Nummer 22


| december 1996


Het Nederlandstalig onderwijs in Brussel (1980-1995): Enkele cijfers en beschouwingen (Antoon Roosens)<< Nummer 22

Hoe staat het vandaag met het Nederlandstalig onderwijs te Brussel? En vooral: waarom zou de Vlaamse overheid meer aandacht moeten besteden aan de uitbouw van dit onderwijsnet in de hoofdstad? Antoon Roosens ging grabbelen in de cijfers en knoopt er enkele bedenkingen bij aan.

Nu reeds 15 jaar is er, in het Nederlandstalig onderwijs te Brussel, een merkwaardige evolutie aan de gang. In het kleuter- en lager onderwijs neemt het aantal leerlingen bestendig toe, niet alleen in absolute cijfers maar ook in verhouding tot het Franstalig basisonderwijs. In het schooljaar '95-'96 telde het Nederlandstalig kleuteronderwijs ongeveer 10.000 leerlingen, een aangroei van 3.267 sinds het schooljaar '79-'80. Het Nederlandstalig kleuteronderwijs groeide, tussen 1980 en 1995, van index 100 tot index 172,5 terwijl het Franstalig kleuteronderwijs stagneerde. Voor het Nederlandstalig lager onderwijs bedroeg de evolutie-index, voor dezelfde periode, 114,4 terwijl het Franstalig onderwijs achteruitboerde, van index 100 tot index 90. Het aandeel van het Nederlandstalig kleuteronderwijs, in het totaal van de Brusselse kleuterschoolbevolking, steeg van 12% tot 18%; dat van het lager onderwijs van 10% tot 14%.Maar terzelfdertijd stelde men, in het gehele Nederlandstalige basisonderwijs, een bestendige proportionele daling vast van het aantal kinderen uit homogeen-Nederlandstalige gezinnen, en een bestendige aangroei van het aantal kinderen uit drie andere groepen: de taalgemengde gezinnen (één van de ouders is Nederlandstalig), de homogeen-Franstalige gezinnen (beide ouders Franstalig) en de allochtonen- of migrantengezinnen (de huistaal is Arabisch, Turks, Pools, Servo-Kroatisch, enz.). In het kleuteronderwijs daalde het proportioneel aandeel van de kinderen uit homogeen-Nederlandstalige gezinnen, tussen 1980 en 1995, van 71,9% tot 28,7%; in het lager onderwijs van 85,9% tot 35,4%.

In het secundair onderwijs dan, is er een globale daling van het leerlingenaantal in geheel de Brusselse agglomeratie. En die daling is sterker voor het Nederlandstalig secundair onderwijs (van index 100 tot index 91,5 tussen 1990 en 1995) dan voor het Franstalig secundair onderwijs (van index 100 tot index 96,4). Ook in het Nederlandstalig secundair onderwijs groeit de taalheterogeniteit voortdurend.

*
* *

Het is evident dat deze evolutie aanleiding geeft tot een aantal spanningen op verschillende gebieden.

Er is vooreerst het pedagogisch probleem, voortvloeiende uit de toenemende taalheterogeniteit, en dit zowel voor de kinderen en de ouders, als voor de leerkrachten en de schooldirecties. Hoe slaagt men erin in een klas, met het Nederlands als onderwijstaal, maar waar de kinderen uit homogeen-Nederlandstalige gezinnen een minderheid van 30 à 35% vormen, aan alle kinderen een behoorlijk niveau van taalbeheersing en van schoolse kennis bij te brengen?

Om op deze vraag een passend antwoord te vinden, wordt er te Brussel druk gedebatteerd en geëxperimenteerd. Onze onderwijswereld is een gonzende bijenkorf van ideeën, initiatieven en soms verhitte discussies. Het is onbegonnen werk om, in het kader van dit artikel, zelfs maar een droge opsomming te geven van de talloze methodes en systemen die in het debat naar voren worden gebracht of in de praktijk reeds worden uitgetest. Wij verwijzen de lezer hiervoor naar de uitstekende bijdrage van Sven Gatz in het dossier Taalverwerving in het Nederlands basisonderwijs te Brussel, uitgegeven door het studiecentrum van de Volksunie.

Belangrijk is dat vrijwel alle betrokken practici en deskundigen van oordeel zijn dat dit pedagogisch probleem kàn worden opgelost, op voorwaarde dat de overheid de nodige middelen daartoe wil vrijmaken. Hier wringt het schoentje, zoals we verder zullen zien.

*
* *

De dubbele evolutie van het Vlaams basisonderwijs te Brussel - toenemend aantal leerlingen, maar groeiende culturele en taaldiversiteit - heeft uiteraard ook een communautaire dimensie. Het is een van de factoren die een invloed uitoefenen op de richting waarin de verhouding tussen Brussel en het Vlaamse land in de toekomst zal evolueren.

Het aantal Nederlandssprekende inwoners te Brussel wordt, bij gebrek aan juiste cijfers, meestal geraamd op 15% tot 20%. Nemen wij een gemiddelde van 17,5%, dan zou dat 166.463 Nederlandstaligen betekenen op een totale Brusselse bevolking van 951.217 (cijfers van 1991). De allochtonen, geteld op basis van de nationaliteit en dus met uitsluiting van de genaturaliseerde migranten, vertegenwoordigen 29% of 275.853 inwoners in 1991. Dan zouden er 508.901 Franstalige Belgen overblijven, of 53,5%. Aardig op weg om zelf een minderheid te worden. En daarvan stuurt een groeiend aantal, zowel uit taalgemengde als uit homogeen Franstalige gezinnen, hun kinderen naar de Vlaamse school.

Dat ook het aantal migrantenkinderen in het Nederlandstalig onderwijs langzaam toeneemt, is betekenisvol. Immers, in de leeftijdsklasse van 0 tot 20 jaar vertegenwoordigen deze kinderen niet minder dan 40% van het totaal. Dat de integratie van de migrantenbevolking in de komende decennia mede via de Nederlandse taal en cultuur zou verlopen, is niet alleen van strategisch belang voor de Vlaamse aanwezigheid te Brussel. Het is ook perfect mogelijk, steeds op voorwaarde dat de Vlaamse regering er wat aan wil doen.

Er komt te Brussel een langzame, mentale kentering op gang ten overstaan van het Nederlands, bij de Franstalige autochtonen zowel als bij de allochtone bevolking. Ongetwijfeld speelt hier de economische realiteit een belangrijke rol. Brussel, overwegend Franstalig eiland binnen Vlaanderen, is naar schatting voor ruim 2/3 van zijn omzet aangewezen op Vlaanderen. Van de 657.881 loon- en weddetrekkenden die in 1991 te Brussel werkten, kwamen er elke dag 361.738 van buiten Brussel, waarvan 70% uit het Vlaamse Gewest. Bovendien vertoont de economische structuur van het Vlaamse Gewest, met zijn dicht net van K.M.O.'s voornamelijk in de dienstensector, een groter groeipotentieel dan die van het Waalse Gewest. Spijts alle Wallo-Brux-rethoriek van Franstalige politici, dringt deze economische realiteit met de dag dieper door tot het bewustzijn van francofoon Brussel.

De groei van het Nederlandstalig onderwijs is dus een factor die kan bijdragen tot een toekomstige verankering van Brussel in Vlaanderen. Maar het omgekeerde is eveneens waar, en zelfs méér: elke versterking van de politiek-institutionele band tussen Brussel en het Vlaamse Gewest, kan een zeer diepe en zelfs beslissende weerslag hebben op het 'sociaal statuut' van het Nederlands te Brussel, en dus op de groei van het Nederlandstalig onderwijs in de hoofdstad. Tussen menselijke en maatschappelijke fenomenen bestaat er zelden een causaal verband, maar wel steeds een dialectische verhouding.

*
* *

Enkele uitzonderingen niet te na gesproken, hebben de Vlaamse politici weinig oog voor het strategisch belang van het Nederlandstalig onderwijs te Brussel, als instrument van integratie van anderstaligen en migranten in de Vlaamse Gemeenschap. Zeer weinigen onder hen hebben de brede maatschappelijke kijk om de relatie tussen Brussel en het Vlaamse land in zijn complexe dynamiek te vatten, en om op die basis een alternatieve strategie uit te werken tegenover Brussel.

Dit is natuurlijk slechts een symptoom van het ontbreken, in Vlaanderen, van een sociaal-politieke leidende klasse, in de Gramsciaanse betekenis van dat woord: een klasse die boven haar eigen groepsbekommernissen kan uitstijgen, en die haar categoriële belangen kan projecteren als centrum - maar onderdeel - van het algemeen Vlaams belang. Dit vergt niet alleen staatsmanschap, maar ook een sociale ethiek waarbij een elite zichzelf verantwoordelijk erkent voor het welzijn van het gehele volk en, vrijwillig en bewust, de noodzakelijke discipline die daarmee gepaard gaat op zich neemt.

Nu er opnieuw een communautaire ronde op komst is in dit Belgische circus waarin we nog steeds leven, is het een prioritaire taak van de Vlaamse beweging om het probleem Brussel centraal te stellen. In tegenstelling met de Sint-Michielsronde, zal het ditmaal gaan om reële bevoegdheden en... om centen. En op dit laatste vlak zouden onze Vlaamse politici ditmaal hun troefkaarten doeltreffend moeten uitspelen.

Om het eenvoudig te zeggen: Brussel heeft geld nodig, veel geld, en Wallonië kan dat niet betalen. Vlaanderen wel! Bovendien zijn een aantal belangrijke infrastructuurproblemen binnen Brussel niet oplosbaar, zonder een gelijktijdig ingrijpen in de Vlaamse gordel rond Brussel. Hier ligt het breekijzer om de Wallo-Brux-operette te doen springen, en om bij de Brusselse bevolking de bewustwording te versnellen van de noodzakelijke band, niet tussen Brussel en Wallonië, maar tussen Brussel en de rest van Vlaanderen. Deze band moet, in de te wijzigen staatsstructuur, institutioneel worden vastgelegd: geen Vlaams geld voor Brussel, zonder Vlaamse politieke macht te Brussel!