Nummer 33


| januari 1998


Op de Meervoud-boekenplank (Winfried Dolderer)<< Nummer 33

Over Dutroux, Europa en de Vlaamse natie

Middeleeuwse metropolen, het lekkerste bier ter wereld, de beste pralines, niet in het laatst "een sympathiek volk": het boek van Dirk Schümer over kindervangers en andere Belgische merkwaardigheden begint op de toon van een toeristische reclamefolder. Dat een Duitser België en zijn bewoners - "beschaafde, vriendelijke mensen" - zodanig in het hart draagt, is nogal uitzonderlijk. Voor Schümer is het een jeugdliefde. De stad waar hij zijn vroege jeugd doorbracht, herbergde in de jaren zestig en zeventig een groot Belgisch garnizoen. Op tal van bezoeken raakte hij sindsdien verkikkerd op dit "gezellige, in vergelijking met Duitsland aangenaam ontspannen land". Totdat hij in de zomer van 1996 op de zoveelste verkenningstocht een krant opensloeg en zich opeens afvroeg of hij niet verzeild was geraakt in een "Gruselgeschichtenland" - een land van griezelverhalen.

Schümer was toen niet de enige Duitser die de onthullingen over Marc Dutroux en consoorten een verrassende nieuwe kijk op de westerburen bezorgden. Plotseling stonden de Duitse kranten die België anders als witte plek op de Europese landkaart behandelen, bol van Belgische toestanden. Een verbouwereerd publiek maakte kennis met de "Bande von Nivelles", leerde de namen Agusta en Van den Boeynants spellen, ging met verslaggevers op stap in groezelige buitenwijken van Charleroi en vernam dat het Siciliaanse Palermo nog een weerga aan de Maas heeft.

Nooit tevoren waren Belgische politiek, Belgische geschiedenis, Belgische schandalen in Duitse media zo uitvoerig aan bod gekomen. Voor een stuk was dat een verdienste van Schümer die in die maanden enkele indringende analyses leverde op de cultuurpagina's van de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Schümer is cultuurcorrespondent van deze krant in Hamburg met als werkterrein Noord-Duitsland en de aanpalende Europese landen. Over Dutroux en de nasleep was hij in zijn artikels kennelijk niet uitgepraat. Wat hij in de krant niet kwijt kon, verwerkte hij nu in een boek over een "Belgisch drama van Europese dimensie".

Dutroux is er maar de kapstok waaraan de auteur zijn verhaal ophangt over kinderprostitutie in Europa en de Derde Wereld, over de machteloosheid van de burger tegenover een onverschillige of zelfs vijandige overheid, de onmacht van die overheid tegenover de georganiseerde misdaad, de verstrengeling van politiek en criminaliteit. Het boek getuigt van enorme vlijt. Schümer moet maandenlang vrijwel elke gedrukte letter verslonden hebben over Dutroux en al wat ermee verband hield; de literatuurlijst achteraan liegt er niet om.

Hij doet elk detail uit de doeken van elke affaire die België - het land "dat oppervlakkige waarnemers zo graag verheerlijken als vreedzaam staatje in de kern van Europa" - sinds het optreden van de bende van Nijvel teisterde. Het resultaat leest spannend als een misdaadroman. Bijvoorbeeld het hoofdstuk over André Cools en de PS - "de Waalse maffia", aldus de titel: adembenemende lectuur, zeker voor een Duitse lezer die na van deze bladzijden genoten te hebben zijn eigen staat als toonbeeld van zindelijkheid zal waarderen.

Temeer daar het boek een politieke boodschap behelst die ook Duitsers niet onverschillig kan laten. Het is een striemend pleidooi tegen het "Europa van Maastricht" waar Schümer diepe maling aan heeft. Alleen een sterke nationale staat verdient volgens hem het vertrouwen van zijn burgers, omdat slechts zo'n staat hen doeltreffend kan beschermen. Waar de nationale staat vanouds zwak is zoals in België of gaandeweg uitgehold raakt zoals door de Europese eenwording, halen onvermijdelijk duistere krachten de bovenhand.

Het België van de halfslachtige staatshervorming met zijn allegaartje van mekaar beconcurrerende overheden, gewesten, provincies, taalgemeen-schappen heeft volgens Schümer met het Europa in wording een ding gemeen: onoverzichtelijkheid. Het zijn precies zulke ondoorzichtige structuren, waarschuwt Schümer, waar allerlei ongure elementen zich in hun sas voelen. België, zo schrijft hij, zag in 1830 het licht als "kunstmatige, ahistorische vrijhandelszone". Het Europa van Maastricht is op dezelfde leest geschoeid: niets meer dan een "op maat gesneden markt" voor het kapitaal, een "rampspoedige warboel", een "corrupt koloniaal rijk" dat geen rekening houdt met de identiteit en de noden van zijn burgers: "Dit Europa kon alleen in België ontstaan."

Schümer zou het op dat punt gemakkelijk kunnen vinden met de vleugel van de Vlaamse Beweging die België liever kwijt dan rijk is. Ook hij is ervan overtuigd dat een "nieuwe politieke cultuur" in een Belgisch kader niet haalbaar meer is. De vernieuwing, de uitbouw van een betrouwbaar staatsgezag, kan alleen op het vlak van de gewesten gebeuren, vooral dan in Vlaanderen. Schümer schrijft met veel sympathie over de witte beweging, "de eerste communitaristische basisbeweging in een nationaal kader". Maar in de grond betwijfelt hij dat politieke initiatieven die een verband pogen te leggen over de taalgrens heen, nog leefbaar zijn. Met enige instemming citeert hij Bert Anciaux die bij de voorstelling van een nieuw VU-programma in mei de opdoeking van België bepleitte om althans in Vlaanderen een herhaling van de Dutroux-gruwelen te voorkomen.

Met deze opmerkelijk flamingantische inslag steekt zijn boek duidelijk af bij de berichtgeving van sommige Duitse correspondenten in Brussel die België door een Franstalige bril bekijken en Vlamingen graag afschilderen als een stel de Belgische rust verstorende herrieschoppers. Daarentegen laat Schümer zijn voorkeur voor Vlaanderen tot in de details blijken: Brusselse plaatsnamen zijn in zijn boek - uitzonderlijk voor een Duitse publicatie - doorgaans in het Nederlands weergegeven. Ook zijn visie op de Belgische geschiedenis sinds 1830 lijkt zo weggelopen uit de Vlaams-nationale catechismus. De Coburgse dynastie was volgens hem allesbehalve de bekroning van de nationale verzuchtingen der Belgen. Zij is gewoon de zoveelste "vreemde heerschappij" in de zuidelijke Nederlanden. Van de weeromstuit zet hij Vlaanderen in de verf als een "jonge natie" die "doelmatig" afstevent op onafhankelijkheid. Uiterlijk bij een volgende ronde van de staatshervorming in 1999 is het zover, voorspelt Schümer.

Als hij zich op dat punt maar niet vergist. België is misschien een warboel, maar - zo leert historische ondervinding - niettemin taai. En uitspraken van Vlaamse partijleiders zijn niet zomaar te vereenzelvigen met wat er in de bevolking leeft. Waar het om de beschrijving en inschatting van historische krachtlijnen gaat, geeft Schümer niet altijd blijk van de nodige zin voor nuancering. En nu en dan slaat deze anders zo goed ingelichte waarnemer de bal ook behoorlijk mis. Ronduit bevreemdend is zijn bewering dat het Vlaams Blok de "sterkste partij" van Vlaanderen is die met gebiedsaanspraken op Frans- en Zeeuws-Vlaanderen zelfs nieuwe Europese conflicten zou dreigen uit te lokken. Elders in het boek komt de Volksunie dan weer uit de verf als een partij die goed is voor "tien tot twintig procent van de stemmen in het Belgisch parlement" - cijfers die de betrokkenen alleen nog een nostalgische zucht kunnen ontlokken.

Met het verhaal dat Gent en Antwerpen bevolkt zijn door "tienduizenden" welstellende Franstaligen die er een eigen onderwijs en zelfs een Franse krant in stand zouden houden, huppelt Schümer de actualiteit ten slotte enkele decennia achterna.

België, zo blijkt daaruit, is voor buitenstaanders kennelijk een amper te doorgronden onderwerp. Schümer heeft er ondanks alles het boeiendste boek over geschreven dat in tijden in het Duits verscheen.

Dirk Schümer. Die Kinderfänger. Ein belgisches Drama von europäischer Dimension. 270 p. Siedler-Verlag, Berlijn, 1997.