Nummer 31


Dossier | november 1997


Voor een nieuwe Vlaams-Waalse dialoog (3) (Antoon Roosens)<< Nummer 31

Wallonië is sinds de laatste wereldoorlog terechtgekomen in een spiraal van economisch verval. Gedurende anderhalve eeuw stond het aan de top van de industriële ontwikkeling, met 74% van zijn loontrekkende bevolking tewerkgesteld in de nijverheid, waarvan twee derden in de zware basisnijverheid die, tot vijftig jaar geleden, het centrum vormde van de kapitaalaccumulatie. Dit industrieel imperium is verdwenen. En van een mogelijke omschakeling naar een moderne, technologische industrie kwam weinig of niets terecht, vooral door het gebrek aan visie en het klasse-egoïsme van de Belgische holdingbourgeoisie.

Ook de daaropvolgende overgang van een industriële naar een diensteneconomie, kwam in Wallonië niet echt van de grond. Hoewel 72% van de totale Waalse loontrekkende bevolking in de diensten werkt, is deze procentuele vooruitgang bij nader toezien niet zomaar het gevolg van een expansie van de dienstensector zelf, dan wel van een dramatische terugloop van de industriële werkgelegenheid, gekoppeld aan een stagnatie - of zelfs regressie - van de totale werkgelegenheid.

In de mate dat de dienstensector toch een zekere expansie kende, was dit dan nog hoofdzakelijk het resultaat van een - overigens lovenswaardige - bekommernis van de Waalse overheid om de stijgende werkloosheid in te dijken. Tienduizenden jobs werden gecreëerd in overheidsdiensten, onderwijs, gezondheidszorg en andere takken van de non-profitsector. En hoewel in Wallonië op die manier 41% van de totale werkgelegenheid (een mondiaal toppunt) gesitueerd is in de overheidssfeer, direct of indirect, blijft de totale werkgelegenheid, in verhouding tot de bevolking op actieve leeftijd, er zowat 5% lager liggen dan in Vlaanderen.

Vooral onrustwekkend is het feit dat de Waalse economie zelf een onvoldoende financieel draagvlak biedt om zijn overbezette non-profitsector te betalen. Dit gebeurt door een permanente transfer uit het Noorden, via de scheve verdeelsleutels van de 'federale' belastingsinkomsten. Hetzelfde geldt voor het Waalse surplus van 5% aan niet-werkenden op actieve leeftijd, dat wordt gefinancierd door Vlaanderen bij middel van transfers in de sociale zekerheid.

Door deze perverse vorm van 'solidariteit op zijn Belgisch' blijft zowat 15% van het Waalse arbeidspotentieel economisch steriel. Maar zonder deze transfers zou Wallonië onmiddellijk in een dramatische sociale noodsituatie terechtkomen. Zolang er geen geldig alternatief opduikt kan de Waalse politieke klasse dan ook niet anders dan dit Belgisch constitutioneel status quo met man en macht verdedigen.

Waardoor dan weer de kansen op een reële economische expansie, in Wallonië zowel als in Vlaanderen, gehypothekeerd blijven.

*
* *

1. Vlaamse zelfgenoegzaamheid en egoïsme

De reactie in Vlaanderen op deze Waalse tactiek van communautair immobilisme, getuigt van weinig politiek doorzicht. Vooral in economische en traditioneel flamingantische kringen heerst een stijgende irritatie tegen - en hooghartig misprijzen voor - dat 'failliete Wallonië' dat leeft op de kosten van een welvarend en werkzaam Vlaanderen. Deze zienswijze streelt de - traditionele - Vlaamse zelfgenoegzaamheid. Een gevaarlijke en politiek steriele houding!

Gevaarlijk, want de Vlaamse welvaart is slechts relatief en broos. De Vlaamse economie doet het goed... in vergelijking met de Waalse. Maar op zichzelf is de toestand minder rooskleurig. Zeker, Vlaanderen telt procentsgewijze veel minder werklozen dan Wallonië. En er werden bij ons minder werklozen 'weggemoffeld' in de ziekteverzekering en in overtollige non-profitdiensten.

Maar Vlaanderen telde, in 1993, nog meer dan een half miljoen werknemers in de nijverheid, hetzij 23% van de totale werkgelegenheid. Zonder Brussel bedraagt dat percentage, in de Vlaamse provincies, zelfs 28%. Welnu, men kan met zekerheid voorspellen dat, ingevolge de versnelde uitstoting van arbeidskrachten uit het industrieel productieproces, de werkloosheid in Vlaanderen in de nabije toekomst gevoelig zal stijgen. Renault was slechts een schot voor de boeg. Vlaanderen wordt van nu af kwetsbaarder dan Wallonië, waar de industriële werkgelegenheid reeds veel verder is uitgezuiverd. Tenminste indien we blijven vastzitten in de Belgisch-federale structuur, die Vlaanderen belet een radicaal nieuwe sociaal-economische politiek te voeren, gericht op de ontwikkeling van de eigen KMO's vooral in de dienstensector.

Het gevaar is dus dat wij, door dat neerbuigend misprijzen voor anderen, zouden vergeten dat wij ook dringend voor de eigen deur moeten gaan vegen. Bovendien heeft deze Vlaamse zelfgenoegzaamheid een psychologisch nefast effect in Wallonië, dat daardoor gestijfd wordt in zijn afwijzing van elke dialoog. Niet alleen in Wallonië, maar ook internationaal, wordt de Vlaamse houding als 'egoïstisch en bekrompen nationalistisch' gebrandmerkt.

*
* *

2. Vlaamse politieke puberteit

Anderzijds krijgt Wallonië, of althans zijn politieke leiding (voornamelijk de Parti Socialiste) in Vlaanderen de kwalijke reputatie het bolwerk te zijn - le dernier carré - van de oude Belgische staat. Zoals dikwijls het geval is bij sterk ideologisch-politiek gekleurde percepties, is dit een spiegelbeeld van de realiteit. Indien België zolang overeind blijft is dat niet dank zij de Waalse liefde, maar dank zij de Vlaamse politieke onvolwassenheid.

Er bestaat in Vlaanderen geen enkele politieke partij - ook niet het Vlaams Blok - die een Vlaamse staatsvisie heeft ontwikkeld, die zich een coherent beeld heeft gevormd van de economische, sociale en algemeen maatschappelijke krachtlijnen van een zelfstandig Vlaanderen, en, vooral, van een strategie die tot deze zelfstandigheid zou moeten leiden. Voor de partijen van het establishment, waartoe ook de Volksunie en Agalev zijn gaan behoren, hoeft dat niet te verbazen. Zij zijn allen, eerder meer dan min, verweven met het Belgisch establishment. Zij zijn bang van het volk, van het - onafwendbare - verlies van macht, dat hen te wachten staat wanneer zij, beroofd van de steunpunten die dit establishment hen welwillend biedt en die de basis van hun macht vormen, geconfronteerd zouden worden met een revolutionair-nieuwe politieke realiteit.

Het is deze 'pleinvrees' van de Vlaamse partijen die wellicht ook hun Europees enthousiasme verklaart. Zij durven de verantwoordelijkheid niet opnemen voor een zelfstandige Vlaamse staat, al ware het maar omdat zij elk krediet hebben verspeeld bij de Vlaamse publieke opinie. Indien België dan toch ten dode opgeschreven is, hopen zij hun macht te kunnen consolideren als trouwe dienaars van een nieuwe, Europese superstaat. Hebben zij immers sinds honderd jaar niet bewezen uitstekende hoflakeien te zijn?

Ook het Vlaams Blok is slechts een politiek puberteitsverschijnsel. Demagogische exploitatie van de Vlaamse xenofobie, en een nog oppervlakkiger exploitatie van anti-francofone en anti-Waalse frustraties, verbergen er een schrijnend gebrek aan inzicht in vitale toekomstproblemen, zoals Europa en het mondiaal kapitalisme, de krachtlijnen van een nieuwe sociale en economische politiek van een zelfstandig Vlaanderen, en de opbouw van de noodzakelijke praktijk van democratische tolerantie en politieke consensusvorming.

Hoewel er, ongetwijfeld, binnen al deze politieke formaties talrijke individuen zijn, en zelfs groepen, met het nodige potentieel aan Vlaams staatsmanschap, zijn de partijen zelf - door hun organische band met de bestaande staatsstructuur en door hun ideologische onvolwassenheid - geen collectieve instrumenten voor een reflexie 'au-delà de la Belgique', noch voor het formuleren en implementeren van een politieke strategie naar dat doel.

De Waalse politieke klasse is zich hiervan terdege bewust. En zij glimlacht wanneer brave Vlaamse prominenten een vermanend vingertje opsteken in haar richting omdat haar stugge houding het voortbestaan van België 'op den duur' onmogelijk maakt.

3. 'Wallonië eerst'

De Waalse politieke klasse kent het klappen van de zweep. Zij werd gevormd in een honderdjarige traditie van harde politieke strijd tegen het Belgisch establishment. Het is onder haar leiding dat de Waalse arbeidersklasse een heroïsche, en dikwijls bloedige, strijd heeft gevoerd, voor politieke democratie en sociale rechtvaardigheid. In die strijd heeft Vlaanderen nauwelijks méér gedaan dan hulptroepen leveren, en dan nog dikwijls aan het verkeerde kamp. Er is in de Belgische geschiedenis steeds een waardevol politiek transfer van Zuid naar Noord geweest.

De Waalse politieke klasse heeft zich geïdentificeerd met haar eigen volk, vooral in de na-oorlogse tragische teloorgang van haar economie. De Belgische staat - cet état belgo-flamand - kan sinds André Renard niet meer rekenen op enige loyauteit vanwege de Waalse bevolking en haar leiders. Wanneer Wallonië het 'federale' Belgische status-quo verdedigt, is dat geenszins uit liefde voor België, maar uit welbegrepen eigenbelang: Wallonië eerst!

*
* *

4. De Waalse 'chantage'

Hoewel Wallonië op korte termijn alles te verliezen heeft bij het barsten van België, is het paradoxaal de Waalse politieke klasse die zich kan permitteren Vlaanderen voortdurend te 'chanteren' met de dreiging van het separatisme. Omdat zij weten dat het niet de Waalse partijen zijn die - spijts alle schandalen -hun macht zouden verliezen bij een scheiding, maar wel de Vlaamse. En dat daarom de Vlaamse partijen steeds bereid zijn alles te slikken, om België te redden.

Vandaar de voor Wallonië gunstige verdeelsleutels van de federale gelden; de voortdurende en onbespreekbare transfer in de sociale zekerheid; Brussel 'derde Gewest' met zijn nauwelijks verholen etnische zuiveringspolitiek tegenover de Vlamingen; de bombastische dreiging met de as 'Wallo-Brux'; de eindeloze taaloorlog aan de grens en rond Brussel; het onvoorwaardelijke Euro-stemrecht; enz., enz., enz...

Vanuit zijn positie als 'underdog' leidt Wallonië de Belgische dans. Omdat politiek Vlaanderen niet weet op welk been te dansen zonder België. Het neo-belgicistisch masochisme van een bepaalde 'linkse' intellectuele camarilla is slechts een pijnlijke illustratie van deze realiteit. Ook zij zijn doodsbang voor het verlies van hun kleine posities en hun ijdele glorie, die zij slechts danken aan de artificiële machtspositie van hun partij(en) binnen het Belgisch establishment.

De Waalse chantage is politiek legitiem. Geplaatst tegenover een Vlaamse politieke klasse die niet bereid is om het Belgisch kader te overstijgen, is de Waalse politieke leiding wel verplicht de belangen van haar bevolking te verdedigen binnen dat kader. Zij doet het met een politiek brio dat de grootste bewondering afdwingt. Wanneer in Vlaanderen een politiek voorman, zoals Luc Van den Brande, een schuchtere poging onderneemt om Wallonië tegemoet te treden op hetzelfde niveau, dan wordt hij door een 'politiek correcte' intelligentsia als gauleiter teruggefloten. Arm Vlaanderen? Neen, arme Vlaamse kanunniken!

*
* *

5. Een Vlaams Marshall-plan voor Wallonië

Het is dus niet vanuit Wallonië, maar in Vlaanderen zelf, dat de huidige communautaire impasse doorbroken moet worden. De oude Belgische heersende klasse weet dat zeer goed. Haar unitair-ideologisch Coudenbergh-offensief is daarom uitsluitend op Vlaanderen gericht. Om deze impasse te doorbreken moet Vlaanderen rechtstreeks, zonder Belgische tussenkomst, de hand reiken aan Wallonië. Niet omgekeerd.

Het aanbod tot nieuwe dialoog dient uit te gaan van de economische realiteit. Hier rust een enorme verantwoordelijkheid op de jonge Vlaamse economische elites. Wallonië vertegenwoordigt nog nauwelijks een kwart van de Belgische economie. Het is sociaal zwaar ziek. Het heeft geen behoefte aan het soort OCMW-steun waarvan het thans 'geniet' dank zij de solidariteit om zijn Belgisch.

De redding van Wallonië kan alleen komen van een Vlaams Marshall-plan, waardoor het gedurende een tiental jaren de nodige investeringskapitalen krijgt aangeboden om zijn economie te herstructureren.

Deze Vlaamse solidariteit moet de vorm aannemen van een, van regering tot regering, genegocieerde en internationaal bindende conventie. Het huidige grondwettelijke kader biedt daartoe reeds de nodige ruimte. Uit de aard zelf zal deze overeenkomst gepaard gaan met een vreedzame, constitutionele scheiding van Vlaanderen en Wallonië. Want België verliest, in die context, elke betekenis en waarde voor Wallonië. En Brussel? Brussel maakt deel uit van de Vlaamse economische en geografische ruimte. Ook dat is een realiteit, waarvan Wallonië, maar ook francofoon Brussel zich wel bewust zijn. Maar aan Wallonië moet het recht worden toegekend - voor zover de behoefte daartoe aangevoeld wordt in Wallonië zelf - om extra-territoriale banden aan te knopen met de francofone Brusselse taalgemeenschap. Deze laatste moet, als autonome gezagsinstantie, door de Vlaamse grondwet erkend worden, en zij moet door Vlaanderen van alle vereiste financiële middelen worden voorzien om haar culturele en persoonsgebonden bevoegdheden ten volle te kunnen uitoefenen.

Kan Vlaanderen dit aan?

Op het economisch-financiële vlak hoeft er, in principe, geen enkel probleem te zijn. Het Vlaamse Marshall-plan zou aan Wallonië nauwelijks meer hoeven toe te kennen, dan Vlaanderen nu reeds in elk geval, en elk jaar opnieuw, verliest door de Belgische 'federale' transfers, zonder dat Wallonië daaruit thans enig structureel voordeel haalt.

De winst voor Vlaanderen is indirect, maar reëel. Zij bestaat in de mogelijkheid, die aldus aan Vlaanderen wordt aangeboden, om eindelijk een zelfstandige politiek te voeren van tewerkstelling en economische groei, aangepast aan zijn specifieke economische structuur en culturele geaardheid, die grondig verschillen van de Waalse. En de Vlaamse economie kan er slechts baat bij hebben dat, aan haar zuidergrens, en binnen haar natuurlijk economisch hinterland, een nieuwe krachtige groeipool tot ontwikkeling zou komen.

De problemen liggen elders. Zij liggen binnen de Vlaamse, economische, culturele en politieke middens die snel de daartoe vereiste, geestelijke reconversie zouden moeten doormaken. In die middens moet een nieuwe, leidende elite groeien, die duidelijk gestalte geeft aan het Vlaams algemeen belang, en die zich ondubbelzinnig identificeert met de Vlaamse natie. Ja, ook hier 'Vlaanderen eerst'. Met open hand naar het Waalse volk, waaraan de Vlamingen in het verleden zoveel te danken hebben gehad.

Zoals hierboven betoogd, zijn de bestaande Vlaamse partijen ongeschikt om aan deze nieuwe elite politiek gestalte te verlenen. En dit niettegenstaande het feit dat, binnen deze partijen, zeker een kostbaar potentieel aan individueel politiek intellect aanwezig is. Het is dus niet in, maar wel vanuit de bestaande machtscenakels, en vooral ertussen en ernaast, dat eindelijk het nieuwe, politieke Vlaanderen zal moeten groeien.

Of het lukt, kan op dit ogenblik helaas niemand voorspellen. "Mais point n'est besoin d'espérer pour entreprendre..."