Nummer 23


De uitverkoop van Vlaams-Brussel | januari 1997


Wie is te kwader trouw? (Bernard Daelemans)<< Nummer 23

Op triomfantelijke wijze verkondigt VU-raadslid Sven Gatz dat het recent binnen de Brusselse regering afgesloten zgn. "taalhoffelijkheidsakkoord" betekent "dat de Vlamingen hun slag eindelijk hebben thuisgehaald" en dat de Vlaams-Brusselse ministers "hun Franstalige collega's overtuigd hebben" van de noodzaak om de taalwet toe te passen: contractuele ambtenaren der Brusselse gemeenten en OCMW's horen voortaan, net als hun vastbenoemde collega's, een taalexamen af te leggen. Elke kritiek ter zake (nopens de vele uitzonderingen waarin het akkoord voorziet) wordt afgedaan als "Vlaams massochisme" (sic) en wie beweert dat er weer toegevingen zijn gedaan is volgens Gatz "slecht geïnformeerd of te kwader trouw".

"Te kwader trouw" dat zouden zodus de Vlaamse oppositiepartijen (VLD en VB) zijn die aangeven dat er slechts één positieve noot zit in het akkoord, namelijk het feit dat een tweetalige werfreserve zal worden aangelegd. Voor het overige bevat het niets dan expliciete of impliciete toegevingen: zo neemt de regering zich voor uitzonderingen toe te staan "om aan een bijzondere situatie of behoefte tegemoet te komen". Ook staat er: "Het ontbreken van personeel in de wervingsreserve is een geldige en voldoende reden evenals de vervanging van personeel voor een korte termijn (bijv. ziekte, zwangerschap, dringende noodzaak)". In het bijzonder worden ook uitzonderingen voorzien voor "personeel met een duidelijk afgebakend profiel of dat bijzonder gespecialiseerd is" Het lijdt geen twijfel dat dit een sluis is om blijvend alle eentalige ULB-specialisten te draineren naar de openbare ziekenhuizen. Met deze maatregels wordt de bestaande situatie geformaliseerd. Zeker, na twee jaar - dit geldt dus niet voor de "tijdelijken" - moeten de niet-tweetaligen een examen afleggen, zoniet zal er een einde aan hun contract worden gemaakt. Daarvoor is echter de instemming van de Franstalige ministers vereist, die zich tot op heden géén van alle (Picqué, Hasquin noch Gosuin) ook maar iets gelegen laten aan hun schorsingsplicht. Er wordt niet geraakt aan de vele duizenden onwettig aangeworven niet-tweetalige personeelsleden die reeds in functie zijn in de gemeentelijke administraties en OCMW-instellingen. Ten slotte wordt met geen woord gerept over de steeds talrijker vzw's die met gemeentelijke taken worden belast. Dit wordt zonder enige twijfel één grote garagepoort, waardoor massa's eentalige Franstaligen kunnen worden aangeworven. Het taalhoffelijkheidsakkoord is m.a.w. één grote bedriegerij.

Alsof dat allemaal niet genoeg is worden in één en dezelfde beweging ook nog de taalkaders van de gewestelijke administratie, die waren vastgelegd op een verhouding 1/3 N - 2/3 F herzien op basis van een telling van de behandelde dossiers, wat alleen maar een voor de Vlamingen ongunstiger verhouding voor gevolg kan hebben. Daarbij mag men niet vergeten dat de staatshervormers ons hebben opgezadeld met een gewestelijke administratie, waarvan de ambtenaren niet kunnen verplicht worden tweetalig te zijn, zodat de taalkaders de énige garantie vormen op een Nederlandstalige dienstverlening.

Het beeld, dat door de oppositiepartijen wordt geschapen berust niet op doemdenken, maar wordt geïllustreerd door de bezorgdheid van CVP-raadslid Brigitte Grouwels (ook al "te kwader trouw"?), die omtrent elk van voornoemde punten concrete vragen stelde aan Charles Picqué: zo wilde ze helpen "bij het scheppen van grotere duidelijkheid rond de draagwijdte en inhoud van dit akkoord. Zonder dergelijke duidelijkheid loopt u immers het risico dat de door u voorgestelde regeling de bestaande controverses niet zal oplossen, maar er enkel nieuwe zal creëren". Picqué moest het antwoord schuldig blijven.

Volgens CVP-er Walter Vandenbossche kwam het erop aan een "juiste interpretatie" te geven aan het akkoord en was het het parlement dat op dit vlak duidelijkheid moet verschaffen. De uiteenlopende interpretaties die door vertegenwoordigers van de meerderheidspartijen echter aan het akkoord gegeven worden, laten aan duidelijkheid niets te wensen over: er is omtrent de door de oppositie geschetste pijnpunten geen enkele eensgezindheid binnen de coalitie. Waar er volgens Vandenbossche geen twijfel over kan bestaan dat de taalwet van toepassing is op de contractuelen, meent Jean-Pierre Cornelissen (FDF-PRL) dat het slechts gaat om een "aanbeveling", die de gemeenten naar goed believen kunnen "inschatten volgens hun interne administratieve situatie". Waar Grouwels stelt dat de gemeentelijke vzw's niet ontsnappen aan de taalwetgeving, meent Vandenbossche net als Cornelissen dat dit nog "braak en onontgonnen terrein" is. Waar Picqué zegt dat bij het opstellen van de taalkaders rekening moet worden gehouden met de "morele en materiële belangen van de twee gemeenschappen", stelt Cornelissen dat dit enkel geldt voor de federale ministeries, niet voor die van het Brussels gewest. "Bijgevolg zou elk taalkader dat gevoelig afwijkt van het criterium van het werkvolume voor PRL-FDF onaanvaardbaar zijn". Een aanvaardbaar percentage ligt volgens Cornelissen ergens tussen de 8 en de 19%.

Men kan zich overigens best niet vergissen in de oppositie tussen de Franstalige duiven (Picqué) en de haviken (het FDF-PRL-blok). Wat voor alle Franstaligen vooropstaat is het behoud van Franstalige tewerkstelling. Om tactische redenen stemt Picqué nu in met een schijntoegeving omtrent de contractuele ambtenaren. Intussen zijn ook de PS-gemeentebesturen, die al niet uitblonken in het naleven aan de taalwetten, druk doende allerlei vzw's op te richten, om zich van het toezicht op de naleving van de taalwetten (en andere democratische controles) te onttrekken. Zo werd nog maar pas te Evere de eentalige vzw 'Soin à Domicile' opgericht die taken van het OCMW zal overnemen, onder meer het bij bejaarden aan huis bezorgen van warme maaltijden. Die vzw wordt wel verplicht het huidig OCMW-personeel over te nemen. Taalkundige voorwaarden staan niet in het contract. De voorzitter van 'Soin à Domicile' is niemand minder dan Alain Hutchinson, kabinetschef van Picqué! Dat dit de geplande strategie is van de PS kon men eigenlijk al opmaken uit de sarcastische opmerking waarmee Anne-Sylvie Mouzin (PS-gewestraadslid en voorzitter van het OCMW van Sint-Joost) een commissiedebat (zie vorige Meervoud) over de controverse rond de contractuelen afsloot: "Pft, il suffit de les transformer en asbl" (Het volstaat er vzw's van te maken).

Kortom, met de informatie die nu voorhanden ligt, zijn het niet de critici van het leugenachtige "taalhoffelijkheidsakkoord" die blijk geven van "kwade trouw", wél - bijaldien zij niet wezenloos naïef zijn - de verdedigers ervan.

Zoals Manu Ruys het zegt in zijn recente boek "Achter de maskerade", schrijven de Vlaams-Brusselse ministers zich in in de francofone strategie, die erin bestaat de tweetaligheid van Brussel permanent te saboteren, Brussel te isoleren van Vlaanderen en rijp te maken voor een Wallo-Brux-afscheuring.

Wie het kàn, moet ons maar eens uitleggen wat een dergelijk programma te maken heeft met Vlaams-nationalisme, strekking waartoe één van de Brusselse coalitiepartners, de VU in de persoon van Vic Anciaux zich rekent. Het is voor ons een oncomfortabele vaststelling - ze past niet in ons wereldbeeld - dat dit zich schikken in een Vlaamsvijandige politiek kennelijk alléén is ingegeven door ijdelheid en persoonlijk voordeel.