Nummer 32


Terugblik | december 1997


Ernest Soens (1904-1996): Een koppig flamingant (Karl Drabbe)<< Nummer 32

Straks is hij twee jaar overleden, de ere-burgemeester van Strombeek-Bever. En nu reeds schijnt hij vergeten te zijn. Nochtans schreef Ernest Soens een niet onbelangrijk stukje geschiedenis door in 1971 de Franse eed van twee FDF-verkozenen te weigeren. Zijn halsstarrige houding maakte veel ophef en gaf zelfs aanleiding tot interpellaties in Kamer en Senaat.

Op 3 januari 1996 overleed Ernest Soens (°1904), ere-burgemeester van Strombeek-Bever, consequent Daensist, koppig flamingant en een volksgeliefd burgemeester. In 1971 schreef de Gazet van Antwerpen over hem: "Op zijn eentje deed hij al meer voor het behoud van de gaafheid van Vlaams-Brabant dan vele parlementsleden". Daarmee sloeg de krant spijkers met koppen, want Soens ging er - terecht - prat op dat het mede aan hem te danken is dat Strombeek-Bever aan de faciliteiten ontsnapte.

In de 36 jaar dat hij burgemeester was van deze gemeente, die in 1976 werd gefusioneerd met Grimbergen, zette hij zich belangeloos in voor de vrijwaring van het Vlaamse karakter van Strombeek-Bever.

In de discussie die voorafging aan de vastlegging van de faciliteiten in 1963 werd immers ook Strombeek-Bever genoemd om faciliteiten toebedeeld te krijgen. Het is vooral aan Ernest Soens en aan de Strombeekse Vlaamse Vriendenkring te danken dat de nog landelijke gemeente geen faciliteiten toebedeeld kreeg. Steevast hield de burgemeester het been stijf. Toegeven stond niet in zijn woordenboek. Tot grote frustratie van de Franstaligen. De brede Vlaamse beweging stond als één man pal achter de eigenaar van de bekende Strombeekse IJsfabriek.

Aanpassen !

Op 11 juli 1971 ontving burgemeester Soens als eerste de Orde van de Vlaamse Leeuw. Een paar weken tevoren werd hij nog eervol vermeld op de IJzerbedevaart als een 'man van de daad'. Heel Vlaanderen keek met ontzag op naar de man die er in z'n eentje in slaagde de hele Franstalige publieke opinie tegen zich in het harnas te jagen. Datzelfde jaar immers liet hij twee FDF-verkozenen manu militari uit de gemeenteraadszaal verwijderen omdat ze weigerden de eed in het Nederlands af te leggen. Soens beriep zich op de homogeniteit van Vlaanderen, en kon noch wou bijgevolg de Franse eed als geldig aanvaarden. Gevolg: heel francofonië stond in rep en roer. De Franstalige pers lustte hem rauw en bestempelde hem als nazi en fascist.

Soens werd zelfs meerdere keren op het matje geroepen bij de gouverneur van Brabant. Maar dat alles deerde hem niet, en hij hield voet bij stuk. In zijn gemeenteraad werd enkel Nederlands gesproken! Zijn onverzettelijke houding leverde hem niet enkel Franstalige dreigbrieven, maar ook heel wat gebroken vensters op.

Een vijftal jaren later kreeg hij zelfs gelijk van de Raad van State nadat de Strombeekse verkozenen van de Franse lijst Libre Linguistique (!) er klacht hadden ingediend tegen Soens' optreden.

In 1970 reeds wist hij zich de woede van de Franstaligen op de hals te halen. Als overtuigd Vlaming liet hij vlak na de gemeenteraadsverkiezingen in 1970 een pamflet verspreiden dat er niet om loog. Het bevatte o.m. de boodschap "Degenen die zich niet kunnen of willen aanpassen in een Vlaamse gemeente moeten er de conclusie uit trekken en verhuizen, zo spoedig mogelijk en op kosten van de gemeente".

Zowel de gouverneur als de minister van Binnenlandse Zaken, de Waal Harmegnies, vonden het nodig hem daartoe tot de orde te roepen. Maar de partijonafhankelijke Soens zette door. Hij werd ei zo na geschorst, maar de brede steun die hij door zijn daden in Vlaanderen verkreeg, belette de Belgische overheid hem aan de kant te zetten.

Alleen

Ondanks de vele Vlaamse steunbetuigingen - hij werd overstelpt door honderden felicitatiebrieven en zelfs telegrammen - voerde Soens eigenlijk een vrij eenzame strijd. Geen enkele Vlaamse politicus sprong voor hem op de bres. Geen enkele andere burgemeester van een Vlaamse randgemeente nam zoals hij een uitdagende houding aan, niemand volgde hem. Behalve misschien Gelders, de socialistische burgemeester van Vilvoorde. Ook hij verzette zich tegen de Franse eedaflegging van de twee verkozen franstaligen, en zette de agressieve francofonen uit de Vilvoordse wijk 'Beauval' (zoals de franstaligen Het Voor zo graag noemen) op hun plaats.

Toen hij nog jong en onbezonnen was, diende CVP-kamerlid Jos Chabert - vandaag moeilijk van enig Vlaams bewustzijn te verdenken - een wetsvoorstel in in de Vlaamse Cultuurraad. Dit voorstel van decreet betreffende de eedaflegging in Vlaanderen werd op 11 april 1972 goedgekeurd. Meteen werd gesproken van de Soens-Wet.

Deze wet geldt vandaag nog steeds, en maakt het franstaligen (ook in faciliteitengemeenten) officieel onmogelijk de eed in een andere taal dan het Nederlands af te leggen.

Het is misschien nogal cru te stellen dat de franstalige inwijking in Strombeek, na de succesvolle actie van 1970-'71, tijdelijk stopte. Toch is het zo dat sommigen zelfs verhuisden omdat ze niet in een broeinest van flamingantisme wilden wonen. Vandaar ook dat bij de fusie nog gezegd kon worden dat Strombeek-Bever een behoorlijk landelijke en Vlaamse randgemeente van Brussel was.

Somber

Gedurende heel zijn politieke loopbaan trachtte hij een dam op te werpen tegen de dreigende verfransing van de rand. Soens beschouwde de bouw van het cultureel centrum dan ook als zijn belangrijkste verwezenlijking. Want dankzij dit culturele bastion werd het Vlaamse leven in de jaren zeventig nieuw leven ingeblazen en de francofone vloedgolf deels gebroken.

Dat weerhield hem er echter niet van er een eigenlijk vrij pessimistische toekomstvisie op na te houden. Soens zag de toekomst voor de Brusselse Vlamingen en de Vlaamse rand rond Brussel - voorzichtig uitgedrukt - uiterst somber in. In een interview met het BGJG-tijdschrift De Bond verwoordde hij het nog als volgt: "Na de fusies van de gemeenten hebben (sic) het handvol franstalige verkozenen weinig in de pap te brokken in Groot Grimbergen. Toch zet de verfransing in Strombeek-Bever en de andere deelgemeenten onverminderd door. De situatie in Brussel lijkt uitzichtloos. Over enkele decennia hebben de Vlamingen er nog bitter weinig te betekenen. De Vlaamse overheid bouwt er paleizen. (...) Volgens mij had de Vlaamse overheid beter al de verkrotte huizen in en rond het centrum van Brussel opgeknapt en verhuurd aan Vlamingen. Zo creëer je een blijvende kern van Vlaamse aanwezigheid, terwijl de kantoren die nodeloos in Brussel gecentraliseerd zijn vooral verkeers- en vervoersproblemen veroorzaken en de onleefbaarheid van de grootstad in de hand werken."

In zijn memoires noemde hij Brussel nog "een massagraf voor de Vlamingen", en betreurde hij dat "onze politici meestal niet of in alle geval veel te laat reageren", omdat ze "de dodelijke bedreiging die Brussel als Europese hoofdstad thans op de Vlaamse ommelanden laat wegen", niet (willen) inzien.

Zijn pessimisme belette de ere-burgemeester niet zich ook na 1976 onverdroten in te zetten voor de vrijwaring van het Vlaams karakter van zijn dierbare, maar stilaan verstedelijkte gemeente. En hij mocht dan wel de strijdbijl begraven hebben, ook de jongste jaren liet hij nog van zich horen, en dat op een toch wel zeer gevorderde leeftijd. Zo steunde hij bijvoorbeeld openlijk het Aktiekomitee Vlaanderen '90 en het Halle-Vilvoorde Komitee, was hij lid van de VVB, en weigerde hij steevast elke onderscheiding van de Belgische staat.

Hij maakte er overigens nooit echt een geheim van dat hij België niet in zijn hart droeg. Getuige daarvan volgend citaat: "Waartoe dient onze democratische meerderheid? Na zestig jaar moeten we het beleven dat we het als meerderheid nog steeds tegen de francofonen moeten afleggen (...) dat de olievlek niet kon ingedijkt worden", aldus de slotbalans in de memoires van de beginselvaste Vlaming.