutionaire veranderingen in een complexe samenleving niet konden plaatsvinden door een revolutionair moment, maar wel door een volgehouden "loopgravenoorlog" binnen alle staatsapparaten, zodat de hegemonie van de leidende klasse ondermijnd wordt en uiteindelijk vervangen wordt door de hegemonie, het geestelijk overwicht van de arbeidersklasse.

Een beslissende rol werd volgens Gramsci vervuld door de revolutionaire partij optredend als "collectieve intellectueel".

De theorie van de ideologische hegemonie blijft tot in de huidige samenleving volkomen overeind en moet m. i. de basis vormen van een hedendaagse revolutionaire strategie. De omstandigheden zijn echter ten gronde gewijzigd sedert de jaren dertig. Zo kan men vandaag nog moeilijk de revolutionaire rol van de arbeidersklasse in de westerse landen als basis van een nieuwe strategie beschouwen. Verder heeft de geschiedenis kort spel gemaakt met de communistische partijen, die totaal onbekwaam bleken te zijn om in de kapitalistische landen de rol van collectieve intellectueel te spelen. De bescheiden pogingen van vooral de Spaanse en de Italiaanse communisten om het ideeëngoed van Gramsci in de jaren '70 in de praktijk om te zetten via het "Eurocommunisme", hebben schipbreuk geleden, precies wegens de veranderde omstandigheden en wegens de sabotage van de sovjetofiele communisten.

Toch heeft de Gramsciaanse strategie via onverwachte wegen resultaten geboekt. Daar waar de linkse partijen onbekwaam waren de "loopgravenoorlog" doeltreffend te organiseren, bleken aartsconservatieven gretig gebruik te maken van deze opvattingen voor het bereiken van hun doelstellingen. Zo treedt bijvoorbeeld Opus Dei op als collectieve intellectueel om op nationaal en internationaal vlak zijn hegemonische opvattingen om te zetten in beleidsdaden. Zij zijn aanwezig in alle staatsapparaten waar zij het nuttig achten, coördineren de inspanningen van hun leden die overal hun taak opnemen in de universiteiten, de persorganen, het leger, de justitie, de partijen, de kerk, het bankwezen enz. Ook de wijze waarop de Amerikaanse christelijke fundamentalisten zich organiseren om hun minderheidspositie politiek door te drukken verdient aandacht.

Uiteraard kan men het werk van dergelijke extreem conservatieve organisaties niet klakkeloos copiëren: zij beschikken over schier onberpekte financiële middelen en zij worden niet gehinderd door enige democratische overweging. Maar men kan wèl teruggrijpen naar de Gramsciaanse analyse die zij misbruiken.

Een ander interessant voorbeeld, nu vanuit progressieve hoek, is dat van de christelijke beweging rond de bevrijdingstheologie. Zelfs onder de huidige uiltra-reactionaire paus handhaven zij zich niet alleen, als belangrijke kerkelijke stroming, maar zij slagen er in brede steun te vinden voor hun opvattingen zoals de rol van de vrouw in de kerk, de ontwikkelingssamenwerking, de ontzuiling, de verdediging van de armen. In Vlaanderen betekent zij, ook binnen het kerkelijk leven, een belangrijk element dat de conservatieve hegemonie doorbreekt en reeds in het defensief heeft gedwongen.

Veruit de belangrijkste wijzigingen in de maatschappelijke superstructuur sedert de tweede wereldoorlog hebben te maken met onderwijs en vorming. De meerderheid van de bevolking heeft nu middelbaar onderwijs genoten, terwijl een aanzienlijk gedeelte hoger onderwijs en zelfs voortgezet universitair onderwijs kreeg. De intellectuele beroepen hebben een grote vlucht genomen, terwijl cultuur in zijn verschillende uitingen zich ontwikkeld heeft tot een massafenomeen. Door deze ontwikkeling groeit de kans op maatschappelijke kritiek, die de onmiddellijke materiële bekommernissen overstijgt en deze plaatst in een evolutief kader. Zeker zijn intellectuelen niet immuun tegen de neoliberale hegemonie, maar uit hoofde van hun functie in de maatschappij zal een aantal onder hen het maatschappelijk gevaar dat ervan uitgaat onderkennen, en op zoek gaan naar alternatieven.

Dit proces, min of meer bewust, kan vandaag worden vastgesteld in Vlaanderen. Het groeit in de eerste plaats vanuit beroepsgroepen, binnen de staatsapparaten, waar intellectuelen vanuit hun beroepservaring de limieten en bedreigingen van het overheersend systeem ervaren. Zo worden momenteel gestructureerde pogingen ondernomen om ontaardingen van de samenleving te omschrijven en te bestrijden: vanuit de magistratuur ("Magistratuur en Maatschappij"), vanuit de wereld van de huisartsen (Vlaams huisartsenparlement, Vlaamse Artsen voor het Milieu), vanuit de hoger genoemde christelijke middens, de milieubeweging, de vrouwenbeweging, de gebruikersorganisaties, de nieuwe sociale beweging zoals Amnesty International, Greenpeace, Oxfam, Artsen zonder Grenzen, en talloze Vlaamse of lokale initiatieven. Het is trouwens opmerkelijk vast te stellen dat al die kritisch-vernieuwende initiatieven overwegend genomen worden in een Vlaams kader, wat het belang van deze dimensie voor een progressieve ontwikkeling onderstreept, en de argwaan tegenover de toenemende Belgische chaos. Vanuit verschillende richtingen neemt de bewustwording van de dreigende chaos toe. De bekende advocaat Jef Vermassen plaatste onlangs zelfs het drama van de kindermoorden in een maatschappelijk kader: "Hoe zieker de samenleving, hoe zieker de afwijkingen. We leven dus in een ferm gestoorde samenleving, dus zijn de deviante gedragingen des te extremer" (De Standaard van 28 augustus)

Brievenbus

Partiële kritiek op maatschappelijke wantoestanden en ontaarde staatsapparaten leidt niet spontaan tot het inzicht dat een globale radicaal-democratische oplossing geboden is. Men kan zich gedreven inzetten voor zijn medemens, bv. als voorzitter van Artsen Zonder Grenzen, en nadien soepel meedraaien als staatssecretaris in een regering die de verarming, nationaal en internationaal, mede organiseert. Men kan zich inzetten voor de bescherming van het milieu, en zich nadien nestelen in de CVP van de grondspeculateurs en van het verzet tegen het mestactieplan. Men kan zich voordoen als de sociale heraut van het Vlaamse Volk, en nadien via de VLD de neoliberale degeneratie actief steunen. Die enkele voorbeelden wijzen op de ongehoorde geestelijke chaos die vandaag nog heerst binnen de intelligentsia, wat zijn weerslag heeft op het gebrek van actieve mobiliseerbaarheid van de massa.

Opdat de talloze democratische initiatieven zouden uitlopen op een globale verandering, volstaat het niet het proces van de kritiek spontaan te laten verlopen. Er is behoefte aan iets ter vervanging van wat Gramsci in de communistische partij zag: de collectieve intellectueel. De plaats waar al het nieuwe kan worden opgevangen, gebundeld, besproken en verspreid, en waar contacten gelegd kunnen worden tussen de verschillende verspreide initiatieven. Daartoe bestaat thans zelfs geen aanzet in Vlaanderen (en vooralsnog in geen enkel mij bekend land). Bovendien kan men zich niet zomaar tot collectieve intellectueel uitroepen: men moet als dusdanig aanvaard en erkend worden door de betrokken openbare opinie. Mijn suggestie is dat voorlopig de groep Coppieters-De Batselier, die daartoe voldoende prestige heeft, zich zou belasten met een soort technisch secretariaat dat als brievenbus en coördinator dient voor het debat. Misschien kunnen onze grote culturele organisaties daarbij voor de noodzakelijke infrastructuur zorgen, die bij de start erg bescheiden kan zijn. Het moet van in den beginne duidelijk zijn dat een dergelijk initiatief IN GEEN GEVAL mag leiden naar de vorming van een politieke partij, en dat evenmin enige politieke partij tot het initiatief toegelaten mag worden. Hun taak bestaat erin de gegroeide consensus te vertalen op politiek vlak, of te verdwijnen.

Als ruw werkschema op de weg naar een maakbare vernieuwde samenleving kan men dus voorstellen in alle geledingen van de samenleving het verzet tegen het neoliberaal beleid en zijn gevolgen te stimuleren en te organiseren, vooral vanuit de intellectuele middens. Indien hun ideeën en opvattingen resoneren in de openbare opinie, in het volk, aansluiten op de gevoelens en verlangens van de mensen, zal het middenveld in beweging komen en zal de neoliberale hegemonie doorroken kunnen worden, en de weg geëffend worden naar voor een nieuwe hegemonie. Politieke partijen die dan de nieuwe hegemonie kunnen vertalen naar beleidsmaatregelen, zullen terug een politieke rol kunnen spelen. Uiteraard is dit niet méér dan een grof en vaag denk- en handelschema dat verder discussie vergt, maar tot bewijs van het tegengestelde de enige weg naar vernieuwing.

Als besluit wil ik nog ingaan op twee voor de hand liggende bezwaren tegen het voorgestelde schema. Men zal opwerpen dat het project te hoog gegrepen is voor het kleine Vlaanderen: het gaat tenslotte om de strijd tegen de wereldgiganten van het kapitaal. Mijn antwoord hierop is tweeledig. Vooreerst stel ik niet voor de kapitalistische economische burcht te bestormen, wat in de huidge omstandigheden onbegonnen werk is. Wanneer men een berg wil beklimmen, kiest men niet de steilste helling maar maakt men gebruik van geleidelijke slingerpaadjes. Wat ik voorstel is de neoliberale hegemonie over de geesten te bestrijden. Zonder heerschappij over de geesten kan het wereldkapitaal zijn heerschappij niet volhouden. Vooral niet wanneer door wetten en reguleringen de criminele aspecten van het kapitalisme aan banden worden gelegd, de sociale veiligheid wordt verzekerd en de vitale behoeften van de mensen worden veiliggesteld. Ten tweede steunt heel de strategische redenering inderdaad nadrukkelijk op de Vlaamse dimensie : het gaat in de eerste plats om een culturele strijd, in de breedste betekenis van het woord. Wie zegt culturele strijd zegt impliciet strijd op het vlak van het betrokken volk. De omzetting van ideeën in politieke kracht kan niet gaan via de Belgisch omweg, gezien de verschillende culturele benaderingen en wezenstrekken in de beide landsgedeelten. Er bestaat geen enkele andere uitvalsbasis voor de bevrijding van de geesten dan de basis van het eigen volk dat natie wordt. Wie zoals een aantal Vlaamse vooral socialistische intellectuelen, blijft doorhameren op de Belgische staat als werkeenheid, geeft de instrumenten uit handen waarmee reële veranderingen doorgedreven kunnen worden. Zij maken wijzigingen gewild door het eigen volk afhankelijk van factoren waarop dat volk geen enkele controle heeft. A fortiori is elke droom om via de Europese Unie een vernieuwde samenleving te bereiken louter utopie. Alleen vanuit de volkeren die zich elk voor zich de instrumenten voor vernieuwing verschaffen, kan voor Europa de dreiging van het harde neoliberaal model worden afgewend.