Nummer 3


Dossier | mei - juni 1993


Een poging tot symbiose tussen Vlaamse en sociale strijd (Henk Cuypers)<< Nummer 3

Bij de parlementsverkiezingen van mei 1965 bood een sociaal-flamingantische lijst, de Vlaamse Democraten, zich naast de 'traditionele Vlaams-nationale partij', de Volksunie, aan het kiezerskorps aan. De verkiezingsuitslag betekende de doorbraak van het partijpolitieke Vlaams-nationalisme (van vijf naar twaalf zetels in de Kamer), maar tegelijkertijd ook de mislukking van het sociaal-flamingantisme.

De geschiedenis van dit merkwaardig experiment moet nog geschreven worden. Een kritisch onderzoek van deze interessante periode, waarin de Vlaamse Beweging haar vitaliteit bewees en heel even zelfs leek uit te groeien tot een brede massabeweging, zou een afdoend antwoord moeten geven op de vraag waarom deze verbredingsoperatie van het klassieke nationalisme zo flagrant de mist is ingegaan. Waren de Vlaamse Democraten een scheuring van de Volksunie, zoals de officiële nationalistische geschiedschrijving stelt? En is deze dissidentie vooral te wijten aan "de eigenzinnigheid waarmee VU-volksvertegenwoordiger Daniël Deconinck zijn weg poogde te gaan, door de Volksunie in een linkse oriëntering te duwen"?(1)

Waren de Vlaamse Democraten, zoals Manu Ruys nog recent in zijn wekelijkse tribune 'Op de Korrel' in De Standaard van 2 april 1993 schreef, slechts een linkse dissidentie?(2) Klop het algemeen verspreid beeld dat de Vlaamse Democraten aan de VU een andere ideologische grondslag wilden geven en dat de tenoren van dit complot (Danië Deconinck, Antoon Roosens, Roger Bourgeois en Staf Verrept) geen 'zuivere' Vlaams-nationalisten waren? Vragen, die ons inziens een duidelijk meer genuanceerd antwoord verdienen dan de klassieke dooddoener dat het sociaal-flamingantisme een aberratie was, een misstap in de geschiedenis van de Vlaamse Beweging van een kleine, onbeduidende, linkse groupuscule die op de kar wilde springen van het partijpolitieke Vlaams-nationalisme, dat in de lift zat, om hun allerindividueelste wensen in vervulling te zien gaan.

Aan de hand van geraadpleegd bronnenmateriaal (krantenknipsels, tijdschriften, ...) zullen we pogen het sociaal-flamingantisme historisch te situeren en het belang ervan af te wegen. Wij moeten ons noodgedwongen hoofdzakelijk baseren op de 'memoires' van Staf Verrept, één van de hoofdrolspelers die in 1966 post factum in een brochure Een nieuwe horizon voor de Vlaamse strijd de gebeurtenissen chronologisch heeft weergegeven, weliswaar gezien door zijn subjectieve bril. Het is wachten op het tweede deel van de memoires van een andere hoofdrolspeler, Frans Van der Elst, aan de andere kant van de barricade dan wel, om enige nuancering aan te brengen. Een diepgaande analyse van het fenomeen 'Vlaamse Democraten' vergt verder bronnenonderzoek (archiefmateriaal aangevuld met interviews).

Heropleving van de niet-partijpolitieke Vlaamse Beweging

De Vlaamse Democraten zijn niet uit het niets opgedoken, ze kenden een voorgeschiedenis. Naar het einde van de jaren vijftig toe kwan de niet-partijpolitieke Vlaamse Beweging opnieuw uit de catacomben. Onder impuls van voornamelijk de Vlaamse Volksbeweging (VVB) en de drie fondsen (Davidsfonds, Vermeylenfonds en Willemsfonds) en het Vlaams Komitee voor Brussel, diende een Vlaams Aktiekomitee Brussel en Taalgrens (VAKBT) zich aan als opvolger van et ter ziele gegane Algemeen Vlaams Comité (AVC) als motor van een hernieuwde Vlaamse Beweging. Acties tegen de talentelling of voor een Vlaamse dag op de Expo '58 (de wereldtentoonstelling in Brussel) maakten de Vlaamse kwestie opnieuw tot een politiek 'issue'. Een aantal jonge turken (Wilfried Martens, Daniël Deconinck, Antoon Roosens, ...) gingen mee aan de kar duwen met de oudere generatie flaminganten (Amter, algemeen secretaris van het Davidsfonds en voorzitter, sinds 1962, van het VAKBT, Jozef Van Overstraeten van de VTB-VAB, Edgar Van Cauwelaert, secretaris en later voorzitter van het Vlaams Komitee voor Brussel, ...). Deze samenwerking culmineerde in de beginjaren zestig tot een politieke agitatie die zijn vruchten begon af te werpen: de eerste (1961) en de tweede (1962) mars op Brussel brachten tienduizenden Vlamingen op de been en leidden tot een verhoogde activiteit van de niet-partijpolitieke Vlaamse Beweging. Ook niet-katholieke vlaamsgezinden vonden voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog opnieuw hun weg naar die Vlaamse Beweging, en hadden enige inbreng in de VVB, die samen met het VAKBT de motor werd van deze vernieuwing. Toen de Vlaamse Beweging dan uiteindelijk de federalistische toer opging, haakten de klassieke 'vrijzinnige' verenigingen (Willemsfonds en Vermeylenfonds weer af.

De politieke horizont van de klassieke Vlaamse Beweging werd inderdaad verruimd. Men keek met veel belangstelling naar hetgeen gebeurde bezuiden de taalgrens, waar de Mouvement Populaire Wallon (MPW) met aan het roer de wallingantische volksmenner André Renard de lakens uitdeelde en de Waalse Beweging, uit revanche voor de geleden nederlaag bij de winterstakingen tegen de Eenheidwet (1960-'61) de radicaal federalistische en travaillistische toer opging. De klassieke grieventrommel werd ook langs Vlaamse zijde aangevuld met dezelfde - zij het in duidelijk mindere mate - federalistische en travaillistische toer opging. De derde mars, ditmaal in Antwerpen, in het najaar van 1963, werd opnieuw georganiseerd door het VAKBT en stond dan ook in het teken van federalisme en economische structuurhervormingen. Deze laatste eis werd eraan toegevoegd op verzoek van sommige 'progressieve' leden van het inrichtend comité, aldus J. Vinks in zijn Van repressie tot Egmont.

De 'federalistische mars' was een keerpunt in de Vlaamse strijd. De betoging kwam na Hertoginnedal, dat het failliet inluidde van de traditionele Vlaamse taalstrijd. De federalisten wilden die taalstrijd verruimen tot een politieke strijd voor federalisme en structuurhervormingen.

Het Pennoen: broeikas van het sociaal-flamingantisme

De betoging in Antwerpen, die Staf Verrept tot een hoogdag van het sociaal-flamingantisme uitriep, was de eerste grote publieke uiting van de accentverschuiving binnen de Vlaamse Beweging.

Het sociaal-flamingantisme was gekiemd in een aantal kleine maar betekenisvolle groepen binnen de Vlaamse Beweging en vond een spreekbuis, in de eerste plaats binnen het links-flamingantische maandblad Het Pennoen. Ook het weekblad De Nieuwe, dat in april 1964 boven de doopvont gehouden werd en het jezuïetenblad De Linie opvolgde, zou vanaf zijn prille ontstaan voluit zijn kolommen openstellen voor de sociaal-flaminganten.

Het maandblad Het Pennoen, dat door de flamboyante, extravagante flamingantische heelnederlander Jan Olsen werd gesticht (1950) en gedragen, stelde vanaf het midden van de jaren vijftig zijn kolommen open voor een aantal nieuwe figuren binnen de Vlaamse Beweging. De koppige 'Westvlaamse Brusselaar' Daniël Deconinck, reeds vanaf 1956 actief binnen het Davidsfonds en sinds 1961 tot kamerlid voor de VU in Brussel gekozen, de intellectueel Antoon Roosens die vanuit het Vlaams Komitee voor Brussel de beweging bevruchtte met zijn ideeën,... lanceerden hun nieuwe visies op de Vlaamse strijd via Het Pennoen. Deze nieuwelingen konden het vinden met Jan Olsen en oudgediende Staf Verrept. Laatstgenoemde had reeds een opmerkelijke staat van dienst: hij was als VNV'er voor de oorlog, mee in de collaboratie gestapt, maar verzeilde evenals Jan Olsen vanaf 1941 in de Dietse verzetsbeweging Nederland Eén. Na de oorlog stond hij mee aan de wieg van een zich herstellende Vlaamse Beweging.

Vanuit de tijdschriftredactie werd de klassieke Vlaamse Beweging gestuwd in sociaal-flamingantische richting. De Pennoen-boys poogden hun ideeën ('Vlaamse strijd is ook sociale strijd') in de praktijk om te zetten door middel van de organisatie van een resem manifestaties van Vlaams en sociaal bewustzijn: er vonden Vlaams-Waalse congressen plaats in de beginjaren zestig waar Waalse federalisten aanwezig waren; er werden studiedagen opgezet waar de sociaal-flamingantische doctrine werd opgebouwd. Nagenoeg alle figuren die zich later als Vlaamse Democraten aandienden, kregen een spreekbuis in Het Pennoen. Zo ontstond een identificatie van Het Pennoen met de Vlaamse Democraten.

Hertoginnedal: de aanzet tot Vlaamse frontvorming

Hertoginnedal in juli 1963 betekende een scheiding in de geesten. Het communautaire vergelijk waarbij zes randgemeenten rond Brussel werden 'begiftigd' met een faciliteitenregeling, was de zoveelste abdicatie van de Vlaamse vleugel binnen de CVP en werd als compromis door de niet-partijpolitieke Vlaamse Beweging als een grote nederlaag beschouwd.

De regering Lefèvre-Spaak (1961-1965) had zich verder voorgenomen definitief de communautaire kwestie te regelen door middel van een grondwetsherziening. En roen reeds dacht men aan een vergrendeling van de Vlaams demografische meerderheid.

De relatieve zwakte van de nationalistische partij (5 kamerzetels in 1961) enerzijds, en de spirit van de niet-partijpolitieke Vlaamse Beweging anderzijds, deed een aantal mensen van die beweging denken aan andere partijformules om de Vlaamse kwestie te beslechten. Men dacht dat een louter nationalistische partij geen voldoende breed alternatief bood om de balans in het voordeel van Vlaanderen te laten doorwegen. Men meende wellicht met het Waalse voorbeeld voor ogen dat een werkelijk breed Vlaams front dit wel kon.

Februari 1964: de eerste poging tot brede Vlaamse frontvorming mislukt

Staf Verrept getuigt dat de poging tot frontvorming van Vlaamse federalisten (Vlaams-nationalisten en sociaal-flaminganten) in twee fasen verliep.

Een eerste poging, met de bedoeling tot een zeer breed Vlaams front te komen, werd ondernomenin het voorjaar van 1964. Een tweede poging vond plaats in het najaar van 1964 en was beperkt tot Brussel en Brabant. Ook deze poging mislukte begin februari 1965: Vlaams-nationalisten en sociaal-flaminganten trokken in verspreide slagorde naar de verkiezingen.

Verrept stelt in zijn memoires "dat na Hertoginnedal vrij spontaan een beperkte gespreksgroep van verdienstelijke en bekwame mensen ontstond die bereid waren of overwogen politieke (hij bedoelt natuurlijk partijpolitieke) verantwoordelijkheid op te nemen. Ondanks de fundamentele bezwaren die de meesten tegen de Volksunie hadden, omwille van haar ideologie en haar vaak trieste wijze van optrden, was men akkoord om over verschillende bezwaren heen te stappen teneinde een verdere doorbraak van het Vlaams radicalisme mogelijk te maken." Einde citaat.

Het terrein werd voorbereid binnen en buiten de Volksunie.

Binnen de VU was er vooral sympathie van algemeen partijsecretaris Wim Jorissen. In februari 1964 gaf hij duidelijk aan het idee van frontvorming zijn zegen. In Het Pennoen lanceerde Wim Jorissen een oproep voor een breed Vlaams front ("een verkiezingskartel tussen de Volksunie en de honderdduizenden Vlaamsgezinden die nog geen plaats vonden maar na Hertoginnedal definitief afhaakten van de kleurpartijen.") (3)

In dezelfde lijn, met het oogpunt op de nakende grondwetsherziening en de parlementsverkiezingen, pleitte Daniël Deconinck in het VU-maandblad Kijk Zelf(4) voor een breed Vlaams front dat "een schok moest verwekken dat spijts alle voornemens de opkalefatering van de unitaire staat onmogelijk wordt waardoor meteen de weg voor het federalisme vrijkomt". Deconinck had het over de vijf federale landdagen die vanaf 1959 mede onder zijn impuls in Brabant georganiseerd werden. Deconinck verwees ook uitdrukkelijk naar de VU-congressen te Antwerpen en vooral te Mechelen (1963). Dit laatste stond duidelijk in het teken van federalisme en economische democratie, en er werd in resoluties gepleit voor diepgaande structuurhervormingen op politiek en economisch vlak. De resoluties van het congres van Mechelen waren voor een groot gedeelte ingekleurd door het nieuwe ideeëngoed van de niet-partijpolitieke Vlaamse Beweging.

Buiten de Volksunie was er onder meer belangstelling en inzet van een Maurits Coppieters. Deze speelde een voortrekkersrol. Ook hij, als vurig federalist, meende dat het tijd was om de Rubicon over te steken. Vanuit de Vlaamse Volksbeweging bereidde hij de overstap naar een partijpolitiek engagement voor. Aanvankelijk was hij sterk betrokken bij de poging tot brede Vlaamse frontvorming. Samen met Verrept stelde hij in februari 1964 het bewuste memorandum op, dat aan de leiding van de VU werd overgemaakt tot bespreking. Nadien trok Coppieters zich om vrij onduidelijke redenen terug. Hij zou bij de verkiezingen van mei 1965 tot VU-parlementair worden verkozen.

Verder onderzoek moet uitsluitsel geven over de rol van Coppieters. Hijzelf heeft later verklaard dat het conflict VU-Vlaamse Democraten "helemaal niets met ideeëngoed te maken had, geen kwestie van links of rechts, het ging niet over de vraag of in een nationalistische beweging wel of geen plaats is voor linksen..."(5).

Ook de rol van publicist Mark Grammens, die in de periode van de Vlaamse democraten zeker achter de schermen een grote inbreng heeft gehad, moet verder worden onderzocht. Bekend is dat hij met zijn weekblad De Nieuwe de Vlaamse Democraten mee gepromoot heeft (zie verder). Minder bekend is dat hij in de beginfase, reeds in februari 1964 bij het versturen van het memorandum, als 'verbindingsman' en 'bemiddelaar' tussen de VU-leiding en de groep Verrept-Coppieters optrad.

Uit de geschriften van Verrept zou men kunnen concluderen dat het vooral Frans Van der Elst zelf is geweest, naast de vleugel rond Leo Wouters, oud-VNV'er, ondervoorzitter van en kamerlid voor de VU, die van in het begin reeds een breed Vlaams front zoals de groep Verrept-Coppieters het voorstelde, onmogelijk maakte. Van der Elst zou onder meer van in de beginfase gesteld hebben dat er in de VU geen plaats was voor 'socialisten' zoals Verrept, net zo min als de partij eraan dacht met travaillisten samen te werken.

Niettemin vonden er besprekingen plaats in februari en maart 1964, die, zo schrijft Verrept, leidden, na een cavalier-seul optreden van Coppieters, tot een afhaken van deze laatste en tegelijk het doodvonnis van een werkelijk breed Vlaams front dat veel ruimer zou zijn dan de VU.

Hiermee was de eerste fase van de Vlaamse frontvorming afgesloten.

De tweede poging: de Vlaamse Democraten

Het Vlaams front werd nadien op gemeentelijk vlak uitgetest in Brussel. Alleen in Brussel en Brabant bleef het contact tussen VU en niet-partijpolitieke sociaal-flaminganten bestaan, en gingen de gesprekken van het voorjaar 1964 voor, getuigt Verrept.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1964 scoorde de Vlaamse lijst Brusselse Belangen ("een lijst die los staat van elke gevestigde partij, ook van de VU, en mensen uit alle politieke horizonten wil verenigen", aldus Daniël Deconinck) vrij goed: een verdriedubbeling van het aantal stemmen, vergeleken met de VU-lijst van 1960. Concreet resultaat was één gekozene, Daniël Deconinck.

Ondertussen ontpopte Staf Verrept zich naast Antoon Roosens al spoedig tot de 'ideoloog' van het sociaal-flamingantisme. In juni 1964 vertolkte hij het reeds als volgt: "Wij hebben reeds jaren gekozen voor een sociaal-flamingantisme, voor een modern en revolutionair Daensisme, voor een echt Vlaams front dat streeft naar een Vlaanderen dat ook staatkundig de uitdrukking moet zijn van een economisch rechtvaardig hervormde maatschappij. Van een volksgemeenschap waarin alle klasseprivileges die op geldbezit steunen, zullen afgeschaft zijn. Dat is geen pleidooi tegen rechtmatige eigendom, zonder welke de mens niet werkelijk vrij kan zijn. Wij vechten voor een Vlaanderen waarin niet elkeen voor zichzelf leeft doch allen voor elkaar. De vernieuwingsideeën van het sociaal-flamingantisme spreken steeds sterker tot de jongere generatie, die zich bewust wordt dat ze naar eigen inzicht en op eigen kracht moet durven handelen. De tactische wegen die ons naar ons doel kunnen leiden, zijn belangrijk, doch nooit zo belangrijk dat ze ons tot onaanvaardbare compromissen mogen brengen.
In het licht van een beslissende krachtmeting tussen unitarisme en federalisme in België, zijn wij bereid onze volle verantwoordelijkheid overal en in alle omstandigheden op te nemen. Sommigen onder ons desgevallend ook op het vlak van de partij-politieke strijd, doch dan op basis van eerbied voor onze opvattingen en 'vrij'blijvend onze eigen visie op de Vlaamse Beweging te handhaven en uit te dragen
".(6)

Antoon Roosens drong in zijn toespraak bij de geslaagde betoging te Overijse (tegen de aanhechting van het Vlaamse gehucht La Corniche bij La Hulpe) op 30 mei 1964 aan op een tactisch bondgenootschap van de Vlaamse met de Waalse Beweging.

In diezelfde maand juni 1964 nam Roger Bourgeois, arrondissementeel secretaris van de CVP Brussel-Halle-Vilvoorde, ontslag "omdat hij zich niet langer kon verzoenen met de unitaire politiek van de CVP (Van den Boeynants...), met het feit dat de CVP een centrumpartij wou zijn en een klerikale partij bleef". Dit feit, het ontslag van Bourgeois uit de CVP, is belangrijk tegen de achtergrond dat Bourgeois nadien in oktober de groep Verrept-Roosens zou versterken.

De gemeenteraadsverkiezingen van 11 oktober 1964 brachten dus de verkiezing mee van Daniël Deconinck op de Vlaamse frontlijst in Brussel. Het ogenblik was rijp voor een nieuwe poging tot frontvorming met het oog op de parlementsverkiezingen. Verrept getuigt dat nu voor een andere tactiek werd gekozen. Het creëren van voldongen feiten. Wetende dat gesprekken met Frans Van der Elst en andere conservatieve leiders van de VU niets zouden uithalen, besloten zij de strijd 'hard tegen hard' te spelen.
Op 22 oktober 1964 kondigden Bourgeois, Roosens en Verrept enerzijds en VU-kamerlid Deconinck anderzijds, op een persconferentie de oprichting aan van het 'Vlaams eenheidsfront' in Brabant. De Vlaamse Democraten waren geboren.

De vier initiatiefnemers kondigden aan dat bij de komende parlementsverkiezingen een Vlaams eenheidsfront voor de provincie Brabant de plaats zou innemen van de Volksunie. De vier stelden ook een belangrijk ideologisch manifest voor.
Belangrijke krachtlijn in dit manifest is dat het federalisme niet alleen als kiesplatform werd gekozen, maar ook aanzien werd als instrument voor een nieuwe maatschappelijke ordening.

Uit de memoires van Verrept weten we dat dit manifest tactisch was voorbereid. Het werd, schrijft Verrept, met voorkennis van Wim Jorissen opgesteld, omdat men wilde voorkomen dat Daniël Deconinck in een geïsoleerde positie zou geraken in de partij.
Het moet ons dan ook niet verwonderen dat naast Mark Grammens ook Wim Jorissen, zelfs in De Nieuwe, dit initiatief toejuichte.

Partijvoorzitter Van der Elst evenwel reageerde vrij scherp met de melding dat de VU zich niet gebonden voelde door de persoonlijke verklaringen van Daniël Deconinck en dat men niet zinnens was zich bij de eerstkomende verkiezingen te onthouden in de 17 Vlaamse arrondissementen. Drie van de vier 'Vlaamse Democraten' benadrukten ter verduidelijking dat inderdaad de VU en de Vlaamse Democraten twee afzonderlijke entiteiten bleven en dat het enkel een electoraal kartel betrof. Wim Jorissen schreef een week later in De Nieuwe dat alles op een misverstand berustte. Het misverstand was echter een conflict geworden. Bewust, schrijft Verrept nadien in zijn memoires, omdat vanuit ons standpunt bekeken, een open conflict met de Volksunie noodzakelijk was om het partijbestuur te dwingen haar verantwoordelijkheid in verband met een Vlaamse frontvorming openlijk op te nemen. De ervaring van het voorjaar van 1964 indachtig, waar de gesprekken en onderhandelingen in alle beslotenheid plaatsgrepen, werd de VU-top dus voor voldongen feiten gesteld. Door de publicatie van dit manifest en een persconferentie moest de VU nu openlijk stelling nemen.

Wie de pers van die bewogen weken doorneemt, kan vaststellen dat VU-partijsecretaris Wim Jorissen het initiatief van de Vlaamse Democraten genegen bleef (hij kon moeilijk anders als quasi-auteur) en dat algemeen VU-voorzitter Frans Van der Elst zeer wantrouwig stond t.a.v. dit initiatief en de figuur van Daniël Deconinck. De pers schreef in dit verband dat het ook om een personenconflict tussen Deconinck en Van der Elst ging: Van der Elst woonde in Brussel maar kandideerde in 1958 en 1961 te Antwerpen, maar zou nu liefst de lijst trekken in Brussel, waardoor Deconinck natuurlijk moest wijken. Van der Elst schreef daarover in 1974: "de grondoorzaken van de moeilijkheden die wij met hem (= Deconinck) tegenkwamen, waren enerzijds zijn karakter, zijn koppige eigenzinnigheid, anderzijds het feit dat hij geen Vlaams-nationalist was en aan de partij een andere ideologische grondslag wilde geven wat totaal onmogelijk was zonder de partij in een zware crisis te storten en te vernietigen. Hij zocht het slechts vrij verward in een filosofisch integraal federalisme en in een linkse oriëntering."

Wat de rol van Jorissen betreft, blijven er vraagtekens rond zijn engagement in de hele operatie. Pikant detail is wel dat in het boek Twintig jaar Volksunie, dat in 1974 werd gepubliceerd, met geen woord gerept werd over de rol van Wim Jorissen; in Dertig jaar Volksunie, Op de Barricaden, dat in 1984 van de pers rolde toen Jorissen reeds overleden was, krijgen we een ander verhaal te lezen en heet het dat "Wim Jorissen min of meer in de ban geraakt was door de bizarre ideeën van Deconinck. De idee om in één slag de politieke kaart te vertekenen en de operationele basis te verruimen, moet hem (Jorissen) aangetrokken hebben." Men besluit wel met te stellen: "zijn fundamentele verkleefdheid aan de VU en het Vlaams-nationalisme bleef daarbij volkomen buiten kijf."

In de pers werd het conflict ook bestempeld als een ideologisch conflict tussen de strijders van het eerste uur (de 'echte' nationalisten) en de strijders van het tweede uur: de 'progressisten' die via de VVB (Coppieters) en het Vlaams Aktiekomitee (Roosens) in de partijpolitiek zijn getreden.

De scherpslijpers in de VU en aan de rand van de VU, de zuiveren van de zuiveren, trokken inderdaad hard van leer. 't Pallieterke trok alle registers open. In De Nieuwe en Mark Grammens vonden de Democraten een spreekbuis, want het was blijkbaar opnieuw Mark Grammens die het pad voor de Vlaamse frontvorming in Brabant had geëffend.(7)

In februari 1965 sprongen de onderhandelingen tussen de groep Vlaamse Democraten die stelden dat het VU-arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde en Leuven achter hen stonden, en het partijbestuur van de VU, definitief af.

Hier lopen de versies helemaal uit mekaar.

Twee klokken

De officiële VU-geschiedschrijving heeft het over "een linkse infiltratie die zich van de partij trachtte meester te maken... Om geen enkele kans op verruiming te veronachtzamen, bleef de VU onderhandelen met de Vlaamse Democraten... De onverzadigbare mandatenhonger van de Vlaamse Democraten maakte midden februari een einde aan ieder gesprek."(8)

Langs de kant van de Vlaamse Democraten, hoorde men een andere klok: niet de mandatenhonger, maar de ideologische tegenstellingen, waren de grondoorzaak.

De frontvorming werd breed in de pers uitgesmeerd. Langs de ene zijde had je bijvoorbeeld pater Marcel Brauns, een moraal-theoloog en bijbelspecialist, "een profeet van de 'wrake', die met het vlammende zwaard in de vuist, tweedracht en haat predikte", aldus Verrept. Brauns mengde zich in het debat en dreigde met saneringslijsten (de zuiveren van de zuiveren) op te komen. De VUM-militanten uit Antwerpen (Volksuniemilitanten, een intermezzo binnen de ontwikkeling van de Vlaamse Militanten Orde, VMO) gingen zich zelfs manu militari bemoeien; ook het maandblad Dietsland-Europa van Karel Dillen kwam tussen in het debat.

Langs de andere kant had je Mark Grammens met De Nieuwe, de mensen van het weekblad Links en zelfs De Rode Vaan, die de verdediging van de Vlaamse Democraten op zich namen.

Een VU-commissie

De pamflettenoorlog resulteerde in de idee van het installeren van een commissie binnen de VU die de dialoog met de Vlaamse Democraten aanging en moest onderzoeken wat mogelijk was (en vooral moest voorkomen dat er een eventuele scheuring kwam, aan de rechterzijde). De rijzende ster aan het VU-firmament, Hugo Schiltz, werd met de ondankbare taak van commissievoorzitter belast.

De commissie werd het einde van de onderhandelingen VU-Vlaamse Democraten. De VU-geschiedenis vermeldt: "Om geen enkele kans op verruiming te veronachtzamen, bleef de VU onderhandelen met de Vlaamse Democraten, bij wie D. Deconinck zich nu duidelijk gevoegd had. Aan VU-zijde werden de onderhandelingen geleid door Hugo Schiltz. De onverzadigbare mandatenhonger van de Vlaamse Democraten maakte midden februari een einde aan elk gesprek." Maurits Coppieters heeft het over "die ongelooflijk ontactische houding van Roosens en Deconinck die zich onvoldoende realiseerden dat de VU al een uitgebouwd geheel was waarin niet al te veel improvisatie meer mogelijk was."

Schiltz hierover: "Ik raakte bij de zaak betrokken door een machiavellistische zet van Van der Elst, die mij aanduidde om de onderhandelingen met de Vlaamse Democraten te voeren. Van der Elst vertrouwde mij: hij wist dat ik mij niet zou laten overbluffen door die mensen die met megalomane ideeën rondliepen."(10)

Uit de 'Monologen' met Hugo Schiltz kunnen we concluderen dat de VU-top inderdaad vond dat iedereen die aan dit Vlaams front meedeed, het partijprogramma van de VU moest accepteren. Geen frontvorming tussen groepen dus, maar een frontvorming binnen de partij. Nogmaals Schiltz: "Over de inhoudelijk kant heb ik verregaande onderhandelingen gevoerd, maar ik gaf nooit toe aan het plan om in Brabant met een eigen partij te beginnen. Pas achteraf besefte ik dat een aantal van die mensen (Roosens en Bourgeois) binnen de VU een putsch wilde plegen." Ook Schiltz meent dat "de machtshonger van de democraten zo groot was dat ze elk realisme uit het oog verloren."

Verrept onderschrijft de stellingen van Schiltz voor een gedeelte. Hij stelt dat men steeds geweigerd heeft het bestaan van de Vlaamse Democraten als groep te erkennen, dat een spoedige integratie in de partij werd geëist, dat eventuele gekozenen uit de groep Vlaamse Democraten zich moesten onderwerpen aan de partijtucht. Verrept geeft toe dat inderdaad 'tegenwaarborgen' (van de kant van de Democraten) in de vorm van mandaten werden geëist in de onderhandelingen: het ging om één mandaat voor Roosens in de Kamer en één mandaat voor Verrept in de Senaat.

Orde op zaken

Midden februari barstte de bom en maakte de VU in een soort radio- en TV-ultimatum korte metten met de Vlaamse frontvorming, aldus Verrept.

Ondertussen had de VUM (VMO-nieuwe stijl), op vraag van Van der Elst 'orde op zaken' gesteld op het partijsecretariaat in Brussel, aldus Rudi Van der Paal, éminence grise van de rechtervleugel van de VU, trouwens ook stichtingssecretaris van de partij. De man belast met de administratieve leiding van het partijsecretariaat, die 100% de Vlaamse Democraten steunde, werd op staande voet ontslagen. Nadien bleek dat de steekkaarten van de VU-leden verdwenen waren...(11)

De partijraad van de VU velde het verdict en keurde op 13 februari 1965 met een grote meerderheid, 44 tegen 3 bij 3 onthoudingen, Deconinck af en schorste hem. Deconinck stapte prompt over naar de Democraten.

Op 19 februari 1965 publiceerde Mark Grammens als reactie op de breuk, in De Nieuwe zijn inmiddels berucht geworden hoofdartikel Wij willen niet een Vlaanderen, maar een schoon Vlaanderen, waarin hij radicaal partij koos voor de Democraten en de VU zwaar aanviel. Dat kostte hem niet alleen een massa abonnees, maar lokte ook een repliek uit van Karel Dillen in Dietsland-Europa. Zijn 'Open brief aan Grammens jr.' eindigde met de slotparagraaf: "Medelijden, mijnheer Grammens jr., medelijden. Maar dit medelijden laat me niet mijn plicht vergeten tegenover mijn nationalistische kameraden. Die plicht eist: gedaan met u, voor altijd. Ik heb uw artikel gelezen, mijnheer Grammens jr., - doortrekken, doorspoelen en handen wassen. En niet tot weerziens."

Ook voor Dillen was vooral Antoon Roosens de kwade genius van de groep: "de werkelijk gevaarlijke man achter de Vlaamse Democraten was advocaat Roosens. Een uiterst links iemand die nog op Cuba gewoond had." Je kan het zo lezen in een recent verschenen boek over Dillen.(12)

De verkiezingen van mei 1965

De Vlaamse Democraten kwamen dus met aparte lijsten op in Brabant, maar ook met eenmanslijsten in de arrondissementen Roeselare-Tielt, Tongeren-Maaseik en Hasselt. De kiesstrijd was ongenadig scherp: langs beide zijden werden schimpscheuten gegeven. Zo werd b.v. in de VU-campagne gesteld dat de Democraten voor het indienen van hun lijsten een beroep moesten doen op een hele reeks Franstalige peters. Langs de kant van de Democraten had men het over de reactionaire VU...

De verkiezingen draaiden uit op een debâcle voor de Vlaamse Democraten. Globaal behaalden zij 7.983 stemmen (in Brussel-Halle-Vilvoorde 6.553 stemmen voor lijsttrekker Deconinck, in Leuven 1.056 stemmen voor Roosens, in Roeselare haalde men 114 stemmen, in Hasselt 105 en in Tongeren-Maaseik 155 stemmen).

Het einde en de nasleep

Dietsland-Europa en 't Pallieterke maakten het proces van de Democraten, maar ook en vooral van zij die hen gesteund hadden. Wim Jorissen was kop van jut. 't Pallieterke: "Mijn brief. Aan de heer W. Jorissen, senator, Brussel. Op hetzelfde ogenblik dat de arbeiders zoals op 23 mei zou blijken, zich klaarmaken om uit de socialistische partij weg te vluchten en naar rechts te zwenken, orakelden onze progressisten dat de VU een soort bijhuis van de BSP moest worden om ook het rood werkvolk aan te lokken... Ik weet niet hoeveel overtuiging er zat in uw progressisme, hoeveel humeurigheid en hoeveel onverteerde rancune. Ik elk geval hebt gij bewust of onbewust een grote denkfout begaan. Een denkfout die u, ook al hebt gij Daniël Deconinck zijn laatste zotternij alleen laten begaan, politiek gesproken een bank achteruit heeft geplaatst."(13)

In Het Pennoen daarentegen kreeg Daniël Deconinck een eresaluut: "Wij wensen aan Daniël Deconinck, de moed van een Jaurès die naar zijn krant telegrafeerde: ik ben met een grote meerderheid verslagen... leve de sociale republiek!"(14)

De groep van Vlaamse Democraten viel quasi onmiddellijk uiteen. Roosens, Verrept en Bourgeois, maar niet Deconinck, besloten in juli 1965 reeds tot de oprichting van de zoveelste doodgeboren partijpolitieke formatie links van de BSP met als orgaan het tijdschrift Richting (1966-1968). Hiermee kozen de promotoren van de Vlaamse frontvorming nu wel definitief voor een marxistische optiek. De die-hards in de Vlaamse Beweging dachten zelfs dat Deconinck door de scheiding van zijn companen, opnieuw lonkte naar de VU. Pol Van Caeneghem, in zijn jonge jaren redactielid van Dietsland-Europa, schreef hierover: "Welnu, indien onze veronderstelling waar zou blijken te zijn, willen wij zeer duidelijke taal spreken: geen enkele nationalist zal dulden dat ooit maar één enkel ogenblik de terugkeer van Deconinck naar de VU ter sprake komt!... Daarom onderschrijven wij volmondig wat tijdens de meeting voor het Zangfeest door een spreker werd gezegd: de Democraten zijn buiten, en blijven buiten. In het belang van de Vlaams-nationale partij zelf, hopen en betrouwen wij erop dat dit geen ijdele belofte zal zijn!"(15)

In april 1967 werd (zonder Verrept) het Democratisch Aktiekomitee opgericht, en daarna kwam er een versmelting met de Socialistische Beweging Vlaanderen. Dit mondde ten slotte uit in het tijdschrift Rood, dat nog later in handen van trotzkysten overging.

Een aantal 'mindere goden', zoals Paul Martens en André Monteyne, die ook actief waren in de Vlaamse Democraten, vonden rond 1970 weer hun weg naar de Volksunie.

Antoon Roosens werd actief ter linkerzijde en is thans ere-voorzitter van het Masereelfonds. Daniël Deconinck ten slotte bleef de band met de Vlaamse Beweging goed bewaren, en blijft zich nog steeds goed thuisvoelen in die beweging. Hij was zeer actief in de strijd tegen het Egmontpact (net als Roosens en Bourgeois trouwens), en thans heeft hij zijn tweede jeugd gevonden in het verzet tegen de Sint-Michielsakkoorden.

(1) F. Van der Elst, in Twintig jaar Volksunie, 1974.
(2) M. Ruys, Een tragische partij, in Op de Korrel, De Standaard, 2 april 1993.
(3) W.J., Allen één front, Het Pennoen, februari 1964.
(4) D. Deconinck, De Vernieuwing, in Kijk Zelf, april 1964.
(5) M. Coppieters, in Waar is nu mijn mooie boomgaard, 10 politieke portretten
(6) S. Verrept, Gisting op het Vlaamse front, in Het Pennoen, juni 1964.
(7) M.G. stelde in De Nieuwe dat nu na de gemeenteraadsverkiezingen resoluut naar Vlaamse frontvorming moest gestreefd worden (M.G., Nu de keuze, De Nieuwe, 16 oktober 1964).
(8) Toon Van Overstraeten e.a., Op de Barricaden, 30 jaar Volksunie, 1984.
(9) M. Coppieters, o.c.
(10) Hugo Schiltz in K. Hoflack, Monologen met Hugo Schiltz, 1992.
(11) K. Luyckx, Het zal je kind maar wezen. Openhartig gesprek met de stichters van de VU, vroeger en nu.
(12) P.J. Verstraete, K. Dillen. Portret van een rebel.
(13) 't Pallieterke, 10 juni 1965.
(14) Blitz 1965, in Het Pennoen, juni 1965.
(15) P.V.C., Maar die kat kom weer? in Dietsland-Europa, juli-augustus 1965.