Nummer 31


Pers | november 1997


Over onze goeroe (Piet De Zaeger)<< Nummer 31

Begin dit jaar verzocht het Vlaams-nationaal weekblad WIJ filosoof Ludo Abicht een essay te schrijven dat het als geschenk aanbood aan zijn abonnees. De progressieve auteur en docent aan enkele Antwerpse hogescholen - bovendien lid van de redactieraad van Meervoud - kreeg alle vrijheid. Geen evidente keuze voor een weekblad dat in hetzelfde gebouw gehuisvest is als de Volksunie. Abicht is immers voorzitter van het marxistische Frans Masereelfonds en partijlid van Agalev.

Het kenmerkt de openheid van WIJ, dat zijn wervingscampagne voert onder de slogan "Zwart op geel maar open voor alle discussie". En dat werd alvast positief geëvalueerd door Ons Leven, het maandblad van het Katholiek Hoogstudentenverbond (KVHV): "Een aantal voormannen, leden en sympathisanten van de partij lijkt een nieuwe roeping te hebben gevonden in hun bijdrage tot het weer op gang brengen van het intellectuele debat over Vlaanderen, de nationale identiteit en de 'nieuwe politieke cultuur' (wat dit laatste ook moge wezen). Niet alle pogingen in deze richting zijn even geslaagd, maar men moet de partij nageven dat ze zowat de enige is die nog bereid blijkt in dergelijk denkwerk te investeren" (mei '97). Over het voorlopige rendement van die investering handelt dit artikel.

Moedig

Men mocht uiteraard uitgaan van enkele sympathiserende recensies in flamingantische periodieken. Al weet je natuurlijk nooit met de legendarische koppigheid en eigenzinnigheid van hen die zich Vlaams bewegen. Ongenuanceerd positief was de bespreking door Hugo Van Hemelrijck, toen nog algemeen secretaris van het Verbond van Vlaamse Oudstrijders (De Vos, 14 maart 1997). Vooral het hoofdstuk "Waar waart gij, Vlaamse Adam? Ik was lid van de Belgische Werkliedenpartij" kon hem bekoren want dat reikt "op bijzondere moedige wijze argumenten aan om de vaak vijandige verhouding tussen 'het internationalistisch socialisme en het nationale Vlaamse ontvoogdingsstreven' te ondermijnen". Een zelfde toon vonden we terug in het VVB-tijdschrift Doorbraak waar Karl Drabbe pleitte voor een enorme verspreiding van het boek "vooral in die middens van jongeren en intellectuelen die meewarig doen over hun land, volk en identiteit".

In het ledenblad van het Masereelfonds beval Antoon Roosens Abichts essay aan als verplichte lectuur voor elk lid dat wil deelnemen aan het debat over de identiteit en het profiel van het cultuurfonds: "In het zeer mooie slothoofdstuk wijst Ludo Abicht op de interne, 'dialectische' band tussen de verschillende deelterreinen van de strijd voor democratie, sociale rechtvaardigheid en menselijke waardigheid: 'Het is moreel onaanvaardbaar en niet consequent, wanneer we ook maar één vorm van onrecht als onbelangrijk onder het tapijt vegen'. Zo brengt hij ons terug tot wat historisch steeds het standpunt van het Masereelfonds is geweest. De verdediging van de Vlaamse identiteit, en de strijd voor een autonoom Vlaanderen, is slechts een onderdeel - maar dan een integraal deel - van ons globaal (ook in de Amerikaanse betekenis van het woord) maatschappelijk project" (Aktief, september - oktober '97).

Te defensief

Voor de enige echte Vlaams-nationalisten, uiteraard geabonneerd op 't Pallieterke en filosofisch rechts gesitueerd van Atilla De Hun, is 'Scripsi' (alias Mark Grammens) de alpha en omega van de politieke literatuurkritiek. Hij uitte zijn twijfels bij het té defensieve karakter van het essay: "Het boekje van Abicht is goed, maar veel te braaf, veel te vrijblijvend, en daardoor niet overtuigend. Men heeft bij de lektuur de hele tijd het onaangename gevoel dat Abicht zich aan het verontschuldigen is. Er klinkt geen Vlaamse fierheid uit dit pamflet, geen Vlaamse vanzelfsprekendheid. Het is allemaal veel te bedeesd, veel te defensief, en zo komen we er niet" (19 maart '97). Dat Abicht soms man en paard (o.a. het FDF) had moeten noemen is een gelegitimeerde kritiek. Maar wat verder volgt doet toch een paar vraagtekens rijzen: "Dit hinderlijk defensieve heeft mij vooral gestoord in de laatste twee hoofdstukken, die handelen over het migrantentema en de kollaboratie. Telkens komt Abicht tot konklusies waar men het mee eens kan zijn, maar dat gebeurt zo omzwachteld en met zoveel nuanceringen en excuses dat men er ongemakkelijk bij wordt. Hij stelt bijvoorbeeld, dat als het in België niet kan, het Vlaams parlement dan maar het recht in eigen handen moet nemen en een vorm van amnestie voor oorlogsfeiten moet afkondigen. Mooi, maar daar gaat dan een heel verhaal aan vooraf om toch maar duidelijk te maken dat de schrijver de kollaboratie afkeurt". En dat is er voor Grammens blijkbaar te veel aan. Net als de suggestie van Abicht dat "de huidige vertegenwoordigers van de Vlaamse beweging, ook degenen die noch persoonlijk noch via hun ouders of grootouders met die collaboratie te maken hebben gehad" eindelijk eens klaar en duidelijk die collaboratie moeten veroordelen. "Waarom zouden ze dat moeten doen ?", vraagt Grammens zich af en las dus duidelijk over Abichts waarschuwing: "Het alternatief is een aanhoudende dubbelzinnigheid en een ondraaglijk zware hypotheek op het democratische karakter van de Vlaamse emancipatiestrijd" (blz. 55). Overigens heeft de filosoof meer dan gelijk wanneer hij stelt dat vele van de door de Nieuwe Orde verblinde "Vlaamse leiders" bijvoorbeeld de jodenvervolging niet hebben aangeklaagd, maar in hun teksten goedgepraat of aangewakkerd en daarom hun plaats in de galerij van de nationale groten verbeurd hebben.

Anti-Belgische goeroe

Van wie Abicht alvast geen rozen moet verwachten zijn de Belgische Progressieve Socialisten, die - zonder het te beseffen - de Antwerpse professor van een prachtig epitheton ornans voorzagen: "Ludo Abicht, de anti-Belgische goeroe" (BPS-visie, jg.13, 3de trimester 97). Hun voornaamste kritiek luidt als volgt: "Hij (Abicht) betreurt dat vele linkse Vlamingen elke Vlaamse reflex gelijkstellen met rechts of oubolligheid en dat ze de Vlaamse Beweging herleiden tot citaten van uiterst-rechts. Hier heeft Abicht deels gelijk. Caricaturen maken is niet netjes. Punt is echter dat Abicht net hetzelfde doet met de Belgischgezindheid". Al kan men zich afvragen of het Abicht is die een karikatuur maakt van België dan wel of de Belgische staat zelf is geëvolueerd tot een karikatuur van een democratie. Zelf willen de BPS'ers trouwens nog sleutelen aan hun dierbaar België. Maar Vlaanderen verkiezen boven België? Waarom? "Het Vlaams establishment rond Luc Van den Brande lijkt ons niet bepaald progressiever dan het Belgisch establishment rond J.L. Dehaene. Overigens ijveren BPS en de linkse intellectuelen (allemaal?, n.v.d.r.) voor een progressief en multicultureel België, niet voor een actueel establishment". Ter informatie: de verantwoordelijk uitgever van BPS-visie is Jan Reynaers, kabinetschef van de francofiele adjunct-gouverneur van Vlaams-Brabant, notoir royalist èn "koele minaar van de faciliteiten".

Gelukkig is er nog Dieter Lesage, de parlementair secretaris van Kathy "Kattekwaad" Lindekens. Dieter is ... een intellectueel. Dat kan je afleiden uit zijn lidmaatschap van "Gojim 5.1 Bureau of Identity Research" en het feit dat hij zo vriendelijk is ons te laten delen in al zijn wijsheid. Onder de titel "Le belgicisme expliqué aux flamingants" (Andere Sinema, nr. 140, juli-augustus 1997) neemt Belgiës hoop in bange dagen tegelijkertijd Kinderen van de hoop (Bert Anciaux), Het Sienjaal (Coppieters en De Batselier), Het klauwen van de historicus (Defoort), De Belgische ziekte (Verhofstadt) èn De herinnering is een vorm van hoop (Abicht) onder vuur. En daarvoor moet je toch een grote zijn.

Eén van zijn kritieken deelt Lesage merkwaardig genoeg met Grammens, al is het om andere redenen. Lesage betreurt dat Abicht geen namen noemt wanneer hij het heeft over de Nieuwe Belgen die zich afkeren van, of zelfs verzetten tegen de Vlaamse emancipatiestrijd. Nog merkwaardiger is wel dat Lesage in dezelfde val trapt wanneer hij het heeft over belgicistische kunstenaars en intellectuelen die onder de zware discriminerende druk van de Vlaamse regering en haar cultuurpolitiek gedwongen worden zich aan te passen: "Deze angst heeft er al meer dan één wetenschapper en kunstenaar toe gebracht zijn projecten bij voorbaat aan te passen aan de gevoeligheden van bepaalde Vlaamse bewindvoerders. Wie niet wil zien dat dit al enkele jaren aan de gang is, die is pas te kwader trouw". Daarmee is de discussie dan ook afgesloten.

Belgicistische martelaars

Tenzij men toch enig geloof hecht aan de werkhypothese van professor Defoort in zijn opstel Progressieve Kreten (Hersens op zijn Vlaams. Bekende Vlamingen over het Vlaanderen van morgen, blz. 112): "Intellectuelen in het algemeen zien zich (...) steevast in de rol van ziener, gids, voorvechter, verzetsman. Vooral de dramatiek creërt mogelijkheden om deze rol te vervullen. Gelukkig voor ons, maar jammer voor onze intellectuele gidsen, bevat de nationale problematiek bij ons geen greintje drama. Dramatiseren en, als het even kan, diaboliseren blijft de enige uitweg". Met andere woorden: als belgicistische intellectuelen ooit willen vergeleken worden met Vaclav Havel moeten ze eerst onderdrukt worden door een totalitaire overheid. Aangezien die niet bestaat moeten ze het beeld van een dergelijke overheid creëren.

Dat het allemaal nogal meevalt met die politieke zuiveringen door de Vlaamse overheid bewijst Lesage trouwens zelf: "De romancier Koen Peeters, die onlangs voor zijn roman 'Het is niet erg mon amour' bekroond werd met de Prijs Literatuur van de Provincie Vlaams-Brabant en op de prijsuitreiking op 23 april 1997 in het Leuvense stadhuis nogmaals zijn verzet tegen de splitsing van de unitaire provincie Brabant verwoordde, ...". Blijkbaar duldt de jongste Vlaamse provincie toch nog ontaarde kunstenaars.

"Kritiek op het Vlaamse beleid moet ook kunnen", las Bart Brinckman in het essay, "Maar Abicht krijgt de indruk dat die kritiek steeds meer gericht is op de Vlaamse ruimte, meer dan op het beleid zelf. Hij citeert graag ULB-historica Anne Morelli die de identiteit vergelijkt met bladerdeeg waarbij elke laag, dus ook een Vlaamse, haar belang heeft. Zelf denk ik dat ook niemand, ook niet de jongere generatie, dit uitgangspunt in twijfel trekt. Toch verliest Abicht in zijn spits en vrijmoedig essay misschien een aspect uit het oog. Is het zo vermetel te stellen dat ook een Belgische identiteit een laagje uitmaakt? De universele golf van sympathie voor de vermoorde meisjes wijst alvast in die richting. En het zou ook wel eens kunnen dat die jeugd zich niet schaamt om haar Vlaamse identiteit maar wel om de krampachtige manier waarop Vlaamse bewindvoerders hun beleid hierop baseren" (De Morgen, 13 maart 1997).

Ook wijlen Frans Verleyen stoort zich daar niet fundamenteel aan, maar "daarbij valt op dat de hedendaagse Vlaamse intellectuelen nog geen analyse hebben gemaakt van het Belgische nationalisme dat door de unitaire staat tot diep in de jaren zestig werd gepropageerd via school, kerk, media en de politiek zelf. Net nu we verlost zijn van die kinderachtigheden, begint bijvoorbeeld Brussel weer als een magneet te werken op, zeg maar, de lezers van De Morgen en de bezoekers aan het literaire gebeuren Het Groot Beschrijf. Daar is niets op tegen, maar ondertussen vergeten die breeddenkende cultuurmakers dat het sociale, numerieke en politieke gewicht van hun taalgenoten in de hoofdstad afneemt. Dat is niet te wijten aan het noodlot. Vlaams Brussel wordt uitgehold door een niet aflatend gebrek aan hoffelijkheid en fair play tegenover Nederlandstaligen. Secretaressen weten dat wanneer ze een telefoniste aan de lijn krijgen, zieken voelen dat wanneer ze in een kliniek terechtkomen, pendelaars horen dat wanneer ze een metrokaartje kopen. Misschien omdat ons inheemse BSP-socialisme slechts heel laat en dan nog voorzichtig naar de Vlaamse emancipatiestrijd ging omkijken, voelt ook hedendaags links zich nog altijd onwennig bij het thema" (Knack, 16 april 1997).

Maar uiteindelijk komt het ultieme oordeel over 'De herinnering is een vorm van hoop' toe aan de lezer zelf. Want om het met de woorden van Erik Rydberg in La Wallonie (27/9) te stellen: "Le titre vaut bien le détour. Le style, l'analyse et l'humour aussi".

"De herinnering is een vorm van hoop" is niet verkrijgbaar in de boekhandel. Kostprijs 495 frank, tenzij u een abonnement neemt op het weekblad WIJ (1800 frank). Dan is het gratis. Voor meer informatie en bestellingen: Weekblad WIJ, Barrikadenplein 12 te 1000 Brussel. Tel.: (02) 219.49.30.