Nummer 30


Dossier | oktober 1997


Voor een nieuwe Vlaams-Waalse dialoog (2) (Antoon Roosens)<< Nummer 30

De tweede helft van de 20ste eeuw was een rampspoedig tijdperk voor de Waalse economie. Het aandeel van Wallonië in de Belgische loontrekkende werkgelegenheid daalde van 33% in 1957 tot 26% in 1993. Dit laatste cijfer is dan nog sterk gevleid, zoals verder zal blijken. De Waalse industrie bood in 1957 werk aan 467.000 loontrekkenden, toen goed voor 74% van de totale Waalse werkgelegenheid. In 1993 bleven er nog 169.000 arbeidsplaatsen over en viel het aandeel van de industrie in Wallonië op 20%.

Wat waren de oorzaken van deze regressie?

1. De wet van Darwin... of van het Belgisch holding-kapitaal?

De periode 1945-1985 kende twee belangrijke economische structuurwijzigingen. In een eerste fase, tot ongeveer het begin van de jaren zeventig, verschoof het zwaartepunt van de industriële activiteit, van de basisnijverheid zoals kolen, staal en zware metaalconstructie, naar de nieuwe 'technologische bedrijfstakken zoals scheikunde, electrische metaalconstructie en electronische apparatuur. Het is in deze nieuwe takken dat de multinationale ondernemingen, later uitgroeiend tot mondiale oligopolies, hun basis vonden.

Een tweede fase, vanaf het begin van de jaren zeventig tot het einde van de jaren tachtig, zag de definitieve verschuiving van het zwaartepunt van de gehele economie, van de secundaire sector (industrie) naar de tertiaire sector (diensten). Twee snelle en revolutionaire omwentelingen, waarop de Waalse economie niet - of onvoldoende - heeft ingespeeld.

In zijn Origin of species, gepubliceerd in 1859, toonde Darwin aan dat een soort ('species') - plant of dier - dat de hoogste graad van adaptatie heeft bereikt aan de specifieke levensomstandigheden van een bepaalde periode, minder kans maakt om te overleven wanneer deze levensomstandigheden een plotse gevoelige wijziging ondergaan. Het is, integendeel, een of andere variante van de soort ('species'), die minder volmaakt was geïntegreerd in het bestaande eco-systeem, welke - precies omwille van haar relatieve onaangepastheid - het snelst zal inspelen op de gewijzigde toestand en dus een grotere overlevingskans heeft in een volgende ontwikkelingsfase van het milieu.

Men kan, met alle vereiste nuances, een gelijkaardige "wet" bespeuren in de economische geschiedenis van landen of volkeren.

Gedurende de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw stond Wallonië aan de absolute top van de industriële wereld: 74% van zijn loontrekkende beroepsbevolking was tewerkgesteld in de nijverheid, en daarvan werkten er 2/3 in de basisnijverheid, koolmijnen, ijzer- en staalnijverheid en mechanische metaalconstructie. Toen deze traditionele nijverheid werd weggevaagd door de snelle expansie van de (multinationale) technologische industrie, was Wallonië structureel en mentaal niet voorbereid om bij deze mutatie aan te sluiten.

De Waalse arbeidende bevolking was sinds generaties gevormd en georganiseerd in functie van de grote ondernemingen in de basisnijverheid. Het gehele politieke en sociale leven, hun gehele cultuur, was erop afgestemd. Toen de eerste tekenen van verandering optraden was de natuurlijke reflex van de Waalse samenleving niet gericht op de omschakeling naar nieuwe activiteiten, maar wel op het behoud en de verdediging van de bestaande activiteiten, waarmee de bevolking zich als het ware had geïdentificeerd en waaraan zij sinds twee eeuwen haar voorsprong en voorspoed te danken had.

Dit vormde de ideale achtergrond voor de kortzichtige en egoïstische maneuvers waarmee het Belgisch holdingkapitaal, en het Belgisch establishment in zijn geheel, gereageerd heeft op de ineenstorting van de Waalse industrie. Het Belgisch kapitaal steunde, sinds 1830, nagenoeg uitsluitend op de Waalse basisindustrie. In combinatie met de koloniale exploitatie van de Kongolese grondstoffen, vormde deze industrie gedurende anderhalve eeuw een fenomenale basis van kapitaalsaccumulatie. De holdings zijn dan ook nooit geïnteresseerd geweest in onderzoek en investering in nieuwe technologieën. Toen het tij keerde, en de Amerikaanse en Duitse multinationals eerst Vlaanderen en daarna de wereld veroverden met hun nieuwe producties en technieken, hebben de Belgische holdings op geen enkel moment geprobeerd hun, nochtans reusachtige, kapitalen te heroriënteren naar deze nieuwe nijverheidstakken. Zij gooiden onmiddellijk de spons in de ring, en zij hadden enkel belangstelling en energie voor reddingsoperaties van hun eigen vermogen. Zij hebben de Belgische staat gebruikt om duizenden miljarden aan belastingsgelden te spenderen teneinde de sociale gevolgen van de liquidatie van hun industrieel imperium te ondervangen.

Daarna hebben zij zich teruggeplooid - "avec armes et bagages", als een leger in ordentelijke terugtocht - onder de vleugels van het Frans financieel kapitaal. De overname van de Société Générale door Suez was het einde van de Belgische bourgeoisie... en het begin van het einde van de Belgische staat.

Zelden heeft een leidende klasse zo schaamteloos gefaald in haar maatschappelijke plicht als behoedster van het algemeen belang. België heeft daarom elke legitimiteit verloren in de geesten van de Waalse bevolking.

*
* *

2. De mislukte tertialisering van de Waalse economie

Toen kwam de tweede golf van economische structuurwijzigingen aanzetten: de overgang van een in-dustriële naar een diensten-economie. En Wallonië miste weer eens de boot!

Reeds gedurende de jaren vijftig en vooral zestig, begon de groei van de werkgelegenheid in de industrie te vertragen. Dit was een gevolg van de verschuiving van het industrieel zwaartepunt, van de oude basisnijverheid naar de moderne consumptie-industrie.

De nieuwe technologieën lieten toe meer te produceren met minder arbeidskrachten. In Vlaanderen was het effect hiervan, in deze eerste periode, niet direct merkbaar. De industriële werkgelegenheid groeide er in totaal nog met 62.979 arbeidsplaatsen. De industrialisering van Vlaanderen steunde immers precies op deze nieuwe nijverheidstakken, en de toevloed van nieuwe ondernemingen compenseerde er de uitstoting van arbeidskrachten, in elke onderneming afzonderlijk, ingevolge de verhoogde productiviteit. In Wallonië daarentegen, liep de industriële werkgelegenheid in dezelfde periode terug van 467.508 tot 353.275 arbeidsplaatsen, omdat er geen - of onvoldoende - nieuwe industrieën de ineenstorting van de oude basisnijverheid kwamen compenseren.

Vanaf het begin van de jaren zeventig komt de uitstoting van arbeidskrachten uit de industrie in een stroomversnelling. In Wallonië verdwenen nog eens 183.957 arbeidsplaatsen in de industrie, tussen 1973 en 1993. Ook in Vlaanderen was de terugloop groot: van 809.474 arbeidsplaatsen tot 544.216; een netto-verlies van 265.258.

In Vlaanderen werd deze achteruitgang echter meer dan gecompenseerd door de gelijktijdige groei in de dienstensector: van 1.120.697 'tertiaire' arbeidsplaatsen in 1973, tot 1.633.039 in 1993: een aangroei met 512.342. De totale werkgelegenheid in Vlaanderen, alle sectoren samengenomen, steeg dus met 226.930 eenheden.

In Wallonië steeg de werkgelegenheid in de diensten, tijdens dezelfde jaren, eveneens: van 413.930 tot 596.899 arbeidsplaatsen, of een winst van 182.969. Maar aangezien het gelijktijdig verlies in de industrie groter was, daalde de totale Waalse werkgelegenheid, alle sectoren samen, met 18.402 eenheden.

*
* *

3. Solidariteit "op zijn Belgisch"

In werkelijkheid was de achteruitgang in Wallonië evenwel veel groter. De aangroei van de werkgelegenheid in de diensten kwam er voor 57% op rekening van een uitbreiding van de overheidsdiensten, onderwijs, gezondheidszorg en andere, door de overheid gefinancierde takken. Dit terwijl in Vlaanderen de aangroei in de tertiaire werkgelegenheid slechts ten belope van 42% in deze 'non-profit'-sector werd gerealiseerd.

Aldus komt men tot het resultaat dat in Wallonië meer dan 41% van de totale loontrekkende werkgelegenheid gesitueerd is in de overheidssector en andere door de staat gesubsidieerde sectoren, tegenover slechts 32% in Vlaanderen.

Nu is er, uit economisch oogpunt, geen enkel principieel bezwaar te formuleren tegen het feit dat de overheids- en non-profitsector het leeuwenaandeel van de werkgelegenheid voor hun rekening zouden nemen. Of dit aandeel 30% of 40% bedraagt, of zelfs 80% en meer, heeft op zichzelf geen enkel belang, zolang de algemene financiële evenwichten behouden blijven. Anders gezegd, zolang de economie in haar geheel een voldoende draagvlak biedt, d.i. voldoende inkomsten genereert, om deze diensten geleverd door de non-profitsector ook effectief te betalen.

Nu is het zo dat de gezwollen tewerkstelling in de Waalse overheids- en non-profitsector, financieel niet wordt gedragen door de Waalse economie zelf. Sinds het begin van de staatshervorming in de jaren zeventig, wordt een steeds toenemend aandeel van deze openbare gelden in België verdeeld tussen Gemeenschappen en Gewesten. Deze verdeling gebeurt geenszins volgens strikt objectieve criteria, bv. de verhouding van de bevolkingsaantallen, of de resp. bijdragen in het totaal bruto-binnenlands product. Het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschap krijgen systematisch een groter dan proportioneel aandeel toegestopt uit de zgn. federale staatskas, omdat de 'behoeften' er groter zijn dan in Vlaanderen.

Wallonië stopt dus 10% van zijn werkende beroepsbevolking in diensten, waarvoor niemand in Wallonië betaalt. Indien het op zichzelf zou staan, zou Wallonië deze 10% moeten financieren, ofwel door veel hogere belastingen te heffen dan in Vlaanderen, ofwel door een steeds oplopende overheidsschuld. In feite worden zij nu betaald door een transfer vanuit Vlaanderen, via het 'federale' België. Dit betekent een verarming, niet enkel voor Vlaanderen, maar ook voor Wallonië zelf. Want indien deze arbeidskrachten zouden ingezet worden in 'sociaal nuttige' taken, zou ook de globale waarde, geproduceerd door de Waalse economie, met 10% stijgen.

De statistisch hoge graad van tertialisering van de Waalse economie is dus helemaal niet het resultaat van een normale economische expansie. Wel van een grootschalige, maar economisch ongezonde 'sociale reddingsoperatie'.

*
* *

4. Officiële en verdoken werkloosheid in Wallonië

Niettegenstaande het feit dat zowat 10% van de Waalse beroepsbevolking van de werkloosheid wordt gevrijwaard door deze inflatie van de non-profitsector, blijft de activiteitsgraad er nog 5% beneden het peil van Vlaanderen. Uit de cijfers van de volkstelling van 1991 blijkt inderdaad dat het aandeel van de niet-werkenden in het totaal van de bevolking op actieve leeftijd (15 tot 64 jaar) in Wallonië 46,5% bedraagt, tegenover 41,5% in Vlaanderen.

Deze groep van niet-werkenden op actieve leeftijd omvat - naast de moeders/vaders aan de haard - onder meer de officiële werklozen; de werklozen niet opgenomen in de officiële statistieken (zoals deze ouder dan 50 jaar, de brug-gepensioneerden, de geschorste werklozen enz.); en tenslotte, en vooral, de personen ten laste van het OCMW, de ziekenfondsen, invaliditeitsfondsen, enz. Het is dit verschil van 5% van niet-werkenden op actieve leeftijd,dat wordt gefinancierd door de beruchte transfers in de sociale zekerheid.

Wallonië gaat dus gebukt onder een zeer zwaar 'sociaal deficit', dat zowat 15% hoger ligt dan in Vlaanderen, en dat wordt gedekt door de overdracht van federale gelden via gemanipuleerde verdeelsleutels, of via transfers in de sociale zekerheid.

Dat is "solidariteit op zijn Belgisch"!

*
* *

5. Het politieke probleem

Door de schuldige nalatigheid van het Belgische establishment werd Wallonië eerst economisch ten gronde gericht. Sindsdien wordt het, door het zgn. federale België, 'kunstmatig' in leven gehouden door de, in dit systeem ingebouwde, fiscale en sociale transfers. Vallen deze transfers weg, dan wordt Wallonië niet alleen een economisch rampgebied, maar bovendien ook nog een sociaal kerkhof.

Dit, en niets anders, is de oorzaak van het 'communautair' dovemansgesprek tussen Vlaanderen en Wallonië.

Economisch is Wallonië nochtans niet gebaat bij deze transfers, hoe paradoxaal dit ook moge klinken. Het krijgt hulp toegestopt - veel hulp! - maar in de vorm van vernederende en inefficiënte 'aalmoezen' aan zijn sociaal noodlijdenden. Dezen worden hierdoor vastgepind, hetzij in overtollige en economisch schadelijke diensten, hetzij in een permanente passieve afhankelijkheid. Een voortdurende aderlating voor de Waalse (en Vlaamse) economie.

Waaraan Wallonië nood heeft, zijn massale transfers van investeringskapitaal, waarmee het de nodige structurele aanpassingen zou kunnen financieren om zijn economie nieuw leven in te blazen, en om aan zijn bevolking een economisch nuttige en menswaardige arbeid te verschaffen.

Het is helaas niet van de Société Générale-Suez dat deze kapitalen zullen komen, noch van een mythisch 'sociaal Europa'. De bal ligt in het Vlaamse kamp! Daarover zullen wij het hebben in de volgende en laatste bijdrage in dit dossier.