Nummer 29


Het hart gelucht | september 1997


Parkeren in Brussel (Vic Anciaux)<< Nummer 29

Staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vic Anciaux is niet bepaald gelukkig met een aantal stellingnames en opinies in het vorige nummer van Meervoud. Hij legt aan onze lezers uit waarom.

In het laatste nummer van Meervoud (juni-juli 1997) laat u zich denigrerend (understatement) uit over mijn houding in het dossier Europarking. Misschien is het u ontgaan, maar ik constateer dat er inmiddels een debat op gang is gekomen rond het aantal parkeerplaatsen dat Brussel nog kan slikken wil de stad niet verstikken. En het autoverkeer dat daaraan ten grondslag ligt uiteraard. Ik ben zo vrij enkele voorbeelden aan te halen.

Europees commissaris voor Leefmilieu Ritt Bjerregaard met een opinietekst in La Libre Belgique (3 juli 1997) onder de hoofding "De l'air pur pour les villes".
De Brusselse Raad voor het Leefmilieu (BRAL) en Inter-Environnement die aantonen dat een goed beheer van het aantal beschikbare parkeerplaatsen één van de meest doeltreffende middelen is om het autoverkeer in te dammen (De Standaard, 22 juli 1997).
Een ander Europees commissielid, Erkki Liikanen, verantwoordelijk voor begroting en administratie, die onlangs verklaarde dat het parkeeraanbod van het gerenoveerde Berlaymontgebouw zal worden teruggeschroefd.
Enzovoort.

Ik meen te mogen stellen dat deze en vele andere mensen, niet in het minst gewone Brusselaars, begrepen hebben waar het ons in de eerste plaats om te doen was en is: de leefbaarheid van Brussel. Mensen sensibiliseren om die leefbaarheid zoveel mogelijk te vrijwaren. En dat beperkt zich heus niet tot een wijk die inderdaad al erg heeft geleden. Bespaar mij dus een simplistisch cynisme à la 'De Leopoldsruimte is een totaal verloren zaak'.

Wat lees ik overigens in een artikel van het juninummer van Vivat academia (tijdschrift van het Verbond der Vlaamse Academici): "(...) De migratie uit de stad naar de voorsteden is een algemeen verschijnsel, waarin veel factoren meespelen: de duurte van de stad, de luchtvervuiling, de onveiligheid, enz. (...)". De luchtvervuiling, jawel.

Dit citaat komt uit een zeer lezenswaardige tekst van het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV) over Brussel. In dit artikel wordt met zin voor realiteit een beeld geschetst van (Vlaams) Brussel en worden ideeën en voorstellen ter verbetering aangereikt. Hartverwarmend, want voor de rest merk ik ze te weinig: de ideeën, de constructieve voorstellen met de nodige feeling voor uitvoerbaarheid.

Ook en vooral te aanzien van Brussel. Aan de Vlaamse klaag- en kritiekmuur gaan staan, brengt niets op. Waar ik kan, wil ik mijn aandeel opnemen. Meervoud stelt het zo voor: "(...) In de plaats zijn een aantal jongeren gekomen, dat wel, en een aantal kabinettards met vrienden en kennissen. De meeste aandacht gaat uit naar de verpaupering van Brussel, de stadskankers, de vierde wereld, de jeugdprostitutie... allemaal dingen die best in de aandacht mogen en moeten komen, maar waar de Volksunie nauwelijks mee kan scoren (...)." Ja, dat is wat men noemt een sociaal uitgangspunt. Een sociaal maatschappijproject dat hand in hand gaat met mijn Vlaams autonomiestreven. Deze twee zijn voor mij onlosmakelijk met elkaar verbonden.

In Brussel hebben we te maken met verschillende partners. Niet alleen met de Franstaligen, ook met de allochtonen en Europeanen. Met die partners moet nu eenmaal gepraat worden, wil je iets bereiken. In een federalistisch perspectief, dit betekent met respect en actieve waardering voor andere culturen en gemeenschappen. Verdraagzaamheid m.a.w.

We moeten onze cultuur zelfbewust uitdragen i.p.v. al te defensief te reageren als bijvoorbeeld stemrecht ter sprake komt. De Vlamingen hebben het volste recht een gewaarborgde vertegenwoordiging in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en in de Brusselse gemeenteraden en schepencolleges te eisen. Tevens moeten de Vlamingen werk maken van een proactieve, positieve onthaalpolitiek om de Europese ingezetenen kennis te laten maken met al wat Vlaanderen (Vlaams-Brabant/Brussel) te bieden heeft. Het komt erop aan onze kwantitatieve minderheid om te zetten in een kwalitatieve meerderheid. Met Brussel 2000 in het vooruitzicht krijgen de Vlamingen een uitgelezen kans zich te tonen. Aan hen/ons om ze te benutten.

Ik beschouw Brussel als een toetssteen voor een democratisch Vlaams-nationalisme. Hier kan het Vlaams-nationalisme het bewijs leveren van volwassenheid, zowel institutioneel als maatschappelijk. Op voorwaarde vanzelfsprekend dat bij iedereen de vaste wil bestaat om van Brussel daadwerkelijk de hoofdstad van Vlaanderen te maken. Ik verwacht daarom van Vlaanderen de nodige kennis, betrokkenheid en steun. Brussel is voor de Vlaming nog altijd een wingewest, zowel materieel al immaterieel, eerder dan een probleemgebied.

Ik ben geen voorstander van een verschroeide-aardetactiek. Ik wil doeltreffend en constructief zijn. Terzelfdertijd zal ik blijven hameren op onze Vlaamse rechten. De taalwetten horen daar ook bij. "(...) Deze wetten hebben de discriminaties tegen de Vlamingen grotendeels weggewerkt en hebben de verfransing in belangrijke mate vertraagd. Dankzij deze wetten is er aanvankelijk een verbetering geweest van de toestand van de Vlamingen in Brussel. Niettegenstaande deze wetten is er de laatste jaren een achteruitgang van de Vlaamse aanwezigheid in Brussel. Om de Vlaamse aanwezigheid in Brussel opnieuw te verbeteren zullen naast een correcte toepassing van deze wetten ook andere maatregelen noodzakelijk zijn. We moeten ervan uitgaan dat de Vlamingen in Brussel over dezelfde rechten moeten beschikken als de Franstalige Brusselaars. Gunstmaatregelen binnen de Vlaamse Gemeenschap zijn evenwel noodzakelijk en verantwoord om een volledig net van Nederlandstalig onderwijs in stand te houden, alsook voor het Vlaams cultureel leven in Brussel en voor de uitbouw van gewaarborgde dienstverlening. Zowel voor het Brussels gewest als voor de rest van Vlaanderen is een politiek die Vlamingen ertoe zou brengen terug in Brussel te gaan wonen wenselijk (...)", schrijft het OVV in Vivat Academia.

Deze taalwetten hebben ondertussen zowat mythische proporties aangenomen. Misschien is het goed aan het volgende te herinneren. "Veel conflicten vonden en vinden overigens hun oorsprong in de taalwetten zelf, door allerhande vage bepalingen, dubbelzinnige formuleringen en ruime interpretatiemogelijkheden", aldus Anja Detant in 'De toepassing van de taalwetgeving in de Brusselse gemeentelijke instellingen'. Net zoals het OVV verwacht ik niet alle heil van de taalwetten, precies omdat ze onvolmaakt zijn en er te weinig waterdichte controlemechanismen ingebouwd zijn. Dit is trouwens één van de redenen geweest waarom de Vlamingen met een eigen netwerk van sociaal-culturele voorzieningen zijn begonnen in de jaren zeventig. Toen al, inderdaad. Sedert 8 jaar werken we hard aan de uitbouw van een Vlaams netwerk van welzijns- en gezondheidsinstellingen. Ja, dit sociaal engagement is tevens een Vlaamse inzet. Meer dan nodig. En wat te denken dan van volgende zin uit het boek van Detant : "Zonder te willen beweren dat de taalwetgeving van 1963 geen invloed heeft gehad op de linguïstische situatie in Brussel, moeten we immers vaststellen dat taalbeschermende maatregelen slechts in beperkte mate konden inwerken op de taalsituatie in de hoofdstad."

Wat men ervan ook moge beweren, ik blijf de doorbraak inzake de toepassing van de taalwetgeving in de Brusselse gemeenten en OCMW's van 14 november 1996 verdedigen. Een scheefgetrokken situatie van meer dan 30 jaar trek je echter niet op één jaar recht. Zeker niet in een land dat ondertussen van aanschijn is veranderd. Dat neemt niet weg dat de taalwetten uiteraard moeten worden toegepast.