Nummer 25


Staatshervorming | maart 1997


Een V.E.V.-strategie voor Brussel (Antoon Roosens)<< Nummer 25

Zowat een jaar geleden betoogden wij in de kolommen van dit blad (Meervoud nr. 18, april 1996) dat de Brusselse francofonie zichzelf de das had omgedaan, door van Brussel een apart gewest te maken, afgescheiden van de Vlaamse politieke en economische ruimte waarin het feitelijk verweven ligt.

Brussel alléén is immers niet in staat de structurele problemen op te lossen, die met de dag rijzen, zoals verkeer en communicatie, openbaar vervoer, sociale woningbouw, urbanisatie en stadskernvernieuwing. Voor de oplossing van al deze problemen is Brussel-19 afhankelijk van Vlaanderen, niet enkel ruimtelijk-geografisch maar ook en vooral financieel.

Wij stelden voor van Brussel niet een gewest, maar een autonome gemeenschap te maken binnen een Vlaamse (deel-)staat. Aldus zou Brussel politiek geïntegreerd worden in Vlaanderen, dat zou instaan voor de uitbouw en de financiering van de infrastructuur in de volledige groot-Brusselse ruimte. Tegelijk zou Brussel over een ruime autonomie beschikken inzake franstalig onderwijs en andere persoonsgebonden materies.

Naar aanleiding van de herdenking van zijn zeventigjarig bestaan, publiceerde het Vlaams Economisch Verbond een brochure (1) waarin een aantal prominenten uit economische, politieke en wetenschappelijke kringen hun visie te kennen geven op het Vlaanderen van vandaag en morgen. De algemene teneur is, dat alleen een veel grotere politieke autonomie de mogelijkheid biedt om in Vlaanderen een welvarende (en democratische) samenleving uit te bouwen. Na zich lange tijd te hebben geprofileerd als een deel van het Belgisch establishment, blijken de Vlaamse economische elites dus weer op weg om hun (noodzakelijke) plaats in te nemen binnen de Vlaamse beweging. Laten wij het vetgemeste kalf slachten!

Vooral opmerkelijk in deze brochure was de tekst van een gesprek met Lode Campo, erevoorzitter van het VEV-comité Brusssel, onder de titel 'Een Vlaamse strategie voor Brussel'.

*
* *

De VEV-auteur gaat uit van eenzelfde gedachtengang als de onze. Hij betoogt dat bij de laatste staatshervorming een vergissing werd begaan door van Brussel - om taalredenen beperkt tot 19 gemeenten - een volwaardig gewest te maken, dat economisch niet leefbaar is. "Er moet gekozen worden", aldus Campo, "tussen twee opties: ofwel wordt Brussel als volwaardig politiek gewest uitgebreid tot de socio-economische omvang van het stadsgewest, ofwel wordt Brussel-19 als volwaardig politiek gewest een kopje kleiner gemaakt, door de federale overheid (opnieuw) en/of de andere gewesten meer te betrekken in het bestuur van Brussel. Het is evident dat de Franstaligen liefst de eerste optie zien, terwijl de Vlamingen voor de tweede optie moeten kiezen."

Campo meent evenwel dat het verkeerd zou zijn nu nog het grondwettelijke statuut van Brussel te wijzigen, omdat dan de huidige politieke grenzen van het Brussels gewest opnieuw in vraag zullen worden gesteld. Vlaanderen mag, volgens hem, dat risico niet lopen. Daarom pleit hij voor het afsluiten van samenwerkingsakkoorden tussen Brussel en Vlaanderen. "Daarin zouden ze hun beleid op elkaar afstemmen, bijvoorbeeld inzake vervoer en ruimtelijke ordening, en gezamenlijk enkele noodzakelijke infrastructuur-projecten kunnen uitwerken. Kan dit niet meteen de basis leggen van een duurzame communautaire pacificatie in Brussel, uitgaande van een daadwerkelijke gelijkwaardige positie voor Vlamingen en Franstaligen?"

*
* *

Het staat vast dat de voorgestelde formule van samenwerkingsakkoorden de oplossing kan bieden voor de problemen van de Brusselse infrastructuur. Op voorwaarde althans dat het niet blijft bij een coördinatie van projecten tussen Brussel en Vlaanderen, maar dat Vlaanderen ook bereid is het grootste deel van de noodzakelijke investeringen, in en rond Brussel-19, te financieren. En ongetwijfeld zou deze financiële tussenkomst van Vlaanderen in Brussel, ook in bepaalde mate leiden tot een prestige-winst van het Nederlands in en rond de hoofdstad. Dit zou een bestaande trend komen versterken, die men reeds afleest uit het toenemend aantal franstalige leerlingen in Vlaamse scholen te Brussel.

Maar de vraag is of dit zou volstaan om een einde te stellen aan alle verdere territoriale aanspraken van Brussel op Vlaams-Brabants grondgebied. En vooral, om een 'duurzame communautaire pacificatie' in Brussel tot stand te brengen?

De onwil van de Brusselse francofonie om in Brussel een reëel tweetalig klimaat tot stand te brengen, evenals de onwil van de franstalige immigranten in Vlaams-Brabant om zich aan te passen, stoelt op de - trouwens correcte - perceptie van het Frans als taal van de politiek heersende klasse in België. Er heerst bij de Brusselse francofonen een diep ingeworteld gevoel dat de Franse taal het instrument is van hun sociale promotie, de band waarmee zij zich sociaal identificeren met de reële machtselites. Deze perceptie van het Frans als sociaal superieure taal zal niet verdwijnen, zolang de Belgische staat het institutionele kader blijft waarin alle belangrijke politieke beslissingen worden genomen; en zolang Brussel zich, als apart gewest, kan afschermen van een nakende uitbreiding van de politieke zeggingschap van een Vlaamse (deel-)staat, waar een eigen Vlaamse leidende klasse ook een reële politieke macht zou gaan uitoefenen.

Binnen dit institutionele kader van een Belgische staat met een apart Brussels gewest, zal de Brusselse francofonie zich blijven verzetten tegen elke uitbreiding van de rol van het Nederlands te Brussel. En zij zal blijven ageren voor de uitbreiding van de grenzen van dat gewest tot alle gemeenten van Vlaams-Brabant waar een noemenswaardige francofone aanwezigheid op het terrein valt te bespeuren. In dat kader moet Vlaanderen uiteindelijk de slag om Brussel en geheel Vlaams-Brabant verliezen. Hebben we dan niets geleerd uit anderhalve eeuw Belgische geschiedenis?

*
* *

Daarom verdedigen wij een radicaler standpunt: het verdwijnen van Brussel als gewest, met behoud van zijn huidige structuur als aparte gemeenschap, maar dan binnen de Vlaamse (deel-)staat.

De dubbele hefboom, bestaande enerzijds uit de materiële en sociale verloedering van Brussel, anderzijds uit het dynamisch groeipotentieel van de Vlaamse economie, moet doelbewust worden aangewend in deze politieke machtsstrijd die nu reeds zovele jaren het voortbestaan van Vlaanderen bedreigt. Hier rust een werkelijk historische verantwoordelijkheid op de jonge Vlaamse politieke klasse-in-wording. Een opkomende politieke elite kan zich slechts legitimeren als toekomstige heersende klasse, wanneer zij de existentiële belangen van het volk vooropstelt en er zich mee identificeert.

Dit is geenszins een pleidooi voor een agressief of revanchistisch nationalisme. Het is een compromis, waarin de legitieme aanspraken van de Brusselse francofonen worden verzoend met de essentiële belangen van de Vlaamse natie. Aan de Brusselse franstaligen kan en moet worden aangetoond dat Brussel-19 op zichzelf zijn problemen niet aankan. Zij zijn heus verstandig genoeg om dat te begrijpen. Zij weten ook dat zij, behalve holle rethoriek, niets te verwachten hebben van Wallonië, dat snel wegzinkt in economisch immobilisme en politieke corruptie. Maar zij zullen bikkelhard onderhandelen om aan de consequenties van deze realiteit te ontsnappen.

Daarom mag geen vinger uitgestoken worden om Broekzele uit zijn moeras te redden, zonder overdracht van de gewestelijke bevoegdheden van Brussel naar Vlaanderen. Beter geen akkoord dan een slecht. Maar binnen de Vlaamse politiek-geografische ruimte moet aan de Brusselse francofonie absolute autonomie worden aangeboden, met alle financiële garanties van Vlaanderen, voor alles wat betrekking heeft op de taal, de cultuur, het onderwijs en alle andere persoonsgebonden materies van de franstalige gemeenschap.

Er is méér. Indien het, in dat kader, nodig is om de bevoegdheid van de Franse gemeenschap uit te breiden tot de franstalige minderheden in sommige gemeenten van Vlaams-Brabant, moet dat bespreekbaar zijn. Zoals het nu gaat, verliezen we die gebieden uiteindelijk tòch, en geheel Brussel meteen. Maar, omgekeerd, wanneer de franstaligen in en rond Brussel een autonome en beschermde minderheid worden binnen de Vlaamse staat, dan is de weg geopend voor een historische verzoening die het de Brusselse francofone elites mogelijk zal maken hun plaats sui generis te zoeken binnen de Vlaamse gemeenschap: "des Flamands d'expression française".

Laten wij van de volgende communautaire ronde geen derde Egmont maken !

(1) De kracht van een dynamische staat, VEV, Brouwersvliet 5 bus 4, 2000 Antwerpen.