Nummer 34


Column | februari 1998


Christus in Brussel (Hendrik Carette)<< Nummer 34

Herwig Verleyen werd geboren in Dendermonde op 13 november 1946, woonde aanvankelijk in het landelijke Aartrijke maar nu al jaren in Brugge alwaar hij ook werkt als een wat schichtige en schriele ambtenaar. Denk maar aan De Peterburgse vertellingen van de grote Gogol of denk aan De Bezetenen van Dostojevski. Herwig Verleyen zou zo uit een Russische roman van de negentiende eeuw kunnen komen. Hij debuteerde als dichter in 1970 met de dichtbundel Met open handen. Schreef aforismen, grafschriften voor overleden kinderen en haiku's (vaste dichtvorm van oosterse oorsprong) en publiceerde o.m. boekjes en brochures over Karel van Wijnendaele (Wielerleven en Vlaamse beweging, 1975), James Ensor (Een levensschets, 1974), Omer Karel de Laey (dichter en flamingant, 1977) de dichter Paul Snoek, Raf Seys (de bezieler van de jaarlijkse 'Zwijgende Voettochten door het Slagveld van de Peene' in Frans-Vlaanderen), de wereldberoemde muzikant Jean 'Toots' Thielemans en het joodse meisje Anne Frank. Zijn boek Omtrent Anne Frank (1993) werd door de beruchte Oostenrijkse jager op oorlogsmisdadigers Simon Wiesenthal geprezen, maar bleef in Amsterdam zeer omstreden omwille van een tekst van gastauteur Mark Braet, de charismatische dichter en communist. Verleyen werd trouwens als samensteller van dat boek bijna (net niet) voor de rechter gedaagd door de Amsterdamse Stichting Anne Frank. En sinds 17 april 1996 mag deze vreemde vogel of deze wonderlijke wat marginale man zichzelf prijzen of zich door anderen laten aanspreken en betitelen met de mooie titel van Doctor of Letters honoris causa... Want een Canadese universiteit (de Wolfe's University in Toronto, Ontario) verleende hem deze onderscheiding voor zijn boek In Flanders Fields. Het verhaal van John McCrae, zijn gedicht en de klaproos dat in 1992 verscheen bij uitgeverij De Klaproos te Veurne. Dit boek kende een derde, herziene druk in 1995 (recensie in Meervoud nr. 18, dec. 1995) en ook een Engelse editie In Flanders Fields. The story of John McCrae, his poem and the poppy. Eén citaat uit de brief van de bekronende universiteit luidt als volgt: "The honorary distinction is awarded to the author Herwig Verleyen (Flanders, Belgium) for his efforts over many years to make known all over Flanders the life and work of the Canadian Soldier, Physician, Poet and Humanitarian John McCrae (1872-1918)."

Herwig Verleyen is zelden of nooit op de beeldbuis van de VRT te zien. Heeft geen column in het weekblad Humo, is geen bekende Vlaming en ook geen performer of podiumkunstenaar. Hij betreedt geen platgetreden paden, maar schrijft in de stilte van zijn marginaal bestaan. Onlangs schreef hij het gedicht 'Christus in Brussel' (Verleyen heeft ook een aantal jaren in Brussel gewerkt) dat door een zich christelijk noemend blad geweigerd werd voor publicatie. Het is opgedragen aan Jan Vermeire, de stichter van Poverello, de restaurants voor armen en noodlijdenden en het is een naïef ontroerend gedicht en ik ben niet te beroerd om het hier in extenso te citeren:

Vannacht droomde ik (helaas, dromen zijn bedrog) dat ik de Heer ontmoette.

Eerst was ik clochard. Onder het dak van Poverello
schonk hij mij zijn Wondere Visvangst:
soep met balletjes, boterhammen en schouderklopjes.
Daarna werd ik de hoer Maria Magdalena Dolorosa.
Op een barkruk, midden mijn gespannen roze web,
dronk hij de cocktail van mijn verdriet met veel soda en begrip.
Later, als junkie, smeekte ik hem om een shot witte dood.
Het wit van zijn ogen spoot door mijn aders mijn ogen open.
's Nachts werd ik de asielzoeker Mohammed Boekarat.
De Heer sliep naast mij in een container. Opschrift: 'Sans Valeur. Retour.'
En 's ochtends werd ik weer Jan Niemand: een dolende hond
die zijn kille snuit mocht leggen in zijn warme hand.

Vannacht droomde ik (helaas, dromen zijn bedrog)
dat ik de Heer ontmoette.

Hij wentelde de zware grafsteen van mijn hart
en wandelde over het meer van mijn tranen.
Hij waste mijn voeten met water en nederigheid;
drukte mijn hoofd tegen zich aan, zoals een herder zijn lam.
En ja, ook nog: hij sliep in een container
waarrond een wonderlijk licht straalde.

Vannacht droomde ik dat ik de Heer ontmoette.
Het was echter geen droom,
want deze ochtend werd ik wakker,
schreiend in zijn schoot.

Wie geen soelaas vindt in de lectuur van dit realistisch droomgedicht zal nergens nog ooit soelaas vinden in is gedoemd om te leven in de ondraaglijke werkelijkheid van "soep met balletjes, boterhammen en schouderklopjes". Ver van de vertroosting van Maria Magdalena. En Herwig Verleyen mag dan al of niet een echte Herr Doktor zijn, hij is en blijft een echte dichter.