Nummer 27


Column | mei 1997


Oorlogscorrespondent in Galicië en Wolhynië (Hendrik Carette)<< Nummer 27

It is quite obvious that we do not all of us inhabit the same time
Ezra Pound

Veertig jaar geleden, in 1957, verscheen te Moskou een bloemlezing uit de verhalen van Isaak Babel met een inleiding van de romancier en journalist Ilja Ehrenburg. Vadertje Stalin was toen al vier jaar dood en gebalsemd en er was een lichte dooi in het koude politieke klimaat van de Sovjet-Unie. Nadjezjda Mandelstam, de weduwe van Osip Mandelstam, leefde nog en ook de tweede vrouw en weduwe van Isaak Babel Antonina Pirozhkova leefde nog en in Brussel begon de bouw van het Russisch paviljoen en het Atomium voor de Wereldtentoonstelling van 1958. Wie was Isaak Babel? Het antwoord kan kort zijn: hij was en is veruit de grootste verhalenschrijver of novellist van de hele Russische literatuur in deze hele twintigste eeuw. En dit klinkt superlatief, maar het is zo. Vraag het maar aan schrijvers als Maarten 't Hart en Eriek Verpale (beiden grote uitgesproken fans van Babel; bij Verpale thuis in Zelzate heb ik zelfs ooit een door hem geschilderd portret van het 'brillemannetje' Babel kunnen bewonderen) of lees wat Charles B. Timmer, zijn vertaler in het Nederlands, in zijn talrijke nawoorden in de diverse uitgaven en herdrukken heeft geschreven. Het beste en meest complete boek is nog altijd de Meulenhoff-editie De verhalen gevolgd door dagboekbladen (Amsterdam, vijfde druk in 1984!), dat niet minder dan 591 bladzijden telt en zowat het hele bekende teruggevonden oeuvre van deze Babel bevat.

Isaak Babel werd geboren in 1894 in een Chassidisch-Joods milieu van Odessa dat hij als 'ons eigen Marseille' omschreef en streed in 1920 aan de zijde van de kozakken in het Eerste Cavalerieleger als remonte-officier onder generaal Boedjonnyj in de burgeroorlog en de veldtocht tegen de Polen. De overwinning van het Rode Leger op de Polen was een feit in 1922. En het was dankzij niemand minder dan Maxim Gorki, zijn beschermer, die hem de raad had gegeven om 'onder de mensen' te komen, dat Babel aanvankelijk zijn erg aangrijpende autobiografische verhalen kon schrijven en publiceren in kranten en tijdschriften. Zijn beroemde hoofdwerk, de cyclus verhalen Rode Ruiterij, maakte hem twee jaar later plotseling tot de beroemdste schrijver van Rusland. En het zijn ook wonderlijke verhalen: meeslepend, ontroerend, schokkend en wreedaardig zijn de vier bijvoeglijke naamwoorden die zo goed passen bij zijn korte tot zeer korte verhalen. In het interview 'Over de creatieve weg van de schrijver' zei Babel zelf: "In mijn relatie tot het bijvoeglijk naamwoord ligt mijn levensgeschiedenis". Het zeer lyri-sche 'De begraafplaats van Kozin' beslaat nog niet eens één volle bladzijde en eindigt zo: "O dood, o hebzuchtige, o schrokkige dief, waarom hebt gij ons nooit ontzien, al was het maar één enkele maal?" en het zeer rauw-realistische 'De leer van de mitrailleurwagen' begint zo: "Van de generale staf had ik een voerman toegewezen gekregen, of zoals wij dat noemen een wagenvoerder. Hij heette Grisjtsjoek. Hij was negenendertig jaar uit. Zijn geschiedenis is verschrikkelijk." waarin wat verder ook de naam van Nestor Machno (1884-1935, een Oekraïense revolutionair-anarchist) even opduikt, beslaat maar drie bladzijden, maar de lectuur van die drie bladzijden suggereert en evoceert meer dan de lectuur van vele lange en dikke romans van vele van zijn nu voorgoed vergeten tijd- en landgenoten. Het zijn geen historische verhalen, hoewel soms de namen van historische figuren als Wrangel, Machno, Razoemowski, Kerenski en Pjotr Karlowitsj Klodt von Jurgensburg of begrippen als de 'Zwarte Honderd' en 'De Volkswil-beweging' opduiken en in de voetnoten van Charles B. Timmer verklaard en gesitueerd worden. Het zijn verhalen die de lezer bespringen en naar de keel grijpen. Het zijn verhalen die diep menselijk zijn en niemand die niet ongeletterd is of een reactionair onbewogen kunnen laten. Zij werden geschreven door een joodse intellectueel in een tijd van pogroms en ongemeen heftige jodenvervolgingen (ja, toen al!) in zijn geboortestad Odessa, of op de slagvelden van Podolië, Galicië en Wolhynië en later in Petersburg 'Het basalten Venetië' of god weet waar in het koude Moskou, in Kiew of op de 'steppen omspoeld door de zee'. Onder een aantal van zijn verhalen staat soms de naam van het oord en de datum (bij voorbeeld Brody, augustus 1920 of Nowograd-Wolynsk, juli 1920) zodat de lezer hier als het ware samen met de schrijver een ooggetuige wordt en zo het verhaal kan lezen als het levendige verslag van een oorlogscorrespondent ter plaatse (er was toen uiteraard nog geen CNN-televisie en ook nog geen radioverbinding).

Die kozakkenruiters moeten een kleurrijk en ruw volkje zijn geweest. Nadjezjda Mandelstam schrijft in het tweede deel van haar memoires Tweede Boek (Amsterdam: Van Oorschot, 1973, p. 54); "kozakken trekken graag op in groepen en blijven de troep waarmee zij hun lot hebben gedeeld altijd trouw." en Babel moet het als gevoelige en verfijnde, bebrilde want zwaar bijziende jood niet altijd makkelijk hebben gehad om zich te handhaven als mens en als officier.

Hij was een bescheiden man met een groot gevoel voor humor (ook in de donkerste dagen en tijden) en geloofde hoe dan ook dat de bolsjewistische revolutie een goede zaak was geweest. Op 16 juni 1933 nam hij deel aan een antifascistische meeting in Parijs en noteerde daarover in een brief van 18 juni 1933 (cfr. het boek Brieven naar Brussel, Amsterdam: Moussault's Uitg., 1970, p. 192): "Eergisteren moest ik optreden bij een antifascistische meeting. Joden en Duitsers beide applaudiseerden. In Duitsland ben ik op de lijst van verboden schrijvers gezet en Rode Ruiterij is er plechtig verbrand". En toch zou ook Isaak Babel, na de dood van Gorki in 1936, zich meer en meer bedreigd voelen door de Stalinistische terreur.

Op 15 mei 1939 werd hij gearresteerd door de geheime politie en zijn proces op 26 januari 1940 duurde twintig minuten. Tijdens dat proces was hij al onherkenbaar door de martelingen en hij werd de volgende morgen doodgeschoten. Een onmenselijk en tragisch einde voor een zo menselijke man en een zo groot schrijver.