Nummer 33


Staatshervorming | januari 1998


Brussel, fictie en werkelijkheid (Antoon Roosens)<< Nummer 33

Het zal nu zowat dertig jaar zijn dat men in België bezig is de staat te hervormen. Eén van de grootste vondsten van deze hervorming was de opsplitsing van het land in een ingewikkelde en verwarrende reeks gewesten en gemeenschappen.

De gemeenschappen kregen een aantal bevoegdheden in culturele en 'persoonsgebonden' aangelegenheden, zoals gezondheidsbeleid, bijstand aan personen, minder-validen, bejaarden, jeugdbescherming enz. De gewesten kregen een aantal territoriale bevoegdheden: ruimtelijke ordening en stedebouw, stadsvernieuwing, bescherming van het leefmilieu en natuuronderhoud, huisvesting, openbare werken en vervoer, toezicht op provincies en gemeenten, tewerkstelling en enkele ondergeschikte aspecten van het economische beleid.

1. Brussel: de dubbele breuk

Nu ligt Brussel ten noorden van de taalgrens en behoort het, territoriaal, duidelijk tot de Vlaamse ruimte. Daarentegen vormt het, op gebied van taal en cultuur, een duidelijk onderscheiden en apart probleemgebied. Men had dus logischerwijze kunnen denken dat men Brussel een apart statuut zou hebben gegeven voor deze taal- en persoonsgebonden materies, dus een aparte gemeenschap; en dat men voor wat betreft economie, stedebouw, verkeer, huisvesting, enz. de bevoegdheid over Brussel aan het Vlaams gewest zou hebben gelaten. Maar neen, men heeft de zaken op hun kop gezet. Brussel werd wel een apart, derde gewest, maar Vlaanderen en Wallonië kregen de gemeenschapsbevoegdheden in Brussel toegeschoven.

Het resultaat was een dubbele breuk met de realiteit. Niet alleen werd Brussel afgescheiden van de Vlaamse sociaal-economische ruimte waartoe het volledig behoorde. Maar bovendien werd, binnen de grootstedelijke ruimte van Brussel, een tweede breuk gecreëerd: het gewest Brussel werd grondwettelijk beperkt tot Brussel-19, dat slechts een deel vormt van de reële Brusselse agglomeratie.

Inderdaad, wanneer men de agglomeratie en het gewest op de kaart aflijnt op grond van objectieve, wetenschappelijke criteria, stelt men vast dat de Brusselse agglomeratie - dit is de continu bebouwde woonruimte - niet 19 maar 35 gemeenten omvat (zie Meervoud nr. 32). En het gewest - dit is het gebied dat morfologisch weliswaar niet aansluit bij de stadskern, maar sociaal en economisch overwegend op die stadskern gericht is - beslaat nog eens 28 gemeenten méér, dus in totaal 63 gemeenten met nagenoeg 1.800.000 inwoners.

2. De technische onleefbaarheid van Brussel-19 als gewest

Binnen het enge kader van Brussel-19 zijn de territoriale problemen die tot de bevoegdheid van een gewest behoren, technisch onoplosbaar. Ruimtelijke ordening met de inplanting van industriegebieden en woonzones; sociale woningbouw en stadsvernieuwing; openbaar vervoer en wegverkeer in, uit en rond de stad: zelfs een leek ziet in dat tussen al deze materies een nauwe samenhang bestaat, en dat men slechts tot een coherente ordening kan komen indien één enkele instantie bevoegd is voor de planning over geheel de ruimte van de agglomeratie, dit is in de 35 en niet in 19 gemeenten.

De morfologisch aaneengesloten agglomeratie telt nu reeds ongeveer 1.400.000 inwoners. Gezien de wereldwijde trend tot verstedelijking, en rekening houdend met zijn geografische ligging en zijn internationale functies, zal Brussel blijven groeien. Binnen afzienbare tijd wordt het een agglomeratie van twee miljoen inwoners, en zal het uitgebreide stadsgewest drie miljoen inwoners tellen. Deze aangroei gebeurt noodzakelijkerwijze in de rand. Indien men van Brussel een leefbare stad wil maken, moet deze groei voorzien, gepland en geleid worden, niet binnen de 19 gemeenten, maar over de gehele grootstedelijke ruimte.

De Brusselse industrie is bijna volledig gevestigd buiten de grenzen van Brussel-19, in de Vlaamse rand, vanaf Groot-Bijgaarden en Zellik, over Vilvoorde en Machelen, tot Diegem en Zaventem met een uitloper langs de Zenne tot Halle. Omgekeerd is een groot deel van de Vlaamse tertiaire sector in Brussel gevestigd. Er zijn niet alleen de eigenlijke Vlaamse overheidsdiensten, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, enz. Ook 35% van de vennootschappen met zetel in Brussel-19 gebruiken het Nederlands voor hun belastingaangifte. Het gaat hier om ondernemingen die zich in Brussel hebben gevestigd omdat zij van daaruit gemakkelijkst het gehele Vlaamse grondgebied bestrijken.

Steeds minder inwoners van Brussel-19 vinden werk binnen de grenzen van de 19 gemeenten: de Brusselse overheid weigert haar bevolking op te leiden om in twee talen te kunnen functioneren. Steeds meer loontrekkenden, ambtenaren en bedienden, komen elke dag vanuit de Vlaamse rand en de verdere Vlaamse provincies, naar Brussel werken. Van de 657.000 personen, in 1990 te Brussel tewerkgesteld, kwamen er 60% van buiten Brussel, en daarvan meer dan 2/3 uit Vlaanderen. De verkeersinfrastructuur vereist voor de dagelijkse pendelbeweging van honderdduizenden personen naar en van Brussel, ontsnapt bijna volledig aan de bevoegdheid van de Brusselse gewestregering. Deze is in de onmogelijkheid de vereiste aanleg van wegen voor dit steeds toenenemd verkeer te plannen of uit te voeren. Ook het openbaar vervoer zou gepland en uitgebouwd moeten worden, niet binnen Brussel-19, maar tot diep in de omliggende residentiële gebieden. Pas dan zullen de honderdduizenden pendelaars hun auto thuis laten. Zoals het nu gaat, is de toegang tot Brussel over drie à vijf jaar geblokkeerd van 7 tot 10 uur 's morgens en van 16 tot 19 uur 's avonds.

Dient er herinnerd te worden aan de erbarmelijke toestand van Brussel op het stuk van ruimtelijke ordening, sociale huisvesting, stadsvernieuwing of eenvoudig onderhoud van straten en pleinen, ophaling van huisvuil, enz. Brussel is zowat de vuilste en meest vervallen stad van Europa. Het is ook de enige stad waar de migranten zijn opgestapeld in uitgestrekte krottenwijken, die nu reeds bijna de helft van de binnenstad beslaan. Het resultaat is, natuurlijk, dat Brussel ook de enige stad in Europa is die rassenrellen kent op Amerikaanse schaal.

Een van de neveneffecten van deze verloedering is de versnelde exodus van de sociale bovenlaag van de Brusselse bevolking, wat dan weer leidt tot een voortdurende daling van de fiscale inkomsten. Aldus ontstaat een financiële impasse die de technische onoplosbaarheid van de problemen nog komt verergeren.

3. De economische onleefbaarheid van een apart Brussels gewest

Een hoofdstad is een plaats waar een groot aantal diensten, gericht op het gehele land, worden geconcentreerd. Het gaat niet alleen om de politieke instellingen en de centrale administratie, of om een aantal diensten inzake onderwijs, cultuur, ontspanning, gezondheidszorg, enz. Het gaat ook en vooral om de duizend-en-één ondernemingen die het moderne bedrijfsleven, en de hedendaagse samenleving in haar geheel, omkaderen en begeleiden. Denken we maar aan vervoers-, verkeers- en communicatiebedrijven; banken, beursmakelaars, verzekeringen en accountants; fiscale, juridische, technische expertise- en adviesbureaus; de grote distributie-ondernemingen en de hooggespecialiseerde of luxehandelszaken; ten slotte het gehele complexe netwerk van hulp- en ondersteuningsbedrijven inzake reclame en marketing, software en programmatie, onderhoud van machines en technische apparatuur, schoonmaakbedrijven, bewakingsdiensten en zoveel meer. Ook alle belangrijke instellingen van de civiele maatschappij, zoals de grote media, politieke partijen en bewegingen, vakbonden en ziekenfondsen, beroepsverenigingen, culturele en sociale organisaties, filosofische en wetenschappelijke genootschappen, enz., vestigen zich bij voorkeur of overwegend in de hoofdstad.

Wetenschappelijke studies, o.m. door professor Van der Haegen van de KUL, tonen aan dat de service-zone van Brussel zich uitstrekt over geheel Vlaanderen, van de kust tot de Maasvallei. Alleen in een beperkte straal rond Gent en Antwerpen zijn de bewoners meer gericht op deze regionale centra dan op Brussel. Brussel is ook de draaischijf van de internationale relaties en - helaas - ook hoofdstad van Europa.

Om al deze functies te kunnen vervullen, heeft een hoofdstad behoefte aan een zeer complexe en dure infrastructuur. Niet alleen gebouwen, straten, pleinen, parkeerterreinen en -garages, maar ook een dicht net van vlotte toegangs- en verkeerswegen te land, per spoor en langs de lucht; communicatienetten voor telefoon, radio, kabel,... Terwijl de voortdurende toevloed van nieuwe bedrijven en personen uit binnen- en buitenland onophoudend nieuwe investeringen vergt - in projecten van huisvesting, stadsontwikkeling en stadsvernieuwing, openbaar vervoer en wat al meer.

Geen enkele hoofdstad of grootstad ter wereld is in staat dat alles zelf te bekostigen. Elke hoofdstad leeft slechts dank zij een permanente stroom van goederen, mensen en kapitalen uit het gehele achterland.

Deze realiteit is volkomen ontsnapt aan de knappe Belgische staatshervormers, toen zij van Brussel - volgens de wens van het francofone establishment - "une région à part entière" gemaakt hebben. Inderdaad, een gewest worden zoals een ander, betekent dat Brussel ook zijn eigen uitgaven zou moeten dekken met zijn eigen inkomsten, zoals Vlaanderen dat doet en Wallonië dat zou moeten doen. Een onmogelijke zaak! Ondanks de speciale dotatie, in de financieringswet voorzien ten gunste van Brussel, om de kosten van zijn hoofdstedelijke functies te dekken, sluiten de rekeningen van het Brussels gewest elk jaar met een deficit van nagenoeg 20%. Er wordt zelfs geen poging gedaan om de schijn op te houden en een budget in evenwicht voor te stellen. En dit alles niettegenstaande het feit dat, bij een gebrek aan financiële middelen, noodzakelijke en verplichte uitgaven niet eens worden gebudgetteerd, zoals de sanering van het vervuilde Zennewater.

Dit betekent dat Brussel-19 niet alleen in de technische onmogelijkheid is om zijn gewestelijke bevoegdheden uit te oefenen, omwille van zijn begrenzing tot 19 van de 35 gemeenten van de reële agglomeratie. Maar ook dat Brussel als apart gewest in elk geval financieel onleefbaar is, zelfs indien men het gewest zou uitbreiden tot die 35 gemeenten. Projecten in die zin van naïeve filosofen (zoals onlangs Dieter Lesage in De Standaard), zijn dan ook irrealistisch.

Vanwaar moet het geld komen? Niet van Wallonië. In het veelbesproken manifest "Choisir l'avenir", onlangs gelanceerd door vier Waalse professoren, wordt vertrokken van het scenario van het uiteenvallen van België als gevolg van een Vlaamse afscheiding, waarna België zou voortleven als een nieuwe, francofone "état fédéral Wallonie-Bruxelles". Of de oude droom: la Belgique latine! Op geen enkele van de 34 bladzijden van dit manifest wordt één lijn gewijd aan het onderzoek van de economische en financiële overlevingskansen van een dergelijke alliantie. Zij dromen er maar op los, zoals sommige van onze 'linkse' Vlaamse intellectuelen. Hoe zou Wallonië kunnen instaan voor de financiering van Brussel, wanneer het zelf reeds elk jaar meer dan 300 miljard Vlaams geld nodig heeft om te overleven?

Alleen Vlaanderen kan het bestaan en de uitbouw van het Brussels gewest, financieel en economisch, op zich nemen. En dit zou slechts normaal zijn, want Brussel ligt met al zijn vezels verankerd in de Vlaamse economische ruimte. Maar de Brusselse francofonie zou dan eindelijk moeten inzien dat de politieke macht en verantwoordelijkheid voor Brussel ook dáár moeten liggen: bij Vlaanderen!

Nu willen zij van Brussel een franstalige stad maken, etnisch gezuiverd van al wat Vlaams of nederlandstalig is. Zij steigeren bij de idee dat de Vlaamse regering rechtstreeks in Brussel zou gaan investeren. Maar zij eisen arrogant steeds bijkomende miljarden van de federale overheid, wat hen toelaat te doen alsof zij niet weten dat elke Belgische frank uit 70 Vlaamse centiemen bestaat.

4. De emotionele afkeer van Brussel tegenover het Nederlands

Brussel-19 als derde gewest is het gevolg van de emotionele afkeer van franstalig Brussel tegenover het Nederlands. Om die afkeer te begrijpen, moet men het sociologisch mechanisme van de verfransing van Brussel ontleden.

De francofone bourgeoisie die sinds 1830 de politiek-heersende klasse was in België, was oorspronkelijk ook in Vlaanderen sterk aanwezig. In 1846 telde Gent nog 5% franstaligen, evenveel als Brussel-stad bij het begin van de 19de eeuw. Onder invloed van de tendens tot concentratie van ondernemingen, eigen aan het kapitalisme, verdween deze bourgeoisie geleidelijk in de Vlaamse provinciesteden en plattelandsgemeenten, om zich in Brussel te concentreren.

De sociaal-culturele dominantie van de franstalige bourgeoisie werd in Vlaanderen bestreden door een geleidelijk aanzwellende middenklasse van intellectuelen en vrije beroepen, ambtenaren en kaderpersoneel. Men zou deze groep vandaag "de nieuwe arbeidersklasse" kunnen noemen. Met de concentratie van de francofone bourgeoisie te Brussel, werd de vernederlandsing van de Vlaamse provincies politiek mogelijk. De taalwetten van 1920 en 1930 kwamen tot stand dank zij een kortstondige alliantie tussen die Vlaamse "middenklasse" en de "oude" industriële arbeidersklasse. Zij werden mede goedgekeurd door de Waalse socialisten. Eventjes werd het duidelijk dat taalstrijd uiteindelijk slechts een aspect is van de klassenstrijd.

In de Brusselse agglomeratie leidde de versterkte aanwezigheid van de franstalige bourgeoisie tot een verfransing in de diepte van de oorspronkelijk Vlaamse bevolking en de Vlaamse inwijking. Dit was mogelijk omdat Brussel ondertussen was uitgegroeid van provinciestad tot grootstad zodat, ingevolge de anonimiteit van het sociaal milieu, de directe sociale controle op het menselijk gedrag - eigen aan platteland en provinciesteden, waar iedereen mekaar kent - werd vervangen door een indirecte sociale controle. In een grootstedelijk leefmilieu heerst een sociaal mimetisme, waardoor de lagere klassen de sociale omgangsvormen van de hoogste klasse gaan navolgen. Vermits Frans spreken hèt distinctief kenmerk van de bourgeoisie was, gingen ook de middenklassen en daarna de volksklassen overschakelen naar het Frans, dat overkwam als een instrument van sociale promotie.

Het is dit sociaal stigma van het 'Vlaams' als taal van de machteloze, dat nog steeds determinerend is voor de sterk emotionele reactie van de Brusselse francofonen op elke - echte of vermeende - poging tot vernederlandsing van Brussel. Elke evolutie in die zin wordt aangevoeld als een bedreiging van de sociale status van elke individuele francofoon.

In deze analyse is de scherpe weerstand van de francofone Brusselaar tegen het Nederlands, een direct gevolg van de positie van een franstalige toplaag als politiek heersende klasse van de Belgische staat. Of minstens van de perceptie, bij de brede francofone massa, van het Frans als taal van het establishment. Indien de verfransing van Brussel nog steeds verder gaat en zelfs uitbreiding neemt, is dat omdat de francofone Brusselaar - en de migrant - in de overtuiging blijft leven dat de uiteindelijke macht in dit land nog steeds berust bij de francofone bovenlaag.

Hebben zij ongelijk? Helemaal niet! De macht van de oude heersende klasse zal blijven bestaan, zolang de door haar opgerichte staatsstructuur blijft bestaan.

De traditionele Vlaamse beweging heeft het steeds moeilijk gehad met deze klasse-analyse. Mede daardoor heeft de politieke leiding van de Vlaamse beweging niet begrepen dat deze staatshervorming weinig of niets veranderde aan de reële politieke machtsverhoudingen in dit land. Zij was dus bereid om de schijn van politieke macht, die haar werd aangeboden met de gewestvorming, te betalen met de goedkeuring van een volwaardig gewestelijk statuut voor Brussel. Precies hierdoor heeft deze staatshervorming de politieke macht van het oude francofone establishment kunnen bestendigen en zelfs versterken in plaats van te verzwakken, laat staan te breken.

Deze historische fout dreigt, op termijn, met de voortschreidende uitbreiding van de Brusselse grootstedelijke ruimte, het bestaan zelf van het Vlaamse volk als natie, bewust van haar eigen identiteit, in gevaar te brengen. Een politieke fout is inderdaad erger dan een misdaad!

5. De oplossing?

Er is, op termijn, geen voor Vlaanderen aanvaardbare oplossing mogelijk zolang de Belgische staat overeind blijft. Maar zelfs bij een politieke scheiding gaat Vlaanderen verloren, indien het Brussel verliest. Omgekeerd is het noodzakelijk dat, bij een volgende communautaire gespreksronde, de politieke misdaad van "Brussel derde gewest" ongedaan zou worden gemaakt, zelfs indien een volledige boedelscheiding met Wallonië politiek nog niet bespreekbaar zou zijn.

Over welke troeven beschikken wij? Wat zijn de hinderpalen?

Vlaanderen beschikt over de beslissende hefboom: zijn economische en financiële machtspositie. Indien deze troef correct wordt uitgespeeld, kunnen wij niet verliezen.

Wallonië kan zonder België wel overleven, op voorwaarde dat het kan rekenen op een tijdelijke voortzetting van de Vlaamse solidariteit, zij het in een andere vorm natuurlijk dan de huidige 'transfers'. Een Vlaams 'Marshall-Plan' voor Wallonië is de sleutel tot de oplossing.

Brussel daarentegen kan afzonderlijk niet bestaan, noch binnen een Belgisch kader, noch a fortiori, erbuiten. En het is niet met Wallonië, maar met Vlaanderen, dat Brussel economisch en financieel moet leven, overleven en zich ontwikkelen. Het enige wat Brussel belet deze realiteit te erkennen en te aanvaarden is zijn emotionele, irrationele afschuw voor al wat Vlaams en nederlandstalig is. Wij moeten deze vrees dus zoveel mogelijk wegnemen.

De gewestelijke, territoriale bevoegdheden van Brussel moeten overgedragen worden aan Vlaanderen. Alleen Vlaanderen beschikt over de nodige financiële draagkracht om de problemen van de Brusselse grootstedelijke ruimte binnen afzienbare tijd op te lossen. Maar de Brusselse francofonen moeten de grondwettelijke waarborg krijgen dat zij, als franstalige groep, in Vlaanderen aanvaard zullen worden met respect voor hun culturele eigenheid, zonder het voorwerp te vormen van enige politieke of administratieve vervlaamsingsdruk.

Concreet zou men kunnen voorstellen dat de francofone gemeenschap zich, binnen en rond Brussel-19, zou organiseren als een autonome, publiekrechtelijke entiteit die zou genieten van alle beschermingsmaatregelen door het internationaal recht toegekend aan nationale minderheden.

Deze autonome francofone gemeenschap zou, in en rond Brussel-19, alle bevoegdheden uitoefenen die aan de thans bestaande gemeenschappen zijn toebedeeld op gebied van taal en cultuur, onderwijs, gezondheidszorg en andere persoonsgebonden materies. Het budget van deze francofone gemeenschap zou volledig ten laste komen van de Vlaamse (deel-)staat.

Is dit utopie? Geenszins, in die zin dat de objectieve basis van deze oplossing reeds bestaat: onze economische macht.

De werkelijke hinderpaal is subjectief en ligt in het zeer trage bewustwordingsproces in Vlaanderen zelf. Wij beschikken (nog) niet over de sociale elite en de politieke klasse die in termen van Vlaamse zelfstandigheid durft te denken. Het is de taak van de Vlaamse beweging deze nieuwe leidende klasse mee tot stand te helpen brengen.