Nummer 28


Column | juni - juli 1997


De schoonzoon van Marx (Hendrik Carette)<< Nummer 28

Wie de brieven van Karl Marx aan Friedrich Engels, aan Heinrich Heine, aan zijn liefhebbende dochters (Eleanor, Jenny en Laura) en aan andere intimi leest, constateert dat Karl Marx evenals Groucho Marx zijn zin voor humor had en niet enkel een neiging tot generaliseren, een aanleg voor scherpe kritiek en een hang naar ideeën en systemen. Die brieven tonen aan de Marx niet alleen scherp maar dus ook geestig, ja zeer geestig en toch ook diepzinnig kon zijn. Zo schreef hij op 13 maart 1843 vanuit Keulen aan Arnold Ruge (in Dresden): "Beste vriend, zonder enige romantiek kan ik u verzekeren dat ik in alle ernst, tot over mijn oren verliefd ben. Ik ben al meer dan zeven jaar verloofd, en mijn verloofde heeft de hevigste conflicten voor mij moeten uitvechten die haar gezondheid bijna ondermijnd hebben, enerzijds met haar piëtistisch-conservatieve familieleden, door wie de 'Heer in de Hemel' en de 'Heer in Berlijn' gelijkelijk aanbeden worden..." Of, zeer plastisch; zoals toen hij op 23 augustus 1849 vanuit Parijs naar Engels (in Lausanne) schreef: "Beste Engels, ik ben verbannen naar het departement Morbihan, de Pontijnse moerassen van Bretanje". Wie de vele gebundelde brieven van Marx leest, dringt op een heel aparte wijze (heel anders dan via de lectuur van zijn verzameld werk) binnen in de intieme denk- en gevoelswereld van deze strijdvaardige polemist (denken we maar aan zijn eerste slachtoffer Pierre Joseph Proudhon in zijn eerste boek Misère de la Philosophie van 1847), filosoof (in 1841 werd hij doctor in de filosofie dank zij een erudiete dissertatie over het verschil tussen de Democritische en de Epicureïsche natuurfilosofie aan de universiteit van Jena) en systeembouwer. Marx' schoonvader was Geheimrat (wat een mooie Duitse titel toch!) Ludwig von Westphalen en was dus de vader van zijn geliefde aristocratische Jenny (ook de naam van één van zijn dochters) maar één van zijn schoonzonen was Paul Lafargue die op 2 april 1868 met zijn dochter Laura Marx was gehuwd. Deze Lafargue werd in 1842 geboren in Santiago de Cuba en sleet - zoals Anton Constandse rapporteerde - zijn kinderjaren in dezelfde stad waar Fidel Castro honderd jaar later zou opgroeien (toeval bestaat niet, nooit). Paul Lafargue was dus een knappe donkere 'creool' die medicijnen studeerde als student van de Sorbonne in Parijs en aanvankelijk nogal wat sympathie en bewondering had voor Franse socialistische denkers en dwepers als Fourier, Saint-Simon en Proudhon. (Wie meer over al deze fascinerende figuren wil vernemen zoals Bakoenin, prins Kropotkin, César de Paepe, Makhno, Marx, Malatesta, of over de opstand van Kroonstad en nog andere wonderlijke figuren en anarchisten: in 1973 verscheen er te Parijs bij François Maspéro een vierdelige anthologie van het anarchisme onder de titel Ni Dieu ni Maître, een waar meesterwerk van Daniel Guérin...)

In 1864 was te Londen de Internationale gesticht en in 1865 maakte Lafargue al deel uit van één van de Franse secties van deze organisatie, aldus A. Constandse in zijn inleiding bij Het recht op luiheid gevolgd door De godsdienst van het Kapitaal en Pius IX in de Hemel, de drie bijtend satirische pamfletten die aanvankelijk respectievelijk in 1880, 1887 en 1892 als artikelen en brochures verschenen van de hand van Paul Lafargue, deze hoogst originele èn geëngageerde schoonzoon van Karl Marx. Het is dus niet zo dat Lafargue uit liefde voor Laura een marxist of communist (wat niet hetzelfde is) geworden is, maar wel degelijk al eerder zijn persoonlijke politieke overtuiging had. In Brussel had hij al de beruchte Blanqui ontmoet die - steeds volgens Constandse - een diepe indruk op Lafargue had gemaakt.

Karl Marx was echter om het met een eufemisme te zeggen niet onverdeeld gelukkig met deze excentrieke en exuberante schoonzoon. Even een excerpt uit een brief van 13 augustus 1866 vanuit Londen (oorspronkelijk in het Frans) aan Paul Lafargue (eveneens verblijvend in Londen): "Als u zich op uw creools temperament beroept, dan is het mijn plicht om met mijn gezonde mensenverstand tussen uw temperament en mijn dochter te gaan staan. Indien u niet bij machte bent uw liefde voor haar te uiten in een vorm die in overeenstemming is met de Londense breedtegraad,zult u ermee moeten volstaan haar van een afstand te beminnen."

In een brief aan Laura luidt dan weer een ander wrevelig geluid: "Die verdomde lummel van een Lafargue valt me lastig met zijn proudhonisme en rust waarschijnlijk niet eerder dan dat ik hem eens stevig op zijn creolenkop heb gegeven". Of opnieuw in een latere brief aan Laura, maar dan toch al wat meer getemperd en bedaard - omschrijft Marx deze Paul Lafargue aan zijn dochter als volgt: "Il hidalgo delle figura trista" (de ridder van de droevige figuur) verliet mij op de hoek bij zijn huis. Zijn hart dat tevoren ernstig geschokt was, leek de scheiding van mij met nogal heroïsche gelatenheid te doorstaan." En in een brief aan de vader François Lafargue omschrijft hij diens zoon spottend maar toch ook wat vertederd als "Monsieur il amoroso"...

Toch lijkt het er al bij al toch op dat Karl Marx deze excentrieke schoonzoon schromelijk heeft onderschat. Maar het is inderdaad zeer de vraag of Marx, die in 1883 overleed, de studie of het prachtige en visionaire pamflet Het recht op luiheid nog heeft kunnen lezen in de definitieve versie waarin het in 1883 werd gepubliceerd. En A.L. Constandse, een notoire kenner en deskundige op de verschillende domeinen van het anarchisme en het marxisme voegt hier wijselijk aan toe: "Hij (Marx) zou er opnieuw redenen in hebben gevonden te twijfelen aan de orthodoxie van Lafargue's marxisme".

Le droit à la paresse werd door Paul Lafargue herschreven in de gevangenis in 1883, inderdaad het stervensjaar van Karl Marx, maar deze tekst die een weerlegging is van het 'recht op arbeid' van 1848 zou wel eens één van de origineelste pamfletten van de hele 19de eeuw kunnen zijn.

Lafargue schreef er met een ongemeen scherpe pen tegen het dogma en de vloek van de dagelijkse afstompende en ziekmakende arbeid en ijverde of pleitte meteen (in de tijd van kinderarbeid en werkdagen van soms veertien uur en meer) voor een werkdag van niet meer dan drie uur. Zijn stijl is niet pathetisch maar hartstochtelijk. Zijn argumenten blijven ongewoon lucide en blijken in dit fin de siècle van overproductie en massale ontslagen bij machtige financiële groepen of multinationals die miljarden winsten boeken maar al te actueel en verrassend visionair voor een 'creool' en schoonzoon van, nee niet Groucho, Karl Marx.

Het recht op luiheid is en blijft één van mijn bijbelboeken. Het geeft mij alleszins de ideologische grondslag en de psychologische rechtvaardiging voor mijn persoonlijke luiheid en plaatst mijn legendarische luiheid aldus in een breder en dieper maatschappelijk verband. Lees het maar, zijn redeneringen zijn helemaal niet zo dwaas en zo hol, en volgens mij is het echt allemaal waar.