Nummer 23


Standpunt | januari 1997


Het Belgisch feuilleton (Mireille Leduc)<< Nummer 23

Enkele jaren geleden maakten enkele moedige lieden de Italianen duidelijk wat die al lang wisten. Hun land was een maffieuze schandalenrepubliek. De politici met vuile handen werden aan de kant geschoven. De particratie die ze met veel geduld gedurende vijftig jaren bijeengeknoeid hadden stortte als een Berlijnse muur in elkaar. Van christen-democraten, socialisten of sociaal-democraten, is er geen sprake meer.

Wat Italië meemaakte, was slechts een verkoudheid, vergeleken met de Belgische ziekte. De gevolgen zijn echter nauwelijks vergelijkbaar. Hier geen sprake van een aardverschuiving binnen de partijpolitieke wereld. Iedere partij blijft rustig de machtsspelletjes spelen die we al jaren kennen. En wie neemt daarin het voortouw? Wie zal de grote vernieuwing brengen? Een autoritaire premier die er zijn gewoonte van gemaakt heeft naar niemand te luisteren, maar nu wel nauwelijks verstaanbaar bazelt dat hij iedereen begrepen heeft? Een al even autoritaire vice-premier die het politie-apparaat zal doen werken door alle postbodes en buschauffeurs een andere kepi te geven? En dan, de ultieme revolutie: een grijze kamervoorzitter die de nieuwe politieke cultuur uitroept door een amechtig palaver met de partijbonzen te organiseren. Het schijnt dat slechts weinigen geneigd zijn de tak waarop ze zitten door te zagen.

Daarmee hebben we het dus gehad. Iedereen kan weer tevreden zijn: het voorbije jaar heette de aflevering van het Belgische politieke feuilleton 'De Vernieuwing'. De meeste afleveringen van dit feuilleton vallen trouwens zó in de smaak dat ze enkele jaren later terugkomen. Zo zien we regelmatig, al dan niet in combinatie met andere titels, afleveringen als 'De Depolitisering', 'Het Eind van de Tunnel', 'Met Europa wordt Alles beter' en 'Het Herstel van de Waarden'. De hoofdrolspelers blijven echter dezelfde. Meer zelfs, als publiek heb je de stellige indruk dat ze zelf het script maar niets vinden, en in hun achterhoofd met heel andere muizenissen bezig zijn. Ze weten toch wat de eigenlijke bedoeling is: er mag niets veranderen.

Waarom slagen onze Belgische machtshebbers voorlopig wel, waar hun Italiaanse broeders jammerlijk faalden?

We moeten het toegeven: het Belgische bouwsel is wat sterker dan het Italiaanse. De Belgen hebben alvast één stommiteit niet begaan die de Italianen wel hebben begaan. Bij ons zijn er geen vrijbuiters die onvervaard de poten van onder de stoel van de criminele kaste kunnen wegzagen. Bij ons geen rechtvaardige rechters die in alle onafhankelijkheid hun onderzoek kunnen doen. On ne les laisse pas faire. Bij ons worden die niet uit het gebouw uitgesloten. Neen, ze krijgen netjes hun kamer. In ruil moeten ze het ook niet te bont maken. Maar de constructie zit nog beter in elkaar dan de meeste snoodaards zouden durven denken.

In een normale staat zou het de taak moeten zijn van de parlementaire oppositie om dergelijk ongelooflijk falen van het overheidsapparaat en de politieke klasse aan te klagen. Bij ons: niets daarvan. Ook zij speelt een rolletje in een schouwtoneel, waarvan de regie door anderen gevoerd wordt. En ze lijken er zich nog goed bij te voelen ook.

Dat is althans het geval voor sommige blauwe broeders. Zij hopen immers vroeg of laat weer wat meer op het voorplan te mogen komen, en daarvoor moet je de gevestigde patronen niet teveel doorheen gooien. Af en toe wat kabaal, maar niet overdrijven. We verwachten dus ook niet van hen dat ze het gebouw zullen afbreken. Dat zouden we wel moeten verwachten van twee andere spelers: de groenen en de Volksunie. Zij beweren immers toch zo een propere handen te hebben. Bij de enen kan je daar al wat meer aan twijfelen dan bij de anderen. Maar neen, ook zij schudden niet aan de takken van de bomen. Wat erger is: ook zij slagen er niet in de woede, de walging, de ras-le-bol van de geachte kiezer (die voor de gelegenheid weer Jan met de Pet heet) op een maar ietwat geloofwaardige manier te vertalen. Zij lijken alleen maar bedroefd omdat hun rol toch niet die is waarvan ze droomden. Het stuk zelf blijven ze aanvaarden. En ze voelen zich al zo in de ivoren toren thuis dat ze ook al niet begrijpen dat diegenen die het spektakel noodgedwongen moeten aanschouwen, geen onderscheid meer maken tussen de spelers, en niets liever zouden doen dan hen naar huis sturen. Er lijkt geen andere uitleg voor het gebrek aan strategie dat achter hun ontstellende lethargie schuilt. Dergelijke schandaleuze toestanden zou iedere normale oppositiepartij met beide handen moeten aangrijpen. Het is hèt ogenblik bij uitstek om zelf de agenda te bepalen, en te blijven bepalen. Bij ons: niets daarvan. De oppositie zwijgt nog oorverdovender dan het parlement. Ze weigert het openliggende veld te bezetten.

En toch. We hebben inderdaad wel onze paria, die niets liever zou doen dan het bouwsel opblazen: het Blok. Maar ook de strategen van dienst bij die bende moeten wel aangetast zijn door een bijzonder sterk virus. Terwijl het establishment op zijn grondvesten davert, vindt het Blok er niets beter op de vermoeide burger bij zich weg te jagen, door voortdurend zijn gelaat te tonen: een ondemocratisch, inhumaan gelaat. En het beseft niet dat ook dit de mensen afschrikt.

Je zou dus denken dat de hoge heren rustig kunnen voortdoen. Het kan. Maar populair zullen ze nooit worden. En misschien wordt hun stuk nòg slechter. Als er dan geen deus ex machina nederdaalt, kan het publiek heel raar reageren.